Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
200909028/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2009:BK0183, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft de minister geweigerd [appellant] een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw).

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/4786
JOM 2010/705
JOM 2010/734
OGR-Updates.nl 10-79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909028/1/H3.

Datum uitspraak: 16 juni 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Deelerwoud B.V. en [appellant A], beide gevestigd te [plaats], [appellant B], wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 oktober 2009 in zaak nr. 08/1211 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft de minister geweigerd [appellant] een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw).

Bij besluit van 26 maart 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 december 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.G.A. Peeters, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 1 van het Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren, met uitzondering van gedomesticeerde dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten en met uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis.

Ingevolge de artikelen 9, 10 en 11 is het onder meer verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen, of opzettelijk te verontrusten, en nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van die dieren te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het verboden planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, kunnen gedeputeerde staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

Ingevolge het derde lid kan de minister, voor zover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede lid, 64, tweede lid, en 72, vijfde lid.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, worden, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder i, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: Besluit vrijstelling) is bestendig gebruik aangewezen als ander belang als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, onderdeel c, van de Ffw.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, gelden de verboden, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 11 en 13, eerste lid, van de Ffw, niet ten aanzien van edelherten, damherten en wilde zwijnen die met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten worden gehouden op terreinen kleiner dan 40 hectare, alsmede voor producten van die dieren, voor zover de houder kan aantonen dat de betrokken producten van die dieren afkomstig zijn.

2.2. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft de minister zijn weigering gehandhaafd [appellant] een ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 75 van de Ffw voor het voor de productie houden van edelherten, damherten en wilde zwijnen. De minister heeft aan zijn besluit onder meer ten grondslag gelegd dat het landgoed van [appellant] (hierna: het landgoed) waarvoor de ontheffing is aangevraagd een oppervlakte heeft van tussen de 600 en 700 hectare en dat terrein niet afgesloten is, zodat uitwisseling mogelijk is met grofwild uit de vrije wildbaan. Daarom kunnen de edelherten, damherten en wilde zwijnen niet worden beschouwd als gehouden dieren maar als aan de natuur toebehorend en zich in de natuur wanend grofwild. Volgens het bij de rechtbank bestreden besluit is het exploiteren van wilde dieren ten behoeve van de vleesproductie geen redelijk doel en wordt daarvoor derhalve geen ontheffing verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister mocht beslissen op zijn aanvraag om een ontheffing te verlenen voor het voor de productie houden van edelherten, damherten en wilde zwijnen. Hij heeft in zijn aanvraag uitdrukkelijk gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) verzocht om een ontheffing krachtens artikel 68 van de Ffw, aldus [appellant]. Mede in aanmerking genomen dat ingevolge het Besluit vrijstelling geen vrijstelling geldt van de verboden van de Ffw indien het gaat om een terrein groter dan 40 hectare, had het college volgens hem moeten terugvallen op zijn ontheffingsbevoegdheid van artikel 68 van de Ffw. Als het college van oordeel was dat het niet bevoegd was op zijn aanvraag te beslissen, dan had het een besluit moeten nemen met die inhoud, aldus [appellant]. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat uit zijn brief aan de minister van 26 september 2006 blijkt dat hij van de minister een ontheffing wenste te verkrijgen.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister bevoegd was op de aanvraag van [appellant] te beslissen. Het college heeft die aanvraag terecht aan de minister doorgestuurd. Uit de brief van [appellant] van 26 september 2006 heeft de rechtbank terecht de conclusie getrokken dat hij van de minister een ontheffing wenste te krijgen. In die brief, gericht aan de minister, wordt immers bevestigd dat reeds op 28 juli 2006 een e-mail is verstuurd aan de minister met het bericht dat [appellant] nog altijd een ontheffing wenst te verkrijgen en de minister heeft verzocht op zijn verzoek te beslissen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de juiste toetsingscriteria heeft gehanteerd bij de beoordeling van zijn verzoek om een ontheffing. Volgens [appellant] kan de minister een ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de Ffw verlenen wanneer dieren worden gehouden met het oog op productie. Volgens hem heeft de rechtbank de minister ten onrechte gevolgd in zijn standpunt dat de edelherten, damherten en wilde zwijnen op het landgoed geen door [appellant] gehouden dieren zijn, nu dit landgoed niet geheel is afgesloten en de dieren hier in een voor hen natuurlijke omgeving leven. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] hieraan toegevoegd dat voorouders van de op het landgoed levende edelherten, damherten en wilde zwijnen ongeveer 50 jaar geleden zijn aangeschaft en op het landgoed zijn uitgezet, zodat hun nakomelingen zijn eigendom zijn. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het standpunt van de minister dat ook geen ontheffing zou worden verleend als het landgoed geheel afgesloten zou zijn, geen bespreking behoeft, aldus [appellant].

2.4.1. Bij de aanwending van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontheffingen, hanteert de minister de vaste gedragslijn dat een ontheffing als aangevraagd door [appellant] slechts wordt verleend wanneer het gaat om voor productie bestemde en in gevangenschap gehouden dieren. Bij de invulling van die maatstaf heeft de minister aansluiting gezocht bij hetgeen in paragraaf 3 van de Nota van toelichting bij het Besluit aanwijzing voor productie te houden dieren (hierna: Besluit aanwijzing) is opgemerkt. Volgens deze paragraaf kan worden gesproken van gehouden dieren indien de dieren aan iemand toebehoren, dan wel niet in een voor hun aard natuurlijke vrijheid leven.

2.4.2. De bevoegdheid van de minister om krachtens artikel 75, derde lid, van de Ffw ontheffing te verlenen is discretionair van aard. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid, bij afweging van alle betrokken belangen, op het standpunt kon stellen dat hij slechts ontheffing verleent krachtens dit artikellid voor dieren die voor productie worden gehouden en in gevangenschap zijn gehouden. Bij de invulling van die maatstaf mocht de minister aansluiting zoeken bij hetgeen in de Nota van toelichting bij het Besluit aanwijzing is opgemerkt.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat de op het landgoed levende edelherten, damherten en wilde zwijnen geen in gevangenschap gehouden dieren zijn. Niet in geschil is dat het landgoed een oppervlakte heeft van tussen de 600 en 700 hectare en dat dit landgoed niet geheel omrasterd is. In de omrastering bevinden zich twee openingen, waardoor uitwisseling met de vrije wildbaan mogelijk is. Ter zitting van de rechtbank heeft [appellant] voorts te kennen gegeven dat uitwisseling plaatsvindt tussen de op het landgoed levende edelherten, damherten en wilde zwijnen en de in de vrije wildbaan levende dieren. Dat die uitwisseling beperkt is, zoals [appellant] stelt, maakt niet dat geen uitwisseling plaatsvindt. Het gegeven dat de edelherten, damherten en wilde zwijnen in het verleden zijn aangeschaft en op het landgoed zijn uitgezet, brengt niet mee dat ten tijde van het besluit op bezwaar deze niet als wild, dat wil zeggen niet in gevangenschap gehouden dieren, moeten worden aangemerkt. Daarvoor is redengevend, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat het landgoed in zeer ruime mate de grens van 40 hectare overschrijdt en voornamelijk uit bos bestaat, het aan de daar levende edelherten, damherten en wilde zwijnen een voor hun aard natuurlijke leefomgeving biedt, de dieren het terrein verlaten door de zich in het raster bevindende openingen, zich kunnen vermengen met het in de aangrenzende gebieden aanwezige wild, en dat ook hebben gedaan. Aldus is het mogelijk oorspronkelijk uitgezette bestand aan dieren ontwikkeld tot wild.

De rechtbank is voorts terecht voorbij gegaan aan het betoog van [appellant] dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij evenmin ontheffing zou verlenen als het landgoed geheel afgesloten zou zijn. Nu die situatie niet aan de orde is, behoefde dat betoog geen bespreking.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de minister hem op grond van het vertrouwensbeginsel een vrijstelling had moeten verlenen omdat hij al ruim 50 jaar op zijn landgoed edelherten, damherten en wilde zwijnen houdt voor de productie. De Afdeling begrijpt zijn betoog aldus dat de minister hem daarom ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder i, van het Besluit vrijstelling een ontheffing had moeten verlenen. Ook klaagt [appellant] dat de rechtbank voorbij is gegaan aan zijn betoog dat de minister zich in het bij de rechtbank bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij de gevraagde ontheffing in geen geval zal verlenen omdat het houden van grofwild voor de productie geen redelijk doel is.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot het oordeel dat de minister een ontheffing had moeten verlenen ingevolge artikel 75, zesde lid, van de Ffw gelezen in verbinding met artikel 2, derde lid, onder i, van het Besluit vrijstelling. De rechtbank heeft hiertoe terecht overwogen dat met de inwerkingtreding van de Ffw rechtens een andere situatie is ontstaan, waarin het houden van dieren slechts onder beperkte voorwaarden is toegestaan. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de minister bij hem de verwachting heeft gewekt dat hij een ontheffing zou krijgen omdat hij ruim 50 jaar op zijn landgoed edelherten, damherten en wilde zwijnen houdt voor productie. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

De rechtbank is voorts terecht voorbij gegaan aan het betoog van [appellant], dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het houden van grofwild voor de productie geen redelijk doel is omdat dit niet de motivering is waarop het besluit van de minister steunt. De minister heeft een gedragslijn ontwikkeld voor de aanwending van zijn bevoegdheid krachtens artikel 75 en die op de aanvraag van [appellant] toegepast.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat de minister hem ernstig in zijn eigendomsrechten treft door te weigeren de ontheffing te verlenen. Hij kan de op het landgoed levende edelherten, damherten en wilde zwijnen niet meer vrijelijk exploiteren, zoals hij ruim 50 jaar heeft gedaan. Hierdoor rust op hem een individuele en buitensporige last. Dit levert strijd op met artikel 1 van het Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus [appellant].

2.6.1. Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, voor zover inmenging plaatsvindt in het recht op het ongestoord genot van eigendom, deze is voorzien bij wet. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft voorts een afweging plaatsgevonden van de belangen van [appellant] en het algemeen belang dat met de Ffw wordt gediend. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat met het weigeren de door hem gevraagde ontheffing te verlenen voor hem een individuele en buitensporige last is ontstaan. Zoals hiervoor onder 2.4.2 is overwogen, zijn de op het landgoed levende edelherten, damherten en wilde zwijnen immers wild en geen in gevangenschap gehouden dieren. [appellant] heeft een overeenkomst gesloten met de Vereniging Wildbeheer Veluwe voor het beheer van de op het landgoed levende wilde dieren. Voorts heeft hij ter zitting van de rechtbank te kennen gegeven dat hij het wild verkoopt dat door die vereniging in het kader van dat beheer wordt afgeschoten.

2.7. Tot slot betoogt [appellant] dat de procedure onevenredig lang heeft geduurd. Dit levert volgens hem strijd op met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Daarom meent hij recht te hebben op schadevergoeding.

2.7.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).

2.7.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1) vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. [appellant] heeft niet gemotiveerd waarom op dit uitgangspunt in deze zaak een uitzondering moet worden gemaakt.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de genoemde uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1, is voor procedures die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel een totale lengte van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.7.1 vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Gelet op de duur van de procedure vanaf het moment van de ontvangst van het bezwaarschrift van [appellant] op 3 oktober 2007 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010.

176-622.