Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
201000671/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medische noodsituatie / hiv / aids / Ghana / beschikbaarheid behandeling in medisch-technische zin / informatie van UNAIDS ziet op feitelijke toegankelijkheid / motivering

Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister nader uiteengezet dat bij besluit, verzonden op 6 december 2005, aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. Dit besluit was gebaseerd op het BMA-advies van 9 november 2005, waarin was vermeld dat uit informatie van International SOS bleek dat een continue toevoer van de door de vreemdeling benodigde medicatie niet was gegarandeerd en de tijd die daarmee was gemoeid in tijd sterk wisselde. Hoewel in voormeld BMA-advies is verwezen naar informatie van UNAIDS, is deze informatie slechts opgenomen ter illustratie van de algemene situatie in Ghana. Uit die informatie blijkt, aldus de minister, dat het aantal behandelmogelijkheden in Ghana beperkt is, hetgeen echter geen betrekking heeft op de beschikbaarheid van de medische zorg, maar op de feitelijke toegankelijkheid ervan, welke niet bij de beoordeling van de aanvraag wordt betrokken.

Gelet op deze nadere uiteenzetting van de minister en de inhoud van het BMA-advies van 25 september 2008 heeft de staatssecretaris in het besluit, verzonden op 23 december 2008, voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de conclusie van het BMA in het eerdere advies van 9 november 2005 dat in Ghana de benodigde behandeling in medisch-technische zin niet beschikbaar was, was gebaseerd op informatie van International SOS en niet op de informatie van UNAIDS en dat deze laatste informatie slechts ter illustratie van de algemene situatie in Ghana met betrekking tot de hoeveelheid patiënten en de hoeveelheid behandelingen was opgenomen. Hij heeft eveneens voldoende gemotiveerd dat de informatie van UNAIDS ziet op de vraag of de medische behandeling feitelijk toegankelijk is. Dat in Ghana onvoldoende capaciteit bestaat om aan de hulpvraag te voldoen, betreft de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg en wordt, gelet op het ter zake gevoerde beleid, niet bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Gelet hierop bestond voor de staatssecretaris geen aanleiding om voorts te motiveren waarom het percentage patiënten dat daadwerkelijk wordt behandeld thans niet meer van belang wordt geacht.

In vergelijkbare zin: nrs. 200908839/1/V2, 201000769/1/V2, 200908124/1/V2, 201000676/1/V2, 201000675/1/V2 en 200908828/1/V2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000671/1/V2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank) van 18 december 2009 in zaak nr. 09/00158 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2007 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit, verzonden op 23 december 2008, heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen het besluit van 27 juli 2007 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2009, verzonden op 22 december 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling de gevraagde verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verleent met ingang van de datum waarop de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning is verlopen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2010, waar de minister van Justitie (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, bijgestaan door A.K. de Vries, arts bij het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA), en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Jager, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de beperkingen regels worden gesteld.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdend met het ondergaan van medische behandeling, worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van de minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van de minister deugdelijk is geregeld.

Volgens paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan de staatssecretaris, in de gevallen waarin niet wordt voldaan aan de in artikel 3.46 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden, ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 verlenen. Daarvoor dient betrokkene zich in Nederland te bevinden, dient sprake te zijn van een medische noodsituatie van langdurige aard waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen kan plaatsvinden en dient de medische behandeling ter voorkoming van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar te duren. Een afzonderlijke aanvraag is niet nodig indien een aanvraag voor verblijf om medische redenen is aangevraagd.

Volgens paragraaf B8/3.1 wordt onder medische noodsituatie verstaan: die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder “op korte termijn” wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.

Bij de beoordeling wordt volgens paragraaf B8/4.4 de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland niet betrokken.

2.2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 juli 2008, omdat hij, uitgaande van het oordeel van deze rechtbank in die uitspraak dat de informatie van de Joint United Nations Programme on HIV/AIDS (hierna: UNAIDS) bij de beoordeling door het BMA uitdrukkelijk een rol heeft gespeeld, uitdrukkelijk had dienen te motiveren waarom die informatie thans niet meer van belang wordt geacht. Hij betoogt in dit verband dat hij de overwegingen in deze uitspraak aldus heeft mogen opvatten dat de rechtbank daarin slechts feitelijk constateert dat het BMA in het eerdere advies van 9 november 2005 in deze zaak in antwoord op de vraag of behandeling in het land van herkomst beschikbaar is, niet alleen heeft verwezen naar omstandigheden die de medisch-technische beschikbaarheid van de zorg betreffen, maar ook naar informatie van UNAIDS met betrekking tot het percentage van met HIV geïnfecteerde personen in Ghana dat behandeling ontvangt, en dat het oordeel van de rechtbank slechts ertoe strekte dat hij nader overleg diende te voeren met het BMA over de betekenis en strekking van dat advies. Hij betoogt voorts dat uit de door het BMA gegeven toelichting blijkt dat de informatie van UNAIDS in dat advies ter illustratie was opgenomen en dat voor de beantwoording van de vraag of de medische behandeling in het land van herkomst medisch-technisch beschikbaar is niet mede bepalend is in welke mate de behandeling toegankelijk is. Volgens de staatssecretaris heeft hij wel degelijk op juiste wijze gevolg gegeven aan voormelde uitspraak van 24 juli 2008.

2.2.1. Uit de overwegingen van de uitspraak van 24 juli 2008 kan worden afgeleid dat de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, feitelijk heeft geconstateerd dat het BMA in het verleden, zoals dat ook blijkt uit het eerder in deze zaak uitgebrachte advies van 9 november 2005, in antwoord op de vraag of behandeling in het land van herkomst beschikbaar is, onder meer heeft gebaseerd op het percentage van geïnfecteerden dat behandeling ontvangt, en dat in recentere BMA-adviezen niet meer is verwezen naar voormeld percentage. Gelet hierop heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, geoordeeld dat de staatssecretaris hierover navraag had moeten doen bij het BMA en aan de hand daarvan had moeten motiveren waarom het percentage thans niet meer van belang wordt geacht. Volgens de rechtbank is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het besluit, voor zover het steunt op dit deel van het BMA-advies.

2.2.2. Met inachtneming van die uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief van 22 september 2008 het BMA gevraagd om een nadere toelichting te geven op de betekenis van de vermelding van de informatie van UNAIDS in de oude BMA adviezen en antwoord te geven op de vraag hoe de informatie van UNAIDS zich verhoudt tot de motivering die thans in de BMA adviezen wordt gegeven.

In het advies van 25 september 2008, gelezen in samenhang met een aanvullende nota van het BMA daarbij, is het BMA ingegaan op de door de staatssecretaris gestelde vraag wat de verklaring is voor het feit dat in bepaalde oudere adviezen, in tegenstelling tot recentere adviezen, door het BMA informatie van UNAIDS is genoemd bij de beoordeling van de behandelmogelijkheden in het land van herkomst van de desbetreffende vreemdeling. Volgens het BMA is in het eerdere advies van 9 november 2005 in de onderhavige zaak vermeld dat uit informatie van International SOS blijkt dat - naast een slechte algemene situatie zoals UNAIDS die schetste - de behandelmogelijkheden qua medisch technische beschikbaarheid niet als voldoende beoordeeld konden worden. Deze negatieve conclusie stond, aldus het BMA, los van de ook in het advies genoemde informatie van UNAIDS. Met andere woorden, zo meldt het BMA advies, zonder de informatie van UNAIDS zou ook dezelfde negatieve conclusie zijn getrokken. Hoewel door de bewoordingen in het advies wellicht de indruk is gewekt dat de conclusie dat er onvoldoende behandelmogelijkheden waren mede was gebaseerd op informatie van UNAIDS, is echter, aldus het BMA, bedoeld dat, gelet op informatie van International SOS, destijds de behandelmogelijkheden in Ghana in medisch technische zin onvoldoende beschikbaar waren, hetgeen mede werd veroorzaakt door de slechte algemene situatie in Ghana, zoals die bleek uit informatie van UNAIDS.

Daarnaast heeft het BMA zich desgevraagd uitgelaten over de verhouding van de informatie van UNAIDS tot de informatie van International SOS of de vertrouwensartsen in de BMA adviezen. Volgens het BMA, samengevat weergegeven, blijkt uit de door hem gegeven informatie of de behandeling die een vreemdeling nodig heeft wel of niet mogelijk is in het land van herkomst en zo ja, in welke kliniek dit zou zijn, of medicatie beschikbaar is en eventueel of bepaalde laboratoriumcontroles mogelijk zijn. De informatie betreffende de behandelmogelijkheden heeft alleen betrekking op de beschikbaarheid van de behandeling(en) in medisch-technische zin in de genoemde instellingen en verschaft geen informatie over de individuele toegankelijkheid tot die behandeling(en) waarbij niet-medische factoren een rol spelen. De informatie van UNAIDS is van andere aard. Die informatie beschrijft volgens het BMA niet specifieke medische behandelmogelijkheden voor specifieke klachten in een bepaalde kliniek zoals bij International SOS (of de vertrouwensarts) het geval is, maar de stand van de HIV-bestrijding met antiretrovirale behandeling in het gehele land. Volgens het BMA is deze informatie niet minder belangrijk, maar niet vergelijkbaar met de informatie van de vertrouwensarts of International SOS.

Aan het besluit op bezwaar, verzonden op 23 december 2008, heeft de staatssecretaris, onder meer en voor zover thans van belang, dit advies ten grondslag gelegd.

2.2.3. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister nader uiteengezet dat bij besluit, verzonden op 6 december 2005, aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. Dit besluit was gebaseerd op het BMA-advies van 9 november 2005, waarin was vermeld dat uit informatie van International SOS bleek dat een continue toevoer van de door de vreemdeling benodigde medicatie niet was gegarandeerd en de tijd die daarmee was gemoeid in tijd sterk wisselde. Hoewel in voormeld BMA-advies is verwezen naar informatie van UNAIDS, is deze informatie slechts opgenomen ter illustratie van de algemene situatie in Ghana. Uit die informatie blijkt, aldus de minister, dat het aantal behandelmogelijkheden in Ghana beperkt is, hetgeen echter geen betrekking heeft op de beschikbaarheid van de medische zorg, maar op de feitelijke toegankelijkheid ervan, welke niet bij de beoordeling van de aanvraag wordt betrokken.

2.2.4. Gelet op deze nadere uiteenzetting van de minister en de inhoud van het BMA-advies van 25 september 2008 heeft de staatssecretaris in het besluit, verzonden op 23 december 2008, voldoende deugdelijk gemotiveerd dat de conclusie van het BMA in het eerdere advies van 9 november 2005 dat in Ghana de benodigde behandeling in medisch-technische zin niet beschikbaar was, was gebaseerd op informatie van International SOS en niet op de informatie van UNAIDS en dat deze laatste informatie slechts ter illustratie van de algemene situatie in Ghana met betrekking tot de hoeveelheid patiënten en de hoeveelheid behandelingen was opgenomen. Hij heeft eveneens voldoende gemotiveerd dat de informatie van UNAIDS ziet op de vraag of de medische behandeling feitelijk toegankelijk is. Dat in Ghana onvoldoende capaciteit bestaat om aan de hulpvraag te voldoen, betreft de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg en wordt, gelet op het ter zake gevoerde beleid, niet bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Gelet hierop bestond voor de staatssecretaris geen aanleiding om voorts te motiveren waarom het percentage patiënten dat daadwerkelijk wordt behandeld thans niet meer van belang wordt geacht.

Nu de staatssecretaris navraag heeft gedaan bij het BMA en vervolgens, gelet op het hiervoor overwogene, zijn standpunt in het besluit, verzonden op 23 december 2008, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd, heeft hij op juiste wijze gevolg gegeven aan de uitspraak van 24 juli 2008. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven, die samenhangen met het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 juli 2008, behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit, verzonden op 23 december 2008, beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop nog moet worden beslist.

2.4. De vreemdeling heeft in beroep, onder verwijzing naar informatie van een vertrouwensarts van het BMA en naar hetgeen is verklaard tijdens een door de Internationale Organisatie voor Migratie georganiseerde bijeenkomst, aangevoerd dat in Ghana slechts voor een beperkte groep HIV patiënten medicatie beschikbaar is.

2.4.1. In het BMA-advies van 26 november 2008 is vermeld dat de aan de vreemdeling voorgeschreven medicatie in Ghana verkrijgbaar is.

De vreemdeling heeft geen informatie overgelegd, waaruit blijkt dat dit onjuist is en dat de medicatie die hij nodig heeft in Ghana in medisch technische zin niet beschikbaar is. Dat deze behandeling slechts voor een beperkte groep HIV-patiënten in Ghana mogelijk is, betreft, mede gelet op hetgeen is overwogen in 2.2.4., de feitelijke toegankelijkheid van de zorg, die niet bij de beoordeling van de aanvraag wordt betrokken. De beroepsgrond faalt dan ook.

2.5. In antwoord op de vraag van de staatssecretaris of de vreemdeling, met of zonder voorwaarden, kan reizen per vliegtuig, trein, auto of boot, en welke medische reisvoorwaarden bij de reis vooraf, tijdens en/of direct na de reis noodzakelijk zijn, heeft het BMA in het advies van 26 november 2008 vermeld dat de vreemdeling kan reizen, maar dat continuering van de medicatie en controle- en behandelingsmogelijkheden nodig zijn.

Ter zitting is door de minister en A.K. de Vries toegelicht dat de voorwaarde in het advies dat continuering van de controle en behandelingsmogelijkheden nodig zijn, inhoudt dat, in verband met eerdere complicaties, het in dit geval nodig is dat de vreemdeling direct na de reis wordt gecontroleerd door een arts. Deze door het BMA gestelde voorwaarde is niet dezelfde als de voorwaarde die in voorkomend geval in andere adviezen is opgenomen dat de vreemdeling na de reis voor zijn behandeling moet worden overgedragen aan een arts.

2.5.1. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat het BMA advies van 26 november 2008 voor wat betreft de daarin opgenomen reisvoorwaarden niet volledig is, nu het BMA niet heeft onderkend dat bij terugkeer naar Ghana overdracht aan een behandelaar gegarandeerd moet zijn.

Hij heeft deze stelling niet onderbouwd. De enkele stelling dat in andere zaken het BMA een dergelijke voorwaarde wel heeft opgenomen, is in dit verband niet voldoende. Gelet hierop faalt het betoog.

2.5.2. Daarnaast heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris zich ervan had dienen te vergewissen dat bij uitzetting naar Ghana aan de door het BMA gestelde reisvoorwaarden kan worden voldaan.

Dit betoog faalt evenzeer. Ten aanzien van de door het BMA gestelde voorwaarden dat de vreemdeling zijn medicatie dient te continueren en dat hij na de reis dient te worden gecontroleerd door een arts, geldt dat, zoals de minister ter zitting bij de Afdeling heeft aangevoerd, geen grond bestaat om aan te nemen dat het niet mogelijk moet worden geacht dat bij de daadwerkelijke verwijdering aan die voorwaarden wordt voldaan. Hierbij is in aanmerking genomen dat de minister ter zitting heeft verklaard dat de Dienst Terugkeer & Vertrek, wanneer de uitzetting ter hand wordt genomen, een afspraak regelt met een arts in Ghana, zodat de vreemdeling direct na de reis door een arts kan worden gecontroleerd. In zoverre heeft de staatssecretaris in het besluit, verzonden op 23 december 2008, kunnen volstaan met het overnemen van het advies van het BMA.

2.6. De vreemdeling heeft voorts een beroep gedaan op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Hij betoogt dat de staatssecretaris had dienen te bezien of in zijn individuele geval uitzetting in strijd zal zijn met voormeld artikel.

2.6.1. Blijkens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) (zie laatstelijk de uitspraak van 27 mei 2008 in zaak nr. 26565/05, www.echr.coe.int/echr) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

2.6.2. De vreemdeling heeft niet met medische verklaringen of anderszins aangetoond dat de ziekte waaraan hij lijdt zich in een dergelijk stadium bevindt. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de adviezen van het BMA. Uit de jurisprudentie van het EHRM niet kan worden afgeleid dat bij de beoordeling van de medische toestand mede betrokken moeten worden speculaties over mogelijke toekomstige belemmeringen van de toegang tot de noodzakelijke zorg. In dit verband kan worden gewezen op de overwegingen 47 en 50 van voormelde uitspraak van 27 mei 2008 en de overwegingen 38 en 39 van de uitspraak van het EHRM van 6 februari 2001 in zaak nr. 44599/98 (www.echr.coe.int/echr). Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM, zodat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het beroep van de vreemdeling op artikel 3 van het EVRM niet kan slagen.

2.7. Nu uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden die zijn gericht tegen het besluit, verzonden op 23 december 2008, falen, faalt ook de beroepsgrond dat het verzoek op voet van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten ten onrechte is afgewezen.

2.8. Het inleidend beroep tegen het besluit, verzonden op 23 december 2008, is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 18 december 2009 in zaak nr. 09/00158;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Pieters

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

473.

Verzonden: 9 juni 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser