Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7143

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200908591/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2009 heeft het college aan de vennootschap onder firma VDL-Kiens Recycling voor een periode van tien jaar een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan en be- en verwerken van afvalstoffen om deze na bewerking vervolgens geschikt te maken voor hergebruik, op het perceel Oosterwijk WZ 25 te Emmen. Dit besluit is op 30 september 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2653
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908591/1/M1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bowie Recycling B.V., gevestigd te Landhorst, gemeente Sint Anthonis,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2009 heeft het college aan de vennootschap onder firma VDL-Kiens Recycling voor een periode van tien jaar een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan en be- en verwerken van afvalstoffen om deze na bewerking vervolgens geschikt te maken voor hergebruik, op het perceel Oosterwijk WZ 25 te Emmen. Dit besluit is op 30 september 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Bowie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2010, waar Bowie, vertegenwoordigd door mr. C.W. Buurman, ing. R. Geerlinks en ing. R.F.J.M. Kosters, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Weis, G. Eleveld en ing. R.J.M. Oosterbaan, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting VDL-Kiens Recycling, vertegenwoordigd door ing. G.H.W. van der Linden, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. Bowie betoogt dat de verlening van de vergunning en de toekenning van geluidruimte daarbij aan VDL-Kiens Recycling ertoe leiden dat het vergelijkbare bedrijf van Bowie op het gezoneerde industrieterrein zich niet kan ontwikkelen en er oneerlijke concurrentie ontstaat. In dit verband voert Bowie aan dat de geluidzone nagenoeg vol zit en de gemeente geen zonebeheersplan heeft opgezet. Het college had volgens Bowie de aanwezigheid van haar bedrijf en de daarvoor bestaande plannen als relevante toekomstige ontwikkeling bij de besluitvorming moeten betrekken. Daarbij had het college er volgens Bowie van moeten uitgaan dat uit een oogpunt van gelijkheid aan beide bedrijven dezelfde eisen moeten worden gesteld. Door dit na te laten leidt het bestreden besluit volgens Bowie tot onduidelijkheid ten aanzien van het te verwachten besluit voor haar eigen inrichting.

2.2.1. Het college betoogt dat de gemeente Emmen, die zorg draagt voor het zonebeheer, weliswaar niet over een afzonderlijk zonebeheersplan beschikt, maar wel over een zonebeheersmodel dat elementen van een zonebeheersplan bevat. In dit zonebeheersmodel wordt rekening gehouden met vergunde bronnen en fictieve bronnen per kavel, waarbij ervan wordt uitgegaan dat een bedrijf een beroep kan doen op de voor een kavel gereserveerde geluidruimte en extra maatregelen moet treffen wanneer het meer vraagt, aldus het college. Het college voert aan dat het aan de hand van de beoordeling van de zonebeheerder toetst of de activiteit aldus inpasbaar is binnen de beschikbare geluidruimte voor het industrieterrein, hetgeen volgens het college ten aanzien van de onderhavige inrichting het geval is.

2.2.2. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.

2.2.3. In hoofdstuk 5 van de vergunningvoorschriften zijn voorschriften gesteld ten aanzien van geluid.

2.2.4. De inrichting van VDL-Kiens Recycling is gelegen op het gezoneerde industrieterrein Bargermeer. De geluidzone is op 6 oktober 1987 vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van Drenthe en op 24 april 1989 goedgekeurd door de Kroon. Bij besluit van 12 oktober 1999 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een saneringsprogramma goedgekeurd en voor geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone een Maximaal Toelaatbare Geluidsbelasting (hierna: MTG) vastgesteld.

Bij de beslissing op de aanvraag dient het college te beoordelen of de equivalente geluidbelasting, veroorzaakt door de inrichting, tezamen met die, veroorzaakt door de andere inrichtingen op het gezoneerde industrieterrein, de zonegrenswaarde en de MTG-waarden voor woningen binnen de zone niet overschrijdt.

Het college wijst erop dat de zonebeheerder heeft meegedeeld dat na uitvoering van de te treffen geluidbeperkende maatregelen de berekende geluidimmissie, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde bedrijven, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het industrieterrein.

2.2.5. De Afdeling verstaat het betoog van Bowie aldus dat het college bij vorenbedoelde beoordeling rekening had moeten houden met de door Bowie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog aan te vragen milieuvergunning, als zijnde een redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkeling, en daarom aan VDL-Kiens Recycling slechts een geringere geluidbijdrage had mogen toestaan. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel niet aannemelijk dat het bestreden besluit de inpasbaarheid van de inrichting van Bowie binnen de geluidzone en de MTG-waarden nadelig voor Bowie beïnvloedt. Het betoog van Bowie mist dan ook feitelijke grondslag. Reeds hierom treft de beroepsgrond geen doel.

2.3. Bowie voert voorts aan dat onduidelijk is of moet worden uitgegaan van het bij de aanvraag ingediende akoestisch rapport, waardoor de rechtszekerheid wordt geschaad. In dit verband wijst Bowie erop dat in het dictum, onder III, van het bestreden besluit het akoestisch rapport expliciet is uitgezonderd van de bepaling dat de vergunningaanvraag en de daarbij verstrekte gegevens deel uitmaken van de vergunning, terwijl in de voorschriften 5.1.3 en 5.1.5 wel naar het akoestisch rapport wordt verwezen. Nu nadrukkelijk is bepaald dat het akoestisch rapport geen onderdeel uitmaakt van de vergunning, kan het volgens Bowie niet de status van vergunningvoorschrift krijgen en kan er ook niet naar worden verwezen. Dit leidt er volgens Bowie toe dat de voorschriften 5.1.3 en 5.1.5 geen juridische status hebben en geen rechten of plichten omvatten. Hierdoor bestaat volgens Bowie onduidelijkheid over de vergunde activiteiten, in het bijzonder in de avond- en nachtperiode, en de realisatie van afschermende voorzieningen.

2.3.1. Het college betoogt dat het akoestisch rapport op enkele aspecten na geen deel uitmaakt van de vergunning. Hierdoor krijgt het bedrijf flexibiliteit om kleine wijzigingen in de bedrijfsvoering door te voeren zonder dat dit ten koste gaat van het beschermingsniveau voor de omgeving of de handhaafbaarheid van de vergunning. De flexibiliteit is begrensd; het bedrijf moet voldoen aan de vergunningvoorschriften, aldus het college. Voorts is in paragraaf 1.3 van de vergunning vermeld welke activiteiten zijn vergund en is, zoals in voorschrift 5.1.3 is vermeld, in tabel 4.2 van het akoestisch rapport beschreven welke activiteiten gedurende 12 keer per jaar in de avond- of nachtperiode mogen plaatsvinden. Voor de te realiseren afschermende voorzieningen wijst het college erop dat VDL-Kiens Recycling voorschrift 5.1.5 moet naleven.

2.3.2. In voorschrift 5.1.3 is bepaald dat boven de normale activiteiten gedurende 12 keer per jaar de activiteiten in de avond- of nachtperiode mogen plaatsvinden zoals beschreven in tabel 4.2 van het akoestisch rapport bij de vergunningaanvraag (rapport 0552231-02 d.d. 20 maart 2006).

In voorschrift 5.1.5 is bepaald dat in de inrichting, voordat de bedrijfsmatige activiteiten worden ontplooid, de afschermende voorzieningen (aarden wallen en schermen) moeten worden gerealiseerd zoals is aangegeven op pagina 16 van het akoestisch rapport bij de vergunningaanvraag (rapport 0552231-02 d.d. 20 maart 2006).

2.3.3. De Afdeling ziet in hetgeen Bowie heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de voorschriften 5.1.3 en 5.1.5 door de verwijzing daarin naar het akoestisch rapport onduidelijkheid creëren. Dat het bestreden besluit bepaalt dat het akoestisch rapport geen onderdeel uitmaakt van de vergunning, laat onverlet dat in de vergunningvoorschriften naar beschrijvingen in het akoestisch rapport kan worden verwezen, zoals in de voorschriften 5.1.3 en 5.1.5 is geschied. Door de verwijzingen in die voorschriften verschaft het bestreden besluit duidelijkheid over de activiteiten die gedurende 12 keer per jaar in de avond- en nachtperiode mogen plaatsvinden en de afschermende voorzieningen die moeten worden gerealiseerd. Ook overigens is het bestreden besluit, wat de vergunde activiteiten betreft, niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

De voorzitter ambtenaar van Staat

is verhinderd de uitspraak w.g. Kuipers

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

271-379.