Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200902473/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 30 mei 2006 heeft het college Rotterdam Short Sea Terminals e.a. als bedrijfsbrandweerplichtige inrichtingen aangewezen en aan deze aanwijzingen een aantal voorschriften verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902473/1/H3.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2009 in zaken nrs. 07/531, 07/532, 07/533 en 07/534 in de gedingen tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Short Sea Terminals B.V., gevestigd te Rotterdam

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uniport Multipurpose B.V., gevestigd te Rotterdam

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hanno Rotterdam B.V., thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uniport Multipurpose B.V., gevestigd te Rotterdam

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid APM Terminals B.V., gevestigd te Rotterdam

(hierna gezamenlijk: Rotterdam Short Sea Terminals e.a.)

en

het college.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 30 mei 2006 heeft het college Rotterdam Short Sea Terminals e.a. als bedrijfsbrandweerplichtige inrichtingen aangewezen en aan deze aanwijzingen een aantal voorschriften verbonden.

Bij besluiten van 19 december 2006 heeft het college de door Rotterdam Short Sea Terminals e.a. daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2009, verzonden op 27 februari 2009, heeft de rechtbank de door Rotterdam Short Sea Terminals e.a. daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 19 december 2006 vernietigd en de besluiten van 30 mei 2006 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Rotterdam Short Sea Terminals e.a. hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, ir. F. van Oosten en mr. K. Kappetijn, allen werkzaam bij de gemeente, en Rotterdam Short Sea Terminals e.a., vertegenwoordigd door mr. M. van Wensen, en vergezeld door [gemachtigde], werkzaam bij Save/Oranjewoud, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:65 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend en Rotterdam Short Sea Terminals e.a. en het college bij brieven van 19 oktober 2009 een aantal vragen gesteld. Bij brief van 6 november 2009 hebben Rotterdam Short Sea Terminals e.a. gereageerd. Het college heeft bij brief van 9 november 2009 gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 22 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, ir. F. van Oosten en mr. K. Kappetijn, allen werkzaam bij de gemeente, en Rotterdam Short Sea Terminals e.a., vertegenwoordigd door mr. M. van Wensen, en vergezeld door [gemachtigde], werkzaam bij Save/Oranjewoud, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Brandweerwet 1985, zoals dit luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders een inrichting die in geval van een brand of ongeval bijzonder gevaar kan opleveren voor de openbare veiligheid aanwijzen als bedrijfsbrandweerplichtig. Het hoofd of de bestuurder van een aangewezen inrichting is verplicht er voor te zorgen, dat in die inrichting kan worden beschikt over een bedrijfsbrandweer, die voldoet aan de bij de aanwijzing gestelde eisen inzake personeel en materieel. Voordat een aanwijzing plaatsvindt, horen burgemeester en wethouders het hoofd of de bestuurder van de inrichting.

Ingevolge het derde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke inrichtingen kunnen worden aangewezen, welke eisen inzake personeel en materieel kunnen worden gesteld en worden nadere regels gegeven betreffende de wijze van totstandkoming van een aanwijzing.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit bedrijfsbrandweren, zoals dit luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, komen voor een aanwijzing als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moeten beschikken, slechts in aanmerking:

a. inrichtingen waarop paragraaf 2 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;

b. inrichtingen met installaties waarop hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing is voor zover het betreft:

1º. inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van in die afdeling genoemde stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, verzoeken burgemeester en wethouders alvorens tot aanwijzing over te gaan, het hoofd of de bestuurder van een inrichting waarvan zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat deze in geval van brand of ongevallen een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid kan vormen, binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek aan hen een rapport inzake de bedrijfsbrandweer over te leggen, dat de volgende gegevens bevat:

a. een algemene beschrijving van de inrichting, van de daarin voorkomende stoffen en de eigenschappen van deze stoffen;

b. een algemene beschrijving van de processen die in de inrichting plaatsvinden;

c. de geloofwaardige incidentscenario’s dat wil zeggen een beschrijving van de aard, de omvang, het verloop in de tijd en de bestrijding of de beheersing van een brand of een ongeval op het terrein van de inrichting,

1. die gegeven de aard van een installatie of de inrichting, rekening houdend met de daarin aangebrachte preventieve voorzieningen, als zeer reëel en typerend wordt geacht,

2. waarbij schade aan gebouwen of personen in de omgeving van de inrichting kan ontstaan, en

3. waarbij van preventieve of repressieve maatregelen duidelijk effect verwacht mag worden, waardoor escalatie daarvan wordt voorkomen;

d. de maatgevende incidentscenario’s dat wil zeggen de geloofwaardige incidentscenario's, bedoeld in onderdeel c, die bepalend zijn voor de omvang en de uitrusting van de bedrijfsbrandweer;

e. een beschrijving van de organisatie van de nodig geachte bedrijfsbrandweer, waaronder de omvang van het personeel en het materieel.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover hier van belang wijzen burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de inrichting waarvoor zij ingevolge artikel 3, eerste lid, een rapport hebben ontvangen, in geval van brand of ongevallen bijzonder gevaar kan opleveren voor de openbare veiligheid, met inachtneming van de bij dit besluit behorende bijlage, de inrichting aan als één welke binnen een door hen te stellen termijn over een bedrijfsbrandweer dient te beschikken.

Op grond van de bij het Besluit bedrijfsbrandweren behorende bijlage, onder 1.1, dient onder "bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid" te worden begrepen een situatie waarbij er naar het oordeel van burgemeester en wethouders als gevolg van geloofwaardige incidentscenario's binnen de inrichting, een schade in de omgeving van die inrichting kan ontstaan die duidelijk groter is dan de schade welke optreedt door mogelijke ongevallen in de betrokken omgeving zelf en waarop de overheidsbrandweer is berekend.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (hierna: Besluit risico’s), zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt in het Besluit risico's en de daarop berustende bepalingen onder opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen verstaan:

opslag van verpakte gevaarlijke stoffen gedurende korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, met inbegrip van het laden en lossen van die stoffen en de overbrenging daarvan naar of van een andere tak van vervoer, voor zover daadwerkelijk in aansluitend vervoer is voorzien en de betrokken gevaarlijke stoffen in hun oorspronkelijke verpakking blijven.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het Besluit risico's niet van toepassing op inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten.

2.2. In de in bezwaar gehandhaafde besluiten heeft het college zich op het standpunt gesteld dat Rotterdam Short Sea Terminals e.a. behoren tot de in artikel 2, aanhef en onder b, aanhef en 1º, van het Besluit bedrijfsbrandweren bedoelde inrichtingen die kunnen worden aangewezen als inrichtingen die over een bedrijfsbrandweer moeten beschikken, omdat zij in geval van een brand of ongeval bijzonder gevaar kunnen opleveren voor de openbare veiligheid.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Rotterdam Short Sea Terminals e.a. inrichtingen zijn als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, aanhef en 1°, van het Besluit bedrijfsbrandweren. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat Rotterdam Short Sea Terminals e.a. geen inrichtingen zijn die geheel of nagenoeg geheel bestemd zijn voor de opslag van gevaarlijke stoffen. De betreffende milieuvergunningen stellen allerlei beperkingen aan de opslag van gevaarlijke stoffen, waardoor maximaal slechts 23% van het terrein benut mag worden voor de opslag van gevaarlijke stoffen, aldus de rechtbank.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank een te beperkte maatstaf heeft gehanteerd, door de woorden "geheel of nagenoeg geheel" te koppelen aan de ruimte die ingevolge de milieuvergunningen van Rotterdam Short Sea Terminals e.a. gebruikt mag worden voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Volgens het college zien deze woorden in artikel 2, aanhef en onder b, aanhef en 1°, van het Besluit bedrijfsbrandweren op de aard van het bedrijf, dat gericht moet zijn op de op- en overslag van stoffen in verband met vervoer, niet op de mate van het ruimtelijk gebruik voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Het college heeft in dit verband verwezen naar de omschrijving van het begrip in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit risico’s. De categorie vervoergebonden inrichtingen is, samen met spoorwegemplacementen, in 2000 aan het Besluit bedrijfsbrandweren toegevoegd juist om dit type bedrijven op een eventuele bedrijfsbrandweerplicht te kunnen beoordelen, aldus het college.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 2, aanhef en onder b, aanhef en 1º, van het Besluit bedrijfsbrandweren zo kan worden gelezen dat de zinsnede "geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag" ziet op de relatieve omvang van de ruimte die inrichtingen op hun terrein mogen benutten voor de opslag van gevaarlijke stoffen. De Afdeling is evenwel tot een andere uitleg van het artikelonderdeel gekomen.

De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de zinsnede "inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen". In artikel 2, aanhef en onder b, aanhef en 1º, van het Besluit bedrijfsbrandweren is evenwel als maatstaf neergelegd: "inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten". De zinsnede "geheel of nagenoeg geheel" dient betrokken te worden op "voor de opslag in verband met vervoer". Deze uitleg geeft zin aan de toevoeging "al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten". Aldus wordt benadrukt dat de bepaling betrekking heeft op inrichtingen bestemd voor opslag in verband met vervoer van - onder meer - gevaarlijke stoffen.

Voor deze uitleg pleit ook de strekking van het Besluit bedrijfsbrandweren zoals uiteen gezet in de toelichting bij de bepaling. In artikel 2 van het Besluit bedrijfsbrandweren zijn maatstaven gegeven voor de aanwending van de bevoegdheid die in artikel 13 van de Brandweerwet 1985 de colleges van burgemeester en wethouders is gegeven om inrichtingen als bedrijfsbrandweerplichtig aan te wijzen. Beoogd is de categorieën inrichtingen te omschrijven waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze in geval van brand of ongevallen een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid kunnen opleveren, en waarvoor het dus aangewezen is dat aan de hand van een door hen overgelegd rapport wordt beoordeeld of die inrichting inderdaad een bijzonder gevaar vormt en dus over een bedrijfsbrandweer dient te beschikken. Het gaat derhalve om de categorieën inrichtingen die in aanmerking komen voor de eerste stap van het selectieproces voor de aanwijzing van inrichtingen die bedrijfsbrandweerplichtig zijn. Vervoergebonden inrichtingen die werken met gevaarlijke stoffen kunnen een bijzonder gevaar vormen, ook al mag de ruimte op hun terrein niet geheel of nagenoeg geheel maar slechts voor een beperkt deel worden benut voor de opslag van die stoffen. Niet kan zijn beoogd een inrichting met een omvangrijk terrein, dat slechts ten dele mag worden benut om gevaarlijke stoffen op te slaan maar waar die stoffen niettemin worden opgeslagen in een zodanige omvang dat het gevaar aanzienlijk zou kunnen zijn, te onttrekken aan het onderzoek naar en de beoordeling van dat gevaar.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, dient bij de uitleg van de bepaling derhalve niet doorslaggevend te zijn de relatieve omvang van de opslag van gevaarlijke stoffen ten opzichte van andere opslag in die inrichting, maar de aard van de inrichting - het geheel of nagenoeg geheel bestemd zijn voor de opslag in verband met vervoer van onder meer gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten.

2.4.2. Het vorenstaande vindt bevestiging in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2, aanhef en onder b, aanhef en 1°, van het Besluit bedrijfsbrandweren. Bij het koninklijk besluit van 19 februari 2000, houdende aanpassing van het Besluit bedrijfsbrandweren aan wijzigingen in de regelgeving inzake de externe veiligheid en de arbeidsomstandigheden (Stb. 2000, 108, blz. 5), is erin voorzien dat ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel a, van het Besluit bedrijfsbrandweren alle inrichtingen waarop paragraaf 2 van het Besluit risico’s van toepassing is, kunnen worden aangewezen als bedrijfsbrandweerplichtig. Op "vervoergebonden inrichtingen zoals stuwadoorsbedrijven en zelfstandige spoorwegemplacementen" is het Besluit risico’s ingevolge artikel 2, aanhef en onder e - thans: onder d -, van dat Besluit echter niet van toepassing. Blijkens de nota van toelichting is daarom in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van het Besluit bedrijfsbrandweren dit type inrichtingen voor zover zij onder hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit vallen en daarom verplicht zijn een arbeidsveiligheidsrapportage op te stellen, als aparte categorie toegevoegd die kan worden aangewezen als bedrijfsbrandweerplichtig.

Nu de omschrijvingen van de inrichtingen in die twee bepalingen nagenoeg gelijkluidend zijn, kan voor de beantwoording van de vraag of Rotterdam Short Sea Terminals e.a. te beschouwen zijn als inrichtingen als bedoeld in het Besluit bedrijfsbrandweren die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van de in afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit genoemde stoffen worden aangesloten bij hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit risico's. Uit de nota van toelichting bij het Besluit risico’s (Stb. 1999, 234, blz. 43) volgt dat het gaat om "vervoergebonden inrichtingen, zoals stuwadoorsinrichtingen", die "uitsluitend of nagenoeg uitsluitend" zijn gericht op "typische vervoershandelingen". Dit bevestigt dat de woorden "geheel of nagenoeg geheel" zijn betrokken op de aard van de bedrijven, te weten bedrijven die opslaan ten behoeve van vervoer.

Niet in geschil is dat Rotterdam Short Sea Terminals e.a. beschikken over installaties waarop afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat Rotterdam Short Sea Terminals e.a. zijn te kwalificeren als vervoergebonden inrichtingen in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit risico’s, omdat gevaarlijke stoffen kortstondig worden opgeslagen in afwachting van aansluitend vervoer en de gevaarlijke stoffen in de oorspronkelijke verpakking blijven, overeenkomstig artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit risico’s. Daarom moeten de inrichtingen eveneens worden aangemerkt als inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, aanhef en 1°, van het Besluit bedrijfsbrandweren. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat Rotterdam Short Sea Terminals e.a. ingevolge artikel 2 van het Besluit bedrijfsbrandweren in aanmerking komen voor een aanwijzing als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moet beschikken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog van het college slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, beoordeelt de Afdeling thans de door Rotterdam Short Sea Terminals e.a. tegen de besluiten van het college van 19 december 2006 in beroep aangevoerde gronden voor zover deze hiervoor nog niet zijn besproken.

2.6. Rotterdam Short Sea Terminals e.a. betogen dat de inrichtingen geen bijzonder gevaar opleveren voor de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 13 van de Brandweerwet 1985. Het veiligheidsbeleid van Rotterdam Short Sea Terminals e.a. is er primair op gericht om op basis van normen, richtlijnen, vergunningen en andere regels de organisatorische en technische maatregelen en voorzieningen te treffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken en te beheersen. Het college heeft, door Rotterdam Short Sea Terminals e.a. aan te wijzen als bedrijfsbrandweerplichtig, onvoldoende rekening gehouden met de eisen die reeds aan de inrichtingen zijn gesteld bij of krachtens de Brandweerwet 1985 en andere wettelijke voorschriften. Rotterdam Short Sea Terminals e.a. hebben hiertoe rapporten van Save/Oranjewoud van 13 januari 2009 (hierna: rapporten 2009) overgelegd. Uit deze rapporten volgt volgens Rotterdam Short Sea Terminals e.a. dat elk van de geselecteerde geloofwaardige incidentscenario’s zodanig kan worden bestreden met behulp van de preventieve en repressieve maatregelen én de overheidsbrandweer, dat niet aannemelijk is dat een van de scenario’s uitgroeit tot een situatie waarbij bijzonder gevaar ontstaat en dat een aanwijzing als bedrijfsbrandweerplichtig derhalve niet noodzakelijk is. In de door hen overgelegde rapporten van april 2006 van Save/Oranjewoud (hierna: rapporten 2006), die het college aan de besluiten van 30 mei 2006 ten grondslag heeft gelegd, is onvoldoende rekening gehouden met de effecten van de in de inrichtingen getroffen preventieve en repressieve maatregelen en voorzieningen. In de rapporten 2009 is daarmee wel voldoende rekening gehouden, zodat aan deze rapporten doorslaggevende betekenis toekomt, aldus Rotterdam Short Sea Terminals e.a.

2.6.1 De door Rotterdam Short Sea Terminals e.a. overgelegde rapporten 2006 zijn rapporten inzake de bedrijfsbrandweer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit bedrijfsbrandweren. Deze rapporten zijn opgesteld aan de hand van het kennisdocument van de brandweer Rotterdam "Bedrijfsbrandweer vervoersgebonden inrichtingen" van 1 maart 2005 (hierna: kennisdocument 2005). Uit de rapporten 2006 volgt dat in de inrichtingen verschillende geloofwaardige incidentscenario’s denkbaar zijn met effecten buiten de inrichtingsgrenzen. Voorts kan uit de rapporten 2006 worden geconcludeerd dat de inrichtingen op grond van de geselecteerde geloofwaardige incidentscenario’s bedrijfsbrandweerplichtig zijn. Ter zitting hebben Rotterdam Short Sea Terminals e.a. dit bevestigd, maar daarbij tevens gewezen op het voorbehoud dat zij bij deze conclusie hebben gemaakt, en dat in de rapporten 2006 is opgenomen.

De rapporten 2006 zijn met inachtneming van artikel 3 van het Besluit bedrijfsbrandweren opgesteld en vertonen naar de wijze van totstandkoming dan wel naar de inhoud niet zodanige gebreken dat het college daarin aanleiding had moeten zien ze niet mede ten grondslag te leggen aan het oordeel dat de inrichtingen een bijzonder gevaar opleveren voor de openbare veiligheid in de zin van artikel 13 van de Brandweerwet 1985. Het betoog van Rotterdam Short Sea Terminals e.a. dat zij bij het opstellen van de rapporten 2006 achteraf bezien te strikt de hand hebben gehouden aan de geloofwaardige incidentscenario’s zoals genoemd in het kennisdocument 2005, omdat zij volgens het kennisdocument 2005 niet van deze scenario’s zouden mogen afwijken en dientengevolge de preventieve en repressieve maatregelen en voorzieningen onvoldoende in aanmerking hebben genomen, slaagt niet. Nog daargelaten of in de gesprekken met het college voorafgaand aan de besluiten tot aanwijzing een onjuiste indruk zou zijn ontstaan met betrekking tot het kennisdocument 2005, mag van Save/Oranjewoud als deskundige worden verwacht dat hij zich baseert op de duidelijke inhoud van het Besluit bedrijfsbrandweren, in het bijzonder artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit bedrijfsbrandweren, waaruit reeds volgt dat bij de selectie van geloofwaardige incidentscenario’s rekening dient te worden gehouden met alle reeds getroffen preventieve en repressieve maatregelen en voorzieningen. Hierbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat, anders dan Rotterdam Short Sea Terminals e.a. stellen, het kennisdocument 2005 niet zodanig verschilt van het kennisdocument van de brandweer Rotterdam "Bedrijfsbrandweer vervoersgebonden inrichtingen" van 17 maart 2008 wat betreft het bij de selectie van geloofwaardige incidentscenario’s in aanmerking nemen van preventieve en repressieve maatregelen en voorzieningen, dat zij hierdoor achteraf bezien konden menen te strikt de hand te hebben gehouden aan de in het kennisdocument 2005 genoemde geloofwaardige incidentscenario’s. De tekst van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit bedrijfsbrandweren, die bepalend is, is tussen 2005 en 2008 niet gewijzigd. Het door Rotterdam Short Sea Terminals e.a. gemaakte voorbehoud aan het slot van de rapporten 2006 behoefde voor het college op dat moment geen reden te zijn om deze rapporten niet aan zijn beoordeling ten grondslag te leggen.

De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het college zich bij zijn besluiten van 30 mei 2006 niet heeft mogen baseren op de rapporten 2006 inzake de bedrijfsbrandweer.

2.6.2 De door Rotterdam Short Sea Terminals e.a. overgelegde rapporten 2009 van Save/Oranjewoud bieden voorts geen grond voor het oordeel dat de rapporten 2006 zodanige inhoudelijke gebreken vertonen dat het college die rapporten om die reden niet aan zijn besluiten van 30 mei 2006 ten grondslag mocht leggen. Het college heeft in dit verband ter zitting terecht betoogd dat uit de rapporten 2009 niet zonder meer volgt dat een aantal scenario’s zal escaleren tot rampscenario zodat van preventieve en repressieve maatregelen geen duidelijk effect verwacht mag worden, en dat deze scenario's op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 3, van het Besluit bedrijfsbrandweren niet kunnen leiden tot een aanwijzing als bedrijfsbrandweerplichtig. Nu in de rapporten 2009, naar ter zitting is komen vast te staan, enkel is beoordeeld of de incidentscenario’s met behulp van preventieve en repressieve maatregelen en voorzieningen en met behulp van de overheidsbrandweer voldoende beheerst kunnen worden, is daarin ten onrechte niet de mogelijkheid verdisconteerd dat een bedrijfsbrandweer, welke in het algemeen snel ter plaatse kan zijn, de risico’s - zo nodig samen met de overheidsbrandweer - zodanig zou kunnen beheersen dat geen escalatie tot een ramp zal optreden. Ook betoogt het college terecht dat in de rapporten 2009 een te groot belang is gehecht aan de aanwezigheid van de bedrijfshulpverlening als repressieve maatregel, omdat deze is opgericht om te voldoen aan de arbeidsomstandighedenwetgeving, niet ter bestrijding van de geselecteerde geloofwaardige incidentscenario’s, en op dit laatste ook niet is berekend.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college zich onder verwijzing naar de rapporten 2006 en gegeven de hem in artikel 4, eerste lid, van het Besluit bedrijfsbrandweren verleende beoordelingsruimte, op het standpunt heeft mogen stellen dat Rotterdam Short Sea Terminals e.a. in geval van een brand of ongeval bijzonder gevaar kunnen opleveren voor de openbare veiligheid, als bedoeld in artikel 13 van de Brandweerwet 1985 en het de inrichtingen mitsdien mocht aanwijzen als bedrijfsbrandweerplichtig.

2.7 De beroepen tegen de besluiten van 19 december 2006 van het college zijn ongegrond.

2.8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2009 in zaken nrs. 07/531, 07/532, 07/533, 07/534;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

350-581.