Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200906925/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het legaliseren van een dakterras op het perceel [locatie] te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906925/1/H1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 juli 2009 in zaken nrs. 09/1744 en 09/1539 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het legaliseren van een dakterras op het perceel [locatie] te 's-Hertogenbosch (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2009, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 maart 2009 vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 oktober 2009.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. J.S. Procee, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr I. de Leeuw, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In rechtsoverweging 5 van de aangevallen uitspraak is overwogen dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het besluit van 9 april 2008 wordt herroepen en de gevraagde bouwvergunning wordt geweigerd. In de beslissing van de aangevallen uitspraak is evenwel volstaan met vernietiging van het besluit van 24 maart 2009. Nu het college ingevolge deze beslissing nog een nieuw besluit op het bezwaarschrift zou moeten nemen, heeft [appellante] belang bij een oordeel over de juistheid van de aangevallen uitspraak.

2.2. In geschil is de bouw van trap, balustrade, alsmede een dakterras, bestaande uit stalen onderleggers en vlonders, op het platte dak van een bijgebouw op het perceel.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Havenkwartier" rust op het gedeelte van het perceel waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Kantoordoeleinden en Wonen, KW".

Ingevolge hoofdstuk 1, afdeling 1, paragraaf 3, artikel 10, van de planvoorschriften wordt onder bouwlaag verstaan: de begane grond of een verdieping van een gebouw, zolder, souterrain en kelder daarbij niet inbegrepen.

Ingevolge hoofdstuk 1, afdeling 2, artikel 8, van de planvoorschriften wordt de bovenste bouwlaag als verdieping aangemerkt wanneer ten minste 80% van het vloeroppervlak beloopbaar is.

Ingevolge hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 1, artikel 8, eerste lid, zijn de op de plankaart voor "Kantoordoeleinden en Wonen, KW" aangewezen gronden bestemd:

- voor zover het de begane grond aangaat: voor kantoorvestigingen met de daarbij behorende voorzieningen;

- voor zover het de verdieping(en) aangaat: voor de huisvesting van huishoudens van één of meer personen in woningen en voor woongebruik in ruime zin.

Ingevolge het tweede lid is het verboden de gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in lid 1 gegeven bestemming.

Ingevolge hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 2, deel 1, onderdeel 1, artikel 1, aanhef, mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de op plankaart 1 aangewezen en in paragraaf 1, deel 1, omschreven bestemmingen.

2.4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het platte dak waarop het terras is gerealiseerd kan worden aangemerkt als verdieping, niet heeft onderkend dat het daarin vervatte onderdeel niet overeenstemt met wat in het normale spraakgebruik onder een verdieping moet worden verstaan. Volgens [appellante] voorziet het bouwplan daarom niet in het realiseren van een bouwlaag en is het om die reden in strijd met het bestemmingsplan.

2.4.1. Hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 1, artikel 8, eerste lid, aanhef en tweede gedachtenstreepje van de planvoorschriften ziet op de bestemming van verdiepingen. Van het begrip verdieping is geen definitie gegeven.

In het normale spraakgebruik moet onder een verdieping de ruimte tussen twee vloeren worden verstaan. Omdat het platte dak van het bijgebouw op het perceel geen ruimte is die tussen twee vloeren is gelegen, kan dit niet worden aangemerkt als een verdieping als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 1, artikel 8, eerste lid, aanhef en tweede gedachtenstreepje van de planvoorschriften.

De voorzieningenrechter heeft bij de uitleg van de planvoorschiften belang gehecht aan hoofdstuk 1, afdeling 2, artikel 8, van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat de bovenste bouwlaag als verdieping wordt aangemerkt wanneer ten minste 80% van het vloeroppervlak beloopbaar is. Omdat het platte dak van het bijgebouw niet gezien kan worden als verdieping, noch als begane grond, kan het niet als bouwlaag worden aangemerkt als bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 1, paragraaf 3, artikel 10, van de planvoorschriften. Het kan om die reden ook niet als bovenste bouwlaag worden gezien als bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 2, artikel 8, van de planvoorschriften.

Het realiseren van een dakterras op het platte dak van het bijgebouw op het perceel is derhalve niet in overeenstemming met het bestemmingsplan, in samenhang gelezen met hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 2, deel 1, onderdeel 1, artikel 1, van de planvoorschriften.

Het betoog slaagt.

2.5. [appellante] betoogt dat aan de aangevallen uitspraak een gebrek kleeft, nu de voorzieningenrechter in de beslissing van de aangevallen uitspraak geen gevolg heeft gegeven aan de rechtsoverwegingen in die uitspraak door zelf in de zaak te voorzien. Anders dan in de overwegingen is aangekondigd heeft de voorzieningenrechter het besluit van 9 april 2008 niet herroepen en heeft niet bepaald dat de gevraagde bouwvergunning alsnog wordt geweigerd.

2.5.1. Het betoog is terecht voorgedragen maar kan er niet toe leiden dat de bouwvergunning zelfvoorziend wordt geweigerd. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 46, derde lid, van de Woningwet zoals deze gold ten tijde hier van belang, bepaalt echter dat indien een aanvraag om bouwvergunning een bouwplan betreft dat in strijd is met het bestemmingsplan, deze mede moet worden opgevat als een verzoek om vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het college zal derhalve alsnog op dit verzoek moeten beschikken.

Nu na de vernietiging van het besluit op bezwaar niet nog slechts één besluit kan worden genomen, kan in de uitspaak niet worden beslist dat de bouwvergunning alsnog moet worden geweigerd.

2.6. De aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van het college van 24 maart 2009. De uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 juli 2009 in zaken nrs. 09/1744 en 09/1539, voor zover daarbij is bepaald dat voornoemde uitspraak in de plaats treedt van het besluit van het college van 24 maart 2009, kenmerk SO/JUR 6459;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 677,75 (zegge: zeshonderdzevenenzeventig euro en vijfenzeventig cent), waarvan € 644,00 (zegge zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [appellante] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

17-627.