Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200905248/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Molenstraat-Hoefijzersteeg (Bousquet)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905248/1/R1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

de raad van de gemeente Delft,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Molenstraat-Hoefijzersteeg (Bousquet)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, en [appellanten sub 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 2] heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2] en [appellanten sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2010, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.J.T. van Rees, mr. K. de Boer en G.J. van der Harst, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van [appellanten sub 1] is tevens ingediend door [partij]. Het beroep van [partij] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[partij] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellanten sub 1], voor zover ingesteld door [partij], is niet-ontvankelijk.

2.2. Het bestemmingsplan maakt de herontwikkeling naar woningbouw mogelijk van het gebied tussen de Molenstraat, de Hoefijzersteeg, de Verwersdijk en de Voorstraat te Delft, waarop de oude zeepfabriek "Bousquet" is gelegen.

2.3. [appellanten sub 1] betogen dat de bestaande verbreding ter hoogte van de poort in de muur langs de Hoefijzersteeg gehandhaafd moet worden, evenals de poort in deze muur. Zij voeren aan dat de verbreding en de poort van cultuurhistorische betekenis zijn voor de stad en dat de Hoefijzersteeg zonder deze verbreding en poort nauwer en donkerder zal worden. Tevens voeren zij aan dat de verbreding het enige speelplekje is voor de kinderen in de buurt.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat met het recht trekken van de muur en het verwijderen van de poort van een onaanvaardbare inbreuk op de cultuurhistorische waarde geen sprake is. In vroeger tijden is er wel een poort geweest in de Hoefijzersteeg, te weten de "Dove Claespoort", maar deze had een ander karakter dan de poort in de muur langs het plangebied.

2.5. In de Hoefijzersteeg bevindt zich langs het plangebied een muur, met daarin ter plaatse van een inham van ongeveer een halve meter diep een poort. Volgens het deskundigenbericht is de muur geen beschermd object en zal het rechttrekken van de muur geen aantasting vormen van de cultuurhistorische waarde van het beschermde stadsgezicht. Voorts is de muur 2,10 meter hoog en de poort ongeveer drie meter breed en voorzien van deuren, zodat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vermindering van de lichtval in de Hoefijzersteeg door het verdwijnen van de poort niet groot zal zijn. Wat betreft het verlies aan speelgelegenheid neemt de Afdeling in aanmerking dat het hier een zeer klein oppervlak betreft en voorts dat deze gronden geen planologisch bestemde speelvoorziening zijn en ook niet als zodanig zijn ingericht. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de verbreding en de poort in de muur langs de Hoefijzersteeg niet in het bestemmingsplan op te nemen. Overigens is ter zitting gebleken dat de muur inmiddels is gesloopt.

2.6. [appellanten sub 1] betogen dat er geen plaats is voor een nieuwbouwwoning naast het pand op [locatie 1], omdat dit pand een gemeentelijk monument is. Voorts zal de nieuwbouwwoning een onaanvaardbare inbreuk maken op het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 1], wat betreft lichttoevoer en privacy en past deze woning niet in de stedenbouwkundige structuur van de Hoefijzersteeg.

2.7. De raad stelt zich op het standpunt dat naast het huis op [locatie 1] in het verleden een huis heeft gestaan dat gesloopt is. Voorts voert de raad aan dat de nieuwbouwwoning ook qua maat en schaal past in het binnenstedelijk woonmilieu van de Hoefijzersteeg, dat gekenmerkt wordt door gevarieerde bebouwing uit verschillende tijden. Ook is de afstand van de nieuwbouwwoning ten opzichte van de andere woningen niet anders dan elders in de Hoefijzersteeg.

2.8. Uit het deskundigenbericht volgt dat het bouwen van een woning van grotendeels twee en deels drie bouwlagen de cultuurhistorische waarde van het huis op [locatie 1] niet aan hoeft te tasten. De cultuurhistorische waarde van [locatie 1] is vooral gelegen in de verschijningsvorm van de woning in combinatie met de naastgelegen woningen en voorts is in het verleden ook al tegen dit huis aangebouwd. Voorts is het volgens het deskundigenbericht in dit gedeelte van de historische binnenstad van Delft niet ongebruikelijk dat woningen op een zeer korte afstand van elkaar staan. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nieuwe woning past in de structuur van de Hoefijzersteeg.

2.9. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de negatieve invloed op de privacy van omwonenden door de nieuwbouwwoning niet zeer groot zal zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de nieuwbouwwoning niet gericht is op de bestaande woningen aan de Hoefijzersteeg en dat de woningen aan de Hoefijzersteeg voornamelijk op de achtertuin zijn gericht. Hierbij is van belang dat het een binnenstedelijk milieu betreft waarbinnen woningen dichter op elkaar staan en het in een dergelijke omgeving niet ongebruikelijk is dat men door onbedekte ramen naar binnen kan kijken.

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat de raad geen onderzoek heeft gedaan naar de gebruikscapaciteit van de Hoefijzersteeg en de gevolgen die het bestemmingsplan op het gebruik van de Hoefijzersteeg zal hebben, terwijl de gebruikscapaciteit van de Hoefijzersteeg al maximaal wordt benut.

2.11. De raad stelt zich op het standpunt dat hij de inpasbaarheid van het bestemmingsplan zorgvuldig heeft onderzocht en naar aanleiding daarvan geen reden heeft gezien waarom het bestemmingsplan niet inpasbaar zou zijn. Voort stelt de raad dat er wel degelijk maatregelen zijn genomen om het gebruik van de Hoefijzersteeg te beperken, met name door de ontsluiting door middel van de onderdoorgang ter plaatse van [locatie 2].

2.12. Ter plaatse van het plangebied is bedoeld tien woningen te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet ten behoeve daarvan in een ontsluiting voor auto's, fietsers en voetgangers via een onderdoorgang ter plaatse van [locatie 2]. In de muur aan de Hoefijzersteeg zal ter ontsluiting van het plangebied voor voetgangers en fietsers een deur gerealiseerd worden. De Hoefijzersteeg is een voetgangersgebied dat verder alleen toegankelijk is voor bestemmingsverkeer. De raad heeft aangegeven dat verkeersmaatregelen genomen kunnen worden indien er overlast optreedt.

Volgens het deskundigenbericht is geen grote toename van het gebruik van de Hoefijzersteeg te verwachten. Het bestemmingsplan heeft een beperkte omvang en de ontsluiting van het gebied loopt voor autoverkeer via de onderdoorgang van [locatie 2]. Autoverkeer van en naar het plangebied vormt op deze wijze geen bestemmingsverkeer voor de Hoefijzersteeg. Het beoogde gebruik door fietsers en voetgangers van de Hoefijzersteeg zal tevens niet tot aanzienlijke overlast voor [appellant sub 2] leiden, aldus het deskundigenbericht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de gebruikscapaciteit van de Hoefijzersteeg. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er vanwege het plan geen ernstige overlast in de Hoefijzersteeg zal ontstaan, en dat er maatregelen, zoals verkeersmaatregelen, kunnen worden getroffen indien er in de praktijk toch problemen ontstaan. Deze uitvoeringsmaatregelen kunnen geen deel uitmaken van het bestemmingsplan en kunnen in deze procedure daarom ook niet aan de orde komen.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1], voor zover ingesteld door [partij], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] voor zover ontvankelijk en van [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

410-655.