Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200904796/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college aan [wederpartijen]

€ 5.000,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/544
OGR-Updates.nl 10-109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904796/1/H2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 juni 2009 in zaak nr. 08/4260 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college aan [wederpartijen]

€ 5.000,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 augustus 2009, bij de rechtbank ingekomen op dezelfde dag, hebben [wederpartijen] beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Bij brief van 7 september 2009 heeft de rechtbank het beroep ter verdere behandeling naar de Raad van State gezonden.

[wederpartijen] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2009, waar het college, vertegenwoordigd door A. Zweerus, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartijen] in persoon, bijgestaan door P.A. van de Ven, werkzaam bij P.A. van de Ven Dienstverlening Sociale Zekerheid, zijn verschenen.

Bij brief van 15 december 2009 heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat het onderzoek in de zaak is heropend.

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan [wederpartijen] € 5.000,00 ter vergoeding van planschade, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend.

Bij brief van 9 februari 2010, bij de rechtbank ingekomen op 10 februari 2010, hebben [wederpartijen] tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij brief van 17 februari 2010 heeft de rechtbank dit beroep ter verdere behandeling naar de Raad van State doorgezonden.

De nadere behandeling van de zaak ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2010, waar [wederpartijen], vertegenwoordigd door P.A. van de Ven, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit gold ten tijde hier van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering.

2.2. [wederpartijen], eigenaren van het perceel met woonhuis aan de [locatie] te [plaats], hebben verzocht om vergoeding van de waardevermindering van hun woning ten gevolge van de inwerkingtreding op 13 november 2003 van het bestemmingsplan "Gemeentewerf en omgeving". Dit plan kent aan de gronden ten oosten van het perceel de bestemmingen "Verblijfsdoeleinden" en "Woondoeleinden-W-" toe. Dit plan voorziet onder meer in de realisatie van een doorgaande weg tegenover hun woning, op ongeveer 13 m afstand, en 29 woningen op verder naar het oosten gelegen gronden.

2.2.1. Voorheen gold ter plaatse het op 23 juni 1978 door de gemeenteraad van Kerkdriel vastgestelde bestemmingsplan "Kerkdriel Dorp", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Gelderland op 21 januari 1980, dat aan deze gronden de bestemmingen "Agrarisch gebied" en "Weg" toekende.

2.2.2. Het college heeft aan het besluit van 22 juli 2008 rapporten van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van april 2008 en 16 juni 2008 ten grondslag gelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat [wederpartijen] door de planologische wijzigingen in een beperkt nadeliger situatie zijn komen te verkeren. Door de nieuwe doorgaande straat tegenover hun woning, die een verkeersfunctie heeft voor het woongebied in het noordoosten van de bebouwde kom van Kerkdriel, ontstaat na zonsondergang lichthinder als gevolg van verlichting van auto's en motoren die vanuit de nieuwe Oud Munsterstraat de Julianastraat inrijden. Van een relevante toename van verkeer- en geluidhinder is, gelet op de onder het oude planologische regime mogelijke verkeersintensiteit, waarbij het verkeer al vanuit het noordoostelijke deel van de bebouwde kom van Kerkdriel de Julianastraat kon inrijden, geen sprake. De planologische wijziging betekent geen extra aantasting van de privacy, gelet op de situering van de woning aan de Julianastraat. De ligging van de woning is, gelet op de hinder die onder het oude planologische regime kon worden ondervonden van een agrarisch bedrijf, slechts in zeer beperkte mate aangetast. Volgens het college bedraagt de waarde van de woning vóór de planologische wijzigingen op peildatum 13 november 2003 € 240.000,00 en op die peildatum na de planologische wijzigingen € 235.000,00, zodat de door [wederpartijen] geleden planschade € 5.000,00 bedraagt. Het college stelt dat aan de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) vastgestelde waarden van de woning bij de bepaling van de planschade geen betekenis toekomt.

2.2.3. De rechtbank heeft dit besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd omdat zij het verschil tussen de in het kader van de planschade getaxeerde waarden en de in het kader van de WOZ vastgestelde waarden van de woning, niet zonder meer begrijpelijk acht.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de WOZ-waarde van een woning gebaseerd is op de feitelijke situatie waarbij, anders dan bij de taxatie van een woning in het kader van planschade, geen rekening wordt gehouden met de maximale mogelijkheden van het planologische regime. Bovendien voert het college aan dat [wederpartijen] niet met een rapport van een deskundige aannemelijk hebben gemaakt dat de door de SAOZ getaxeerde waarden onjuist zijn.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2004 in zaak nr. 200403890/1), kan de WOZ-waarde van een woning van belang zijn voor de bepaling van de omvang van de te vergoeden schade, indien een bestemmingsplan of een andere in artikel 49 van de WRO vermelde planologische maatregel tot een planologische verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime. Bij het bepalen van de WOZ-waarde wordt niet, zoals bij de planvergelijking, gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime, maar is vooral de feitelijke situatie bepalend. In het thans voorliggende geval is sprake van een planologische verslechtering als hiervoor bedoeld.

De WOZ-waarde van de woning van [wederpartijen] is vastgesteld op € 338.000,00 per 1 januari 2003 en op € 291.000,00 per 1 januari 2005. Deze waarden wijken aanzienlijk af van de in het kader van de planschade getaxeerde waarden van het perceel op peildatum 13 november 2003 op € 240.000,00 vóór de planologische wijzigingen en op € 235.000,00 direct daarna. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat, nu sprake is van een zeer aanzienlijk verschil tussen de in het kader van de planschade en de in het kader van de WOZ vastgestelde waardebepalingen en van een korte periode tussen de waarderingstijdstippen, het op de weg van het college had gelegen om het besluit op dit punt van een nadere motivering te voorzien. Dat [wederpartijen] de juistheid van de door de SAOZ getaxeerde waarden niet met een rapport van een deskundige hebben bestreden, doet aan dit motiveringsgebrek niet af.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college, eerst op verzoek van de Afdeling gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, moet het beroep van [wederpartijen] van 17 augustus 2009 tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 januari 2010.

2.6. Er is niet gebleken dat [wederpartijen] nog belang hebben bij de beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, nu het college inmiddels een nieuw inhoudelijk besluit heeft genomen en de Afdeling dat hierna zal beoordelen. Voor zover het belang is gelegen in proceskosten, zal de Afdeling met dat belang rekening houden bij de vaststelling daarvan.

Het beroep is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.7. [wederpartijen] hebben in beroep aangevoerd dat het college het verschil tussen de op € 338.000,00 vastgestelde WOZ-waarde per 1 januari 2003 en de in het kader van de planschade op € 240.000,00 getaxeerde waarde van de woning vóór de planologische wijzigingen op peildatum 13 november 2003, onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.7.1. Het college heeft het advies van de SAOZ van april 2008 ook aan het besluit van 26 januari 2010 ten grondslag gelegd. Volgens het college kan het verschil tussen de in het kader van de planschade en de in het kader van de WOZ vastgestelde waardebepalingen verklaard worden door de verschillende grondslagen van de onderscheiden taxaties. Bij de bepaling van een WOZ-waarde wordt volgens het college uitgegaan van de bestaande situatie gerelateerd aan de marktwaarde van referentiepanden in de omgeving, terwijl bij de planschadetaxatie wordt uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het planologische regime. Bij de bepaling van de planschadetaxatie is onder meer rekening gehouden met de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden ten oosten van het perceel die onder het oude planologische regime de bestemmingen "Agrarisch gebied" en "Weg" hadden. Op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" konden binnen het aangegeven bebouwingsvlak, dat op een afstand van 28 m van de woning lag, agrarische bedrijfsgebouwen met een maximale hoogte van 11 m, twee dienstwoningen met een goothoogte van 6,60 m en met een onbepaalde nokhoogte, hooitorens en silo's worden opgericht. Buiten het bebouwingsvlak mochten bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van 2,20 m worden opgericht. Op gronden met de bestemming "Weg" kon een voet- of fietspad met een breedte van 2,50 m worden gerealiseerd. Bij het bepalen van de WOZ-waarde is daarentegen uitgegaan van een woning zonder belemmerende objecten in de omgeving, omdat er op dat moment nauwelijks agrarische activiteiten werden verricht en evenmin een straat aanwezig was, aldus het college.

Anders dan [wederpartijen] betogen, heeft het college aldus het verschil tussen de in het kader van de planschade en de in het kader van de WOZ vastgestelde waardebepalingen voldoende gemotiveerd.

Het betoog faalt.

2.8. [wederpartijen] hebben voorts aangevoerd dat het college bij de vaststelling van de planschade ten onrechte voorbij is gegaan aan de door hen ondervonden hinder van verkeer.

2.8.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college de door [wederpartijen] aangevoerde aspecten van hinder van verkeer en geluid en aantasting van de privacy bij de planschadevergoeding heeft betrokken en dat deze aspecten zich oplossen in lichthinder, zodat hetgeen zij met betrekking tot deze aspecten hebben aangevoerd geen doel treft, aldus de rechtbank. Daartegen hebben [wederpartijen] geen hoger beroep ingesteld. Het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden moet worden uitgegaan, behoudens bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is evenwel niet gebleken.

Het betoog faalt.

2.9. [wederpartijen] betogen voorts dat het college bij het nemen van het besluit van 26 januari 2010 de hoorplicht heeft geschonden.

2.9.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

2.9.2. De in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb opgenomen hoorplicht vormt onderdeel van de bezwaarprocedure. Aan deze hoorplicht is voldaan, nu vaststaat dat De Laat voorafgaand aan het besluit op bezwaar van 22 juli 2008 in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. In artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak, waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Op grond van artikel 7:9 van de Awb kan een plicht om een belanghebbende opnieuw te horen wel ontstaan indien het bestuursorgaan zich bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar baseert op feiten en omstandigheden die na het eerste horen naar aanleiding van het bezwaar bekend zijn geworden en die voor het te nemen besluit van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Nu hiervan in het onderhavige geval geen sprake is geweest, faalt het betoog.

2.10. [wederpartijen] voeren verder aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten om een besluit te nemen op hun verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken.

2.10.1. [wederpartijen] hebben bij brief van 8 september 2009, derhalve voordat het college opnieuw op het bezwaar heeft beslist, verzocht om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 26 januari 2010 niet beslist op het verzoek, zodat het besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

Het betoog slaagt.

2.11. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 26 januari 2010 dient te worden vernietigd voor zover het college in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb niet heeft beslist op het verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.12. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien. Het college heeft in het besluit van 26 januari 2010 het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen voor zover het een gedeelte van de motivering betreft, maar het dictum van het besluit van 22 april 2008 in stand gelaten. Het primaire besluit is derhalve niet herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid. Voor het veroordelen van het college in de proceskosten die [wederpartijen] in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken bestaat daarom geen aanleiding. Het verzoek zal worden afgewezen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.13. Het college dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten die door [wederpartijen] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep zijn gemaakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat de gemachtigde van [wederpartijen] eerst na de aangevallen uitspraak rechtsbijstand aan hen heeft verleend.

2.14. Voor het opleggen door de Afdeling van een dwangsom voor elke dag dat de gemeente weigert gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank, voor zover het college daarbij is veroordeeld tot vergoeding van de door hun gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht, vermeerderd met wettelijke rente over het te vergoeden griffierecht, zoals [wederpartijen] nog hebben verzocht, biedt de wet geen grondslag.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het door [wederpartijen] ingestelde beroep tegen het besluit van 26 januari 2010 gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 26 januari 2010, kenmerk 357000, voor zover niet is beslist op het verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken;

IV. wijst dit verzoek af;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. verklaart het ingestelde beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel tot vergoeding van bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.723,33 (zegge: zeventienhonderddrieëntwintig euro en drieëndertig cent), waarvan € 1.368,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel aan [wederpartijen] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

IX. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

344.