Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200908249/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 29 mei 2008 heeft het Participatiefonds de verzoeken van Marenland om vergoeding van de uitkeringskosten die, voor zover thans van belang, voortvloeien uit het ontslag van negen leerkrachten buiten behandeling gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908249/1/H2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Openbaar Primair Onderwijs Marenland, gevestigd te Assen,

appellante,

en

de stichting Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 29 mei 2008 heeft het Participatiefonds de verzoeken van Marenland om vergoeding van de uitkeringskosten die, voor zover thans van belang, voortvloeien uit het ontslag van negen leerkrachten buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 17 september 2009 heeft het Participatiefonds de door Marenland hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Marenland bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2009, beroep ingesteld.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Partijen hebben de Afdeling desgevraagd toestemming gegeven de zaak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht zonder behandeling ter zitting af te doen. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 138, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO), worden op de bekostiging eveneens in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

Ingevolge artikel 184, eerste lid, is het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet ten behoeve van gewezen personeel.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst als bedoeld in artikel 138, derde lid.

2.2. Het Participatiefonds is de in artikel 184, eerste en vierde lid, van de WPO bedoelde rechtspersoon. Het heeft voor het schooljaar 2004-2005 het "Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2004-2005" (hierna: het Reglement 2004-2005) vastgesteld. Het Reglement 2004-2005 heeft betrekking op alle ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2004.

Het Participatiefonds heeft voor het schooljaar 2005-2006 het "Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2005-2006" (hierna: het Reglement 2005-2006) vastgesteld. Het Reglement 2005-2006 heeft betrekking op alle ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2005.

Ingevolge artikel 3.1 van het Reglement 2004-2005 worden de kosten van werkloosheidsuitkeringen en de suppletieregeling conform artikel 138, derde lid, van de WPO door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in mindering gebracht op de door het bevoegd gezag verkregen vergoeding van de uitgaven voor het personeel, tenzij het Participatiefonds instemt met het verzoek de uitkeringskosten ten laste van dit fonds te laten komen. Dit vergoedingsverzoek wordt aan de hand van een door het bevoegd gezag ingediende melding beoordeeld.

Ingevolge artikel 3.2 wordt van elke uitkeringsaanvraag welke het gevolg is van een ontslag per of na 1 augustus 2004 bij de Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds melding gedaan. Omdat het bevoegd gezag er belang bij heeft het resultaat van de instroomtoets te kennen voordat het ontslag geëffectueerd wordt, is het wenselijk dat deze melding in een zo vroeg mogelijk stadium gedaan wordt. De melding wordt in ieder geval gedaan binnen twee weken nadat de uitkeringsaanvraag op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel dan wel de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke regeling, door het bevoegd gezag is ondertekend. De beoordeling van het vergoedingsverzoek geschiedt door middel van een toetsing van deze melding.

Ingevolge artikel 3.3 rappelleert het Participatiefonds het bevoegd gezag éénmaal, indien de melding hem niet heeft bereikt. Dit rappel geschiedt op basis van een periodieke vergelijking van de bij UWV aangevraagde uitkeringen en de bij het Participatiefonds gemelde ontslagen.

Ingevolge artikel 3.3.1, voor zover thans van belang, kan, indien de melding niet binnen zes weken na het rappel van het Participatiefonds wordt ontvangen, er geen vergoedingsverzoek meer worden ingediend. Deze termijn van zes weken is een fatale termijn. Indien de melding buiten deze termijn wordt ontvangen, wordt deze niet in behandeling genomen en blijven de uitkeringskosten welke voortvloeien uit het ontslag op basis van artikel 138, derde lid, van de WPO voor rekening van het bevoegd gezag. De derde volzin is niet van toepassing indien de termijnoverschrijding niet aan het bevoegd gezag is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 3.1 van het Reglement 2005-2006 worden de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, conform artikel 138, derde lid van de WPO door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in mindering gebracht op de door het bevoegd gezag verkregen vergoeding van de uitgaven voor het personeel, tenzij het Participatiefonds instemt met het verzoek de uitkeringskosten ten laste van dit fonds te laten komen. Dit vergoedingsverzoek wordt aan de hand van een door het bevoegd gezag ingediende melding beoordeeld.

Ingevolge artikel 3.2 wordt van elk ontslag per of na 1 augustus 2005 bij de Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds melding gedaan. De melding wordt in ieder geval gedaan binnen 4 weken na de datum van beëindiging van het dienstverband. De beoordeling van het vergoedingsverzoek geschiedt door middel van een toetsing van deze melding.

Ingevolge artikel 3.3 rappelleert het Participatiefonds het bevoegd gezag éénmaal, indien de melding hem niet heeft bereikt. Dit rappel geschiedt op basis van een periodieke vergelijking van de bij UWV aangevraagde uitkeringen en de bij het Participatiefonds gemelde ontslagen.

Ingevolge artikel 3.3.1 kan er geen verzoek meer worden ingediend, als de melding niet binnen zes weken na het rappel door het Participatiefonds wordt ontvangen. Deze termijn van zes weken is een fatale termijn. Indien de melding buiten deze termijn wordt ontvangen, wordt deze niet in behandeling genomen en blijven de uitkeringskosten welke voortvloeien uit het ontslag op basis van artikel 138, derde lid van de WPO dus voor rekening van het bevoegd gezag. De derde volzin en de gestelde termijn zijn eveneens van toepassing indien het gaat om het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere aanstelling vooraf is gegaan. De derde volzin is niet van toepassing indien de termijnoverschrijding niet aan het bevoegd gezag is toe te rekenen.

2.3. Wegens het uitblijven van een melding door Marenland naar aanleiding van de ontslagen van negen personeelsleden, heeft het Participatiefonds Marenland bij brieven van 3 april 2008 gerappelleerd. Marenland heeft de ontslagen vervolgens op 19 mei 2008 gemeld. Het Participatiefonds heeft de verzoeken niet in behandeling genomen op de grond dat de meldingen zijn gedaan na het verstrijken van de reactietermijn en Marenland geen redenen heeft aangevoerd die tot verschoonbaarheid van de overschrijding van de termijn leiden.

2.4. Marenland betoogt dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van de vergoedingsverzoeken verschoonbaar moet worden geacht. Daartoe voert Marenland aan dat haar stichting op 1 januari 2006 is ontstaan uit de samenvoeging en verzelfstandiging van het openbaar onderwijs uit vijf gemeenten. Daar de werknemers allen bij de rechtsvoorgangers zijn ontslagen, was enige tijd nodig om de juiste gegevens voor de instroomtoets te verzamelen. Door slechte archivering bij haar rechtsvoorgangers is het niet gelukt binnen de termijn melding te doen van de ontslagen.

2.4.1. Dit betoog faalt. Marenland is de rechtsopvolgster van het bevoegd gezag dat de betrokken medewerkers heeft ontslagen. Ingevolge artikel 49, vierde lid, van de WPO treedt de verkrijgende rechtspersoon door bestuursoverdracht in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist. Hiertoe behoren ook de uit het ontslag van de betrokken medewerkers voortvloeiende rechten en verplichtingen. Op het moment van treden in deze rechten en verplichtingen van haar rechtsvoorgangers, is Marenland verantwoordelijk voor de administratie van de betrokken medewerkers, teneinde deze rechten te kunnen uitoefenen en aan die verplichtingen te kunnen voldoen. De slechte administratie van haar rechtsvoorgangers komt daarmee voor haar risico. Gelet hierop, heeft het Participatiefonds de overschrijding van de termijn op die grond terecht niet verschoonbaar geacht. Dat de termijn met slechts enkele dagen is overschreden maakt dat niet anders.

2.5. Marenland betoogt voorts dat het besluit op bezwaar in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat het besluit op bezwaar direct grote financiële gevolgen voor haar heeft, waardoor een ernstige aantasting van de bedrijfsvoering zal plaatsvinden die ook de reguliere onderwijsactiviteiten zal raken. Marenland voert aan dat deze nadelige gevolgen onevenredig zijn in verhouding met de geconstateerde overschrijding van de termijn. Het Participatiefonds heeft volgens haar bij het besluit op bezwaar met deze nadelige gevolgen onvoldoende rekening gehouden.

2.5.1. Het betoog faalt. De artikelen 3.3.1 van het Reglement 2004-2005 en van het Reglement 2005-2006, moeten gelet op het bepaalde in artikel 184, vierde lid, van de WPO worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften. Gelet op het dwingende karakter van het daarin bepaalde, is bij de toepassing ervan geen plaats voor een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), waarin de nadelige gevolgen worden meegewogen. De aangevoerde nadelige gevolgen heeft het Participatiefonds dan ook terecht niet meegewogen in haar besluit op bezwaar. Evenmin is er om die reden strijd met het evenredigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid van de Awb. Nu het Participatiefonds de nadelige gevolgen terecht niet heeft meegewogen bij het besluit op bezwaar is het Participatiefonds voorts op dat punt dan ook niet tekortgeschoten in de zorgvuldige voorbereiding van het besluit op bezwaar, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het Participatiefonds heeft de verzoeken van Marenland om vergoeding van de uitkeringskosten voortvloeiende uit de ontslagen van de betrokken leerkrachten terecht buiten behandeling gelaten.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

47-658.