Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200908996/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet ammoniak en veehouderij
Wet ammoniak en veehouderij 3
Wet ammoniak en veehouderij 4
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/2204
JOM 2011/386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908996/1/M2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Cultuurbehoud Notter-Zuna, gevestigd te Notter, gemeente Wierden,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de Stichting Cultuurbehoud bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Cultuurbehoud heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010, waar de Stichting Cultuurbehoud, vertegenwoordigd door J.E.A. Nollen en Th.F.M. Reichert, en het college, vertegenwoordigd door A. ter Avest, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college stelt dat de Stichting Cultuurbehoud niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Het college is van mening dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2. Een rechtspersoon wordt als belanghebbende aangemerkt als cumulatief aan de eisen van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt voldaan. De desbetreffende belangen moeten zowel tot haar doelstellingen als tot haar feitelijke werkzaamheden behoren.

Op grond van de statuten van de Stichting Cultuurbehoud richt zij zich, voor zover hier van belang, op het beschermen van landschaps- en natuurwaarden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de statuten, waarbij haar werkgebied Notter en Zuna en omstreken bestrijkt.

Vorenbedoelde doelstelling omschrijft voldoende welbepaald de algemene belangen die door de Stichting Cultuurbehoud in het bijzonder worden behartigd. Ook uit feitelijke werkzaamheden, zoals deze ter zitting nader zijn uiteengezet, blijkt deze belangenbehartiging. Deze belangen worden voorts rechtstreeks door het bestreden besluit geraakt. De Stichting Cultuurbehoud moet daarom worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. De Stichting Cultuurbehoud voert aan dat er in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat het op korte afstand van de inrichting gelegen gebied De Grimberg sinds 1 juli 2009 deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur. Het is volgens de Stichting Cultuurbehoud niet uitgesloten dat binnen de gewijzigde ecologische hoofdstructuur nieuwe zeer kwetsbare gebieden worden aangewezen. Indien het gebied De Grimberg als zeer kwetsbaar gebied wordt aangemerkt, zal de inrichting in strijd met de Wet ammoniak en veehouderij binnen 250 meter van een dergelijk gebied komen te liggen, aldus de Stichting Cultuurbehoud.

2.2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge artikel 4 van de Wet ammoniak en veehouderij wordt een vergunning voor het oprichten van een veehouderij geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

2.2.2. Gebleken is dat het gebied De Grimberg ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet was aangewezen als zeer kwetsbaar gebied. Voor zover de Stichting Cultuurbehoud betoogt dat dit ten onrechte niet is gebeurd, heeft dit betoog geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan dit betoog om die reden niet slagen. Nu de inrichting ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet was gelegen in een zeer kwetsbaar gebied of een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, bestond er voor het college geen mogelijkheid om de vergunning op grond van artikel 4 van de Wet ammoniak en veehouderij te weigeren. De Wet ammoniak en veehouderij, die in zoverre het exclusieve kader biedt voor de beoordeling van de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven, biedt niet de mogelijkheid om bij de toepassing van artikel 4 rekening te houden met een eventuele toekomstige aanwijzing van het gebied De Grimberg als zeer kwetsbaar gebied. Voor zover de Stichting Cultuurbehoud aanvoert dat het college de beslissing op de aanvraag om vergunning had moeten aanhouden in afwachting van de eventuele aanwijzing van het gebied De Grimberg, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel het college daartoe verplichtte. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. De Stichting Cultuurbehoud voert aan dat bij bepaalde windrichtingen regelmatig sprake zal zijn van uitwisseling van stallucht tussen de inrichting en een varkenshouderij op ongeveer 150 meter afstand, hetgeen volgens haar leidt tot onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid in verband met de mogelijke verspreiding van besmettelijke ziekten.

2.3.1. Gevaar voor de volksgezondheid in verband met de mogelijke verspreiding van besmettelijke ziekten betreft een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van de beslissing over verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets.

De Stichting Cultuurbehoud heeft met haar stelling dat bij bepaalde windrichtingen sprake zal zijn van uitwisseling van de stallucht van de inrichting en de betrokken varkenshouderij niet aannemelijk gemaakt dat het in werking zijn van de inrichting zodanige risico's voor de volksgezondheid kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden, dan wel de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

462-645.