Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200909722/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 10-108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909722/1/H2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 november 2009 in zaak

nr. 09/552 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2009, verzonden op 5 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2010, waar [appellant], bijgestaan door J.L. Roos en vergezeld van mr. H.J.C.M. Oldenkotte, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Ketelaars, werkzaam bij de gemeente Waalwijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 juli 2008 luidde, kent het college een belanghebbende op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.1.1. Bij de beoordeling van een aanvraag om vergoeding van planschade dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.2. [appellant] is sinds 1994 eigenaar van het appartement aan de [locatie] in [plaats]. Hij heeft bij het college een aanvraag ingediend voor vergoeding van de door hem geleden schade ten gevolge van het besluit van het college van 29 januari 2007. Bij dit besluit is krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan 'Uitbreidingsplan in hoofdzaak en onderdelen 1951' (hierna: het bestemmingsplan) verleend voor het bouwen van 67 appartementen en commerciële ruimtes op het perceel St. Jansplein 4 tot en met 146 (even) in Waalwijk (hierna: het perceel).

2.2.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel gedeeltelijk de bestemming "Openbaar of bijzonder gebouw".

Ingevolge artikel 17 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan wordt onder "Openbaar of bijzonder gebouw" verstaan gebouwen bestemd voor doeleinden van openbaar nut of andere gebouwen met een monumentaal karakter, niet in hoofdzaak voor bewoning bestemd zijnde, zoals kerken, scholen, kantoorgebouwen, hotels, inrichtingen van vermaak, ziekenhuizen, enz.

2.2.2. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag heeft het college, in navolging van een advies van de commissie bezwaarschriften en het advies van Adviesgroep Langhout & Wiarda Juristen van 13 februari 2008, aangevuld op 3 september 2008, ten grondslag gelegd dat [appellant] door de planologische wijziging niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in het door het college overgenomen advies van Langhout & Wiarda de maximale mogelijkheden onder het oude planologische regime niet objectief zijn vastgesteld doordat een willekeurige keuze is gemaakt uit de bij de bestemming genoemde doeleinden. Hij voert aan dat deze doeleinden in de planologische vergelijking onderling niet uitwisselbaar zijn aangezien slechts één ervan op het onderhavige terrein kan worden gerealiseerd en de doeleinden bij een maximale realisatie elk hun eigen specifieke effecten hebben op de omgeving ter zake van privacy, geluidsoverlast en geurhinder. De doeleinden dienen volgens [appellant] bij de vaststelling van de maximale mogelijkheden onder het oude planologische regime dan ook buiten beschouwing te worden gelaten. Volgens hem is hierbij slechts van belang het monumentale karakter en het niet in hoofdzaak voor bewoning bestemd zijn. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het advies van Langhout & Wiarda aan de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van planschade ten grondslag heeft mogen leggen.

2.3.1. Het betoog faalt. Ingevolge artikel 17 van de voorschriften bij het bestemmingsplan zijn de gronden waarop de bestemming "Openbaar of bijzonder gebouw" rust, bestemd voor gebouwen met doeleinden van openbaar nut of andere gebouwen met een monumentaal karakter die in hoofdzaak niet bestemd zijn voor bewoning. Voorts is in deze bepaling een aantal voorbeelden van doeleinden van andere gebouwen genoemd waarmee een nadere invulling is gegeven aan wat moet worden verstaan onder andere gebouwen. Deze voorbeelden zijn van belang voor de bepaling van hetgeen maximaal mogelijk is onder het oude planologische regime en kunnen daarbij niet buiten beschouwing worden gelaten. Dat die voorbeelden ieder eigen specifieke effecten op de omgeving hebben, leidt niet tot een andere conclusie aangezien zij tezamen een beeld geven van het soort gebouw dat ter plaatse is toegestaan. De voorbeelden sluiten elkaar niet uit en kunnen in combinatie voorkomen. Gelet op het voorgaande zijn in het advies van Langhout & Wiarda de in artikel 17 genoemde doeleinden terecht betrokken bij de planologische vergelijking en is er geen aanleiding om te concluderen dat dit advies met betrekking tot de gestelde aantasting van privacy en geluidsoverlast niet objectief is. In de in het advies opgenomen "Vergelijking bebouwings- en gebruiksmogelijkheden" is ook de met de vrijstelling mogelijk gemaakte realisatie van enkele commerciële ruimtes op de begane grond in aanmerking genomen.

Ter zitting is namens het college medegedeeld dat op een gedeelte van het in geding zijnde perceel geen bestemming rust en dat de Bouwverordening voor dat gedeelte aanvullende werking heeft. Dit is in het advies van Langhout & Wiarda niet onderkend. Niet is gebleken dat deze omissie afbreuk doet aan de conclusies van het advies. De rechtbank heeft dan ook, mede gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, terecht overwogen dat het college dit advies aan de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van planschade ten grondslag heeft mogen leggen.

2.4. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank gelet op haar overweging dat in het advies van Langhout & Wiarda de geluidsoverlast ten gevolge van de mogelijkheden onder het oude planologische regime slechts summier is gemotiveerd, had moeten concluderen dat het college dit advies terzijde had moeten schuiven. In de beknoptheid van de motivering van het advies ten aanzien van het aspect geluidsoverlast heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien te overwegen dat het college dit advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

85-609.