Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200809115/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2008, kenmerk 2008-54921, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Purmerend (hierna: de raad) bij besluit van 3 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvenpark Baanstee-Noord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/3283 met annotatie van mr. F. Arents
OGR-Updates.nl 10-103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809115/1/R1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de stichting Stichting Baanstee Noord NEE!, gevestigd te Kwadijk, gemeente Zeevang, en anderen,

3. de raad van de gemeente Purmerend,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008, kenmerk 2008-54921, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Purmerend (hierna: de raad) bij besluit van 3 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvenpark Baanstee-Noord".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2008, de stichting Stichting Baanstee Noord NEE! en anderen (hierna: de stichting en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2008, en de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, beroep ingesteld heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 14 januari 2009. De raad heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, de stichting en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.R. van Tilborg, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, de stichting en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Amsterdam, de raad, vertegenwoordigd door F.E. Bouman, M. Aaij en C. Schrama, allen ambtenaren werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Jonkman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan maakt de aanleg mogelijk van het bedrijventerrein Baanstee-Noord met een netto bedrijfsvloeroppervlak van 80 hectare aansluitend aan de bestaande bedrijventerreinen Baanstee-West en Baanstee-Oost aan de noordoostzijde van Purmerend. Het plangebied is gelegen in het noordelijk gedeelte van de Purmer tussen het voormalige trambaantracé/Edammerweg en de provinciale weg N244, welke tevens de scheiding vormt tussen de nieuwe ontwikkeling en de bestaande bedrijventerreinen Baanstee-West en Baanstee-Oost.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad en het college stellen zich op het standpunt dat de stichting Baanstee Noord NEE! niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aangezien de feitelijke werkzaamheden van deze stichting uitsluitend bestaan uit het voeren van procedures tegen het voorliggende bestemmingsplan.

2.2.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.2.2. Blijkens de statuten van de stichting Baanstee Noord NEE! heeft zij ten doel het noordelijke gedeelte van de Purmer, begrensd door de ringvaart en de N244 te behouden als agrarisch en/of recreatief groengebied, teneinde het landelijk karakter van de noordelijke Purmer, de aangrenzende dorpen en het aangrenzende veenweidegebied zo goed mogelijk te bewaren en een zo gunstig mogelijk leefklimaat te bevorderen. Onder de doelstelling valt mede het behouden en verbeteren van de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en fauna, de kwaliteit van het milieu, waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van mensen en een goede ruimtelijke ordening alles in de ruimste zin des woords. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het uitgeven en distribueren van periodiek drukwerk en het gebruiken van andere publiciteitsmedia om invloed uit te oefenen op een zo breed mogelijk publiek en door alle andere wettige middelen, aldus de statuten.

2.2.3. Blijkens de naam van de stichting is zij opgericht om realisering van het bedrijventerrein Baanstee-Noord te voorkomen. Teneinde dit doel te bereiken verricht de stichting, naar blijkt uit een nader ingezonden stuk, naast het voeren van procedures ook feitelijke werkzaamheden. Zo organiseert de stichting informatiebijeenkomsten, mobiliseert zij lokale politieke partijen en geeft zij met enige regelmaat een nieuwsbrief uit. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de stichting Baanstee Noord NEE! krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt, zodat de stichting als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.3. De stichting Baanstee Noord NEE! heeft mede namens de stichting Stichting Behoud Waterland beroep ingesteld. Volgens het college verricht de stichting Behoud Waterland geen feitelijke werkzaamheden en is ook overigens niet duidelijk welke belangen de stichting behartigt, zodat de stichting Behoud Waterland niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

2.3.1. Blijkens de statuten heeft de stichting Behoud Waterland ten doel het behoud en herstel van de functies van het natuurlijk milieu en het landelijke karakter van de regio Waterland, alsmede het bevorderen van een zo gunstig mogelijk leefklimaat. De stichting Behoud Waterland tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het uitgeven en distribueren van een periodiek tijdschrift en ander drukwerk en het gebruiken van andere publiciteitsmedia, om invloed uit te oefenen op een zo breed mogelijk publiek en door alle andere wettige middelen, aldus de statuten.

Ter zitting is van de zijde van de stichting Behoud Waterland toegelicht dat zij twee tot drie keer per jaar een tijdschrift uitgeeft over natuurbelangen in het algemeen en vogels in het bijzonder en dat lezingen worden gegeven. Het college heeft dit niet bestreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de stichting Behoud Waterland krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt, zodat de stichting Behoud Waterland als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.4. De stichting Baanstee Noord NEE! heeft voorts mede namens de stichting Stichting ABLE beroep ingesteld. Het college en de raad stellen zich op het standpunt dat de statutaire doelstelling alsmede de feitelijke werkzaamheden van de stichting ABLE niet duidelijk zijn en dat zij daarom niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.

2.4.1. De stichting ABLE organiseert geïntegreerde vakanties voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten. Daartoe exploiteert zij het hotel De Purmer Eend dat is gelegen aan de rand van het plangebied. Gezien de ligging van het hotel in combinatie met de ruimtelijke uitstraling van het plan is de Afdeling van oordeel dat het belang van de stichting ABLE rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zodat zij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

Toetsingskader

2.5. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van de raad

2.6. De raad kan zich niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan een deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I (BI)". Het college heeft dit deel van het plandeel aangemerkt als tweede en derde fase in de ontwikkeling van het plan en heeft daaraan goedkeuring onthouden omdat de in de plantoelichting neergelegde fasering niet juridisch bindend in de planvoorschriften is verankerd. Volgens de raad is een juridisch bindende fasering nimmer beoogd; in de plantoelichting is volgens hem slechts een logische volgorde voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein uiteengezet. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorts niet noodzakelijk dat de gefaseerde ontwikkeling van het plan in de planvoorschriften is verankerd, nu het nut en de noodzaak van het bedrijventerrein als geheel reeds vaststonden bij de vaststelling van het plan. Dat behoefte bestaat aan 80 hectare netto bedrijfsvloeroppervlak wordt volgens de raad onderbouwd door het streekplan Noord-Holland Zuid (hierna: het streekplan), het rapport 'Waterland@vitaal.nl' van de Vereniging Ondernemend Waterland (hierna: VOWA), belangstellingsregistraties uit 2004 en 2007, het rapport 'OntwikkelingsPlan Economie Regio Amsterdam' , opgesteld door het Regionaal Orgaan Amsterdam (hierna: het ROA-rapport), onderzoek van het Platform Bedrijven en Kantoren (hierna: Plabeka) en door het rapport 'Discussiepaper werklocaties Waterland' van onderzoeks- en adviesbureau Stec Groep van oktober 2008 (hierna: het Stec-rapport).

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de autonome economische groei in combinatie met de omstandigheid dat veel kleine, verouderde bedrijventerreinen in binnensteden een woonfunctie krijgen, voldoende reden is om over te gaan tot ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. De behoefte aan bedrijfsvloeroppervlak is evenwel geen statisch gegeven en de daarnaar uitgevoerde onderzoeken bieden alleen inzicht in de behoefte op korte termijn. In verband hiermee heeft de Commissie mer gewezen op de risico's van leegstand en geadviseerd in te gaan op de mogelijkheden van een programmatische en gefaseerde ontwikkeling van het bedrijventerrein, aldus het college. Volgens het college voorziet ook het streekplan in een gefaseerde aanleg van Baanstee-Noord. In de plantoelichting is neergelegd dat het bedrijventerrein in drie fasen kan worden ontwikkeld en dat een fase kan worden afgerond indien de vraag naar bedrijfsvloeroppervlak onverwacht wegvalt. Deze fasering is echter niet in de planvoorschriften en op de plankaart verwerkt. Nu de fasering een belangrijk onderdeel is van de onderbouwing van het bestemmingsplan heeft de raad volgens het college niet zonder nadere motivering kunnen afzien van het verwerken van de fasering in de planvoorschriften en de plankaart. In de verschillende onderzoeken, waaronder de belangstellingsregistratie, is volgens het college voldoende aangetoond dat er een directe belangstelling bestaat voor ongeveer 40 hectare netto bedrijfsvloeroppervlak. Nu fase één ruimte biedt voor ongeveer 40 hectare netto bedrijfsvloeroppervlak heeft het college alleen aan die fase goedkeuring verleend.

2.6.2. In de plantoelichting staat, voor zover thans van belang, dat de gemeente Purmerend niet meer oppervlakte aan bedrijvenpark in voorraad zal aanleggen dan noodzakelijk is. Bij de gefaseerde uitvoering van het plan wordt rekening gehouden met de behoefte aan bedrijfsoppervlakte, het kunnen aanbieden van kavels in toepasbare milieucategorieën, het kunnen maken van noodzakelijke infrastructuur, een zorgvuldige inpassing in het landschap en het kunnen afronden van een fase indien de vraag naar bedrijfsvloeroppervlak onverwacht zou wegvallen. Fase 1 beslaat een bruto-oppervlak van 66 hectare, waarvan 41 hectare netto uitgeefbare bedrijfsgrond betreft. Het onderliggende wegennet in het plangebied, bestaande uit de Kwadijkerweg, de Westerweg en de Edammerweg, vormt daarbij de natuurlijke grens. Fase 1 zal in de periode 2007- 2014 kunnen worden uitgevoerd. Indien er na 2014 geen behoefte meer zou bestaan aan bedrijfsvloeroppervlak, is met fase 1 een eindmodel bereikt waarbij de noordelijke rand aan de Edammerweg voldoende ruimte biedt voor de landschappelijke inpassing. Hoewel fase 1 slechts ongeveer de helft van het plangebied omvat, is het toch reeds nodig het doorgaande verkeer nabij de brug over de Purmerringvaart/Kwadijk te beperken om sluipverkeer in het lint van Kwadijk te voorkomen. Voorts kan het nodig zijn om sloten te verbreden of nieuwe waterpartijen aan te leggen ten behoeve van de waterhuishouding in het gebied. Hiervoor wordt verwezen naar het natstructuurplan.

Met fase 2 wordt ongeveer 22 hectare bruto bedrijventerrein toegevoegd. De rondweg schakelt de losse plandelen aaneen en vormt in de eindfase de noordelijke begrenzing van het plangebied. Indien na 2017 geen behoefte meer zou bestaan aan bedrijfsvloeroppervlak is fase 2 het eindmodel en kan ten noorden van de rondweg de overgangszone naar het open landschap worden ingericht.

Met fase 3 wordt ongeveer 32 hectare bruto aan het bedrijventerrein toegevoegd. Daarmee zal het bedrijventerrein in 2020 in zijn geheel zijn ontwikkeld en een capaciteit hebben van 80 hectare netto uitgeefbare grond en een totaal bruto-oppervlak hebben van 120 hectare. Het noordelijke deel van het plangebied sluit rechthoekig aan op het landschap.

2.6.3. Van de zijde van het college is ter zitting toegelicht dat in de regio Zaanstreek/Waterland in de periode tot 2020 behoefte bestaat aan 123 hectare bedrijventerrein. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat het college het nut en de noodzaak van het plan niet betwist en dat de onthouding van goedkeuring aan fase 2 en 3 van het plan is ingegeven door de omstandigheid dat hetgeen in paragraaf 7.1 van de plantoelichting is opgenomen omtrent de mogelijkheid het plan gefaseerd te ontwikkelen niet is vertaald in de planvoorschriften en daarmee de gefaseerde ontwikkeling niet juridisch bindend in het plan is vastgelegd.

De Afdeling stelt voorop dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een faseringsregeling in het bestemmingsplan op te nemen en dat het in beginsel tot de beleidsvrijheid van de raad behoort om aan een faseringsregeling vorm te geven en daarbij al dan niet gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 11 van de WRO gegeven bevoegdheid om een uitwerkingsplicht in het bestemmingsplan op te nemen. Gelet hierop brengt de enkele omstandigheid dat in de plantoelichting een gefaseerde ontwikkeling van het bedrijventerrein is beschreven, niet mee dat in de planvoorschriften een faseringsregeling dient te worden opgenomen.

Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bestaat daarvoor in dit geval evenmin aanleiding. Hierbij betrekt de Afdeling dat ter zitting van de zijde van de raad is toegelicht dat de gemeente Purmerend eigenaar is van ongeveer 90% van de gronden binnen het plangebied en dat door middel van het gemeentelijk gronduitgiftebeleid kan worden ingespeeld op de behoefte aan bedrijfsvloeroppervlak, het juiste bedrijf op de juiste plek kan worden geplaatst en leegstand kan worden voorkomen.

Voor zover het college zijn standpunt heeft gebaseerd op het streekplan en het advies van de Commissie mer, overweegt de Afdeling dat uit het streekplan niet volgt dat het bedrijventerrein gefaseerd dient te worden aangelegd, nu in het streekplan is uitgegaan van een behoefte aan 144 hectare bedrijfsvloeroppervlak in de regio Waterland in de periode

2000-2020. De Commissie mer heeft geadviseerd te onderzoeken of Baanstee-Noord ruimtelijk en programmatisch gefaseerd kan worden ontwikkeld en daarbij aan te geven welke mogelijkheden er zijn om de verschillende fases afgeronde onderdelen te laten zijn. Naar het oordeel van de Afdeling is dit in de plantoelichting voldoende inzichtelijk gemaakt.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de plantoelichting beschreven gefaseerde ontwikkeling van het bedrijventerrein ten onrechte niet in de planvoorschriften is verankerd.

2.7. Het college heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de inventarisatie die in het kader van de Flora- en faunawet is verricht onvolledig is en heeft ook daarom goedkeuring onthouden aan fase 2 en 3 van het plan. Verder hebben volgens het college de stichting en anderen erop gewezen dat een kerkuil zijn vaste rust- of verblijfsplaats heeft in een oude schuur op het perceel Westerweg 76. Gelet hierop heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden BI" voor zover betrekking hebbende op de bestaande bebouwing op perceel Westerweg 76.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan in zoverre, nu ten tijde van de goedkeuring het gehele plangebied was geïnventariseerd in het kader van de Flora- en faunawet en aannemelijk was dat de benodigde ontheffingen zouden kunnen worden verleend. Volgens de raad staat verder niet vast dat sprake is van een vaste rust- of verblijfplaats van de kerkuil ter plaatse van het perceel Westerweg 76. Hiertoe wordt aangevoerd dat de kerkuil tijdens de inventarisatie niet is aangetroffen in het plangebied. De raad ziet in het door de stichting en anderen uitgevoerde tegenonderzoek geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de inventarisatie, te meer daar het onderzoek van de stichting Baanstee-Noord Nee! niet door deskundigen is uitgevoerd.

2.7.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan kan verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.7.3. Met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan zijn de in het plangebied voorkomende natuurwaarden geïnventariseerd door Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport 'De Baanstee Noord te Purmerend, inventarisatie beschermde flora en fauna' dat dateert van 2005. In dat rapport staat dat in het plangebied vijf soorten zijn aangetroffen waarvoor een ontheffing op grond van de Ffw moet worden aangevraagd indien zij negatieve effecten zullen ondervinden als gevolg van de verwezenlijking van het plan, zijnde de bittervoorn, de rugstreeppad, de meervleermuis, de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. De raad stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is dat voor deze soorten een ontheffing kan worden verleend op grond van de Ffw. In het door het college aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De Afdeling stelt verder vast dat de stichting en anderen hun stelling dat een kerkuil zijn vaste rust- of verblijfsplaats heeft in de bestaande bebouwing op het perceel Westerweg 76 niet met stukken hebben onderbouwd. In die enkele stelling heeft het college ten onrechte aanleiding gezien in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden BI".

Het beroep van de raad is gegrond.

Het beroep van de stichting en anderen

2.8. De stichting en anderen betogen dat de noodzaak van een nieuw bedrijventerrein niet is aangetoond. Zij voeren hiertoe aan dat geen gevolg is gegeven aan het advies van de Commissie mer om een inventarisatie te maken van bedrijven die thans elders gevestigd zijn en uitplaatsing behoeven en die voldoen aan de criteria voor vestiging op Baanstee-Noord. Volgens de stichting en anderen vergen de in de gemeente Purmerend gelegen bedrijventerreinen Wagenweg en De Where slechts een uitplaatsingsbehoefte van 8 hectare. De belangstellingsregistratie onder lokale bedrijven kan volgens de stichting en anderen niet dienen als onderbouwing van de behoefte nu het een geanonimiseerde lijst betreft die niet meer actueel is en daaruit niet kan worden opgemaakt of de bedrijven voldoen aan de vestigingseisen. Bovendien blijkt daar volgens hen uit dat slechts behoefte bestaat aan een bedrijventerrein met een omvang van 33 hectare. Ook uit het ROA-rapport blijkt dat er tot 2010 slechts behoefte bestaat aan 32 hectare bedrijfsvloeroppervlak en dat de planopgave voor de periode 2002-2020 slechts 53 hectare beslaat. Gelet op de huidige economische situatie is bovendien onzeker of er nog daadwerkelijk behoefte bestaat aan een nieuw bedrijventerrein. Voor zover daarvan nog sprake zou zijn, is volgens de stichting en anderen ten onrechte niet onderzocht of aan die behoefte kan worden voldaan door middel van het herstructureren en intensiveren van bestaande bedrijventerreinen in Purmerend, dan wel door middel van het invullen van beschikbare ruimte op bestaande bedrijventerreinen in Zaandam, Krommenie, Hoorn en Alkmaar.

Met het plan wordt beoogd in totaal 6000 arbeidsplaatsen te creëren; 80 arbeidsplaatsen per hectare netto bedrijventerrein. Volgens de stichting en anderen is onvoldoende onderbouwd dat het plan een dergelijke bijdrage aan de werkgelegenheid kan bieden en nu alleen goedkeuring is verleend aan de eerste fase dient dit aspect opnieuw te worden bezien. Verder stellen de stichting en anderen dat door hen aangedragen kritische rapporten ten onrechte niet bij het milieueffectrapport zijn betrokken, zoals het rapport "De Logica van de Lelijkheid" van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland, het rapport "Zuinig op ruimte" van de provinciale milieufederaties en studies van de TU Delft en Stogo.

2.8.1. Ten behoeve van het plan is door DHV Ruimte en Mobiliteit BV het milieueffectrapport "Baanstee-Noord" van februari 2004 opgesteld. Naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie mer is het milieueffectrapport aangevuld. Er is voor gekozen de aanvullingen in de bestaande tekst door te voeren en een geheel herziene versie van het milieueffectrapport uit te brengen onder de naam "Milieueffectrapport "Baanstee-Noord - Aanvulling op het MER" (hierna: het MER). Deze versie dateert van maart 2005. In het MER staat omtrent het nut en de noodzaak van het voorziene bedrijventerrein dat de gemeente Purmerend de laatste decennia enorm is gegroeid als gevolg van de uitvoering van de woningbouwtaakstelling, maar dat de werkgelegenheid in de gemeente Purmerend sterk is achtergebleven, waardoor de gemeente kampt met een zeer scheve woon-werkbalans. Het streven is om deze scheve woon-werkbalans meer in evenwicht te brengen en het aantal werklozen in de regio terug te dringen. De werkgelegenheid in Waterland zou in de periode tussen 1998 en 2020 met 29% kunnen groeien, met name in de sectoren handel, horeca, transport en zakelijke dienstverlening. Teneinde deze groei te kunnen huisvesten is ruimte voor bedrijvigheid een absolute noodzaak. In het MER wordt er verder op gewezen dat in het streekplan, vastgesteld op 17 februari 2003, staat dat de vraag naar gemengd lokaal/regionaal terrein in de regio Waterland 144 hectare netto bedraagt voor de periode 2000-2020 waarbij rekening is gehouden met de ijzeren voorraad en een ruimtewinst van 10% door zuiniger ruimtegebruik. Om aan deze vraag te kunnen voldoen dienen nieuwe terreinen planologisch mogelijk gemaakt te worden zoals onder meer Baanstee-Noord eerste fase, dat voorziet in 60 hectare regionaal bedrijventerrein, en Baanstee-Noord tweede fase, dat voorziet in 50 hectare regionaal bedrijventerrein na 2010. Na realisering van Baanstee-Noord en enkele kleinere bedrijventerreinen resteert nog een tekort aan bedrijfsvloeroppervlakte van 24 hectare, zodat er nog een zoekopgave in de regio ligt, aldus het streekplan.

Voorts staat in het MER dat het beleid van de gemeente Purmerend erop is gericht om bestaande bedrijven uit te plaatsen naar Baanstee-Noord, zodat de vrijkomende locaties kunnen worden gerevitaliseerd en geïntensiveerd.

Er is in dit verband sprake van een intensiveringsopgave van 18 hectare, die los staat van de uit te breiden en nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen.

Daarnaast zullen de bestaande bedrijventerreinen Wagenweg en De Where op termijn moeten worden getransformeerd tot woningbouwlocaties, gelet op de ligging van Wagenweg nabij de binnenstad en woonwijken en de taakstelling van 3000 woningen die de gemeenten in de regio Waterland hebben. In september 2004 is de vraag naar bedrijfsvloeroppervlakte geregistreerd van 159 ondernemers. Onder die belangstellenden is vervolgens een enquête gehouden waarop 70 ondernemers hebben gereageerd en waaruit is gebleken dat zij een gezamenlijke, directe belangstelling hebben voor een bedrijfsvloeroppervlak van ongeveer 32 hectare. Gelet hierop zal een significant deel van het netto bedrijventerrein in een thans reeds bestaande behoefte voorzien, aldus het MER.

In het rapport Waterland@vitaal.nl van VOWA wordt het belang van een meer evenwichtige woon-werkbalans onderschreven. Daarvoor is een inhaalslag in de groei van de werkgelegenheid noodzakelijk, hetgeen kan worden bereikt door onder meer de ontwikkeling van bedrijventerreinen conform de in het streekplan opgenomen prognoses. De ontwikkeling van Baanstee-Noord is daarbij één van de prioriteiten, aldus het rapport.

In het Stec-rapport wordt uitgegaan van een urgente behoefte aan 115 tot 130 hectare netto bedrijventerrein tot en met 2030 in de regio Waterland. Baanstee-Noord is de enige substantiële ontwikkeling die is voorzien in de regio. Na realisering van Baanstee-Noord zal derhalve nog behoefte bestaan aan ongeveer 25 tot 40 hectare netto bedrijventerrein, aldus het Stec-rapport.

2.8.2. De Afdeling stelt voorop dat behoefteramingen naar hun aard inschattingen zijn. Dit betekent evenwel niet dat deze niet als uitgangspunt kunnen dienen. In dit geval is de Afdeling van oordeel dat het college zich op grond van het streekplan en de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken en belangstellingsregistraties in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een bestaande behoefte aan bedrijfsvloeroppervlak in de directe omgeving van Purmerend. Hiertoe wordt overwogen dat blijkens de belangstellingsregistratie die op 22 augustus 2007 bij de notaris is gedeponeerd in de periode juni 1999 tot juli 2007 een belangstelling aan in totaal 86 hectare bedrijfsvloeroppervlak is geregistreerd. Dat de belangstellingsregistratie anoniem is, doet niet aan dit oordeel af nu het college daarin geen aanleiding heeft hoeven zien voor het standpunt dat de belangstellingsregistratie niet betrouwbaar zou zijn. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de belangstellingsregistratie ten tijde van de vaststelling en goedkeuring van het plan niet meer actueel was. Daarnaast heeft het college zich op grond van het MER in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die behoefte niet kan worden ondervangen door de intensivering van de bestaande bedrijventerreinen.

Ten aanzien van het betoog van de stichting en anderen dat uit het ROA-rapport blijkt dat er tot 2010 slechts behoefte bestaat aan 32 hectare bedrijfsvloeroppervlak en dat de planopgave voor de periode 2002-2020 slechts 53 hectare beslaat, overweegt de Afdeling dat de Commissie mer in het toetsingsadvies vermeldt dat in dit verband in acht dient te worden genomen dat in de behoefteraming van ROA het aanbod op Baanstee-Noord deel uitmaakt van de autonome ontwikkeling en dat de genoemde 53 hectare daar nog bij komt. Hieruit volgt derhalve dat, los van de ontwikkeling van Baanstee-Noord, in de regio nog behoefte bestaat aan 53 hectare bedrijfsvloeroppervlak. Ook uit het streekplan en het Stec-rapport volgt dat er naast de ontwikkeling van Baanstee-Noord nog behoefte bestaat aan bedrijfsvloeroppervlak in de regio. De Afdeling overweegt voorts dat de stichting en anderen hun stelling dat de behoefte aan bedrijfsvloeroppervlak kan worden ondervangen door het invullen van nog beschikbare ruimte op de bestaande bedrijventerreinen in Zaandam, Krommenie, Hoorn en Alkmaar, niet hebben onderbouwd en dat het college ook overigens daarin geen aanleiding heeft hoeven zien voor het oordeel dat het onderhavige plan niet voorziet in een behoefte, te meer nu met het plan wordt beoogd de scheve woon-werkbalans van Purmerend meer in evenwicht te brengen.

De door de stichting en anderen aangedragen rapporten zien niet specifiek op Baanstee-Noord maar op de vormgeving en invulling van bedrijvenparken in het algemeen. In die rapporten heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de aan het plan ten grondslag liggende rapporten. Voor zover de stichting en anderen stellen dat geen behoefte bestaat aan een nieuw bedrijventerrein omdat in het MER staat dat categorie 1 en 2 bedrijven op Baanstee-Noord zullen worden toegelaten omdat de huidige economische situatie de gemeente geen mogelijkheid geeft een streng keuzebeleid te voeren, overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling van het bestreden besluit wordt uitgegaan van het MER van maart 2005 en dat deze zinsnede daarin niet is opgenomen. In plaats daarvan staat er dat het past in het tot op heden gevoerde vestigingsbeleid dat ook bedrijven in de categorieën 1 en 2 zich kunnen vestigen op Baanstee-Noord, aangezien dergelijke bedrijven niet per definitie in een woonomgeving passen en goed zijn in te passen in Baanstee-Noord. Gelet hierop faalt dat betoog.

2.9. De stichting en anderen stellen verder dat in de plantoelichting ten onrechte staat dat in het meest milieuvriendelijke alternatief (hierna: het MMA) ter hoogte van Kwadijk wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), nu uit figuur 10.3 uit het MER volgt dat een aantal huizen aan het Zeevangsdijkje en de Purmerdijk binnen de 50 dB(A) contour liggen.

2.9.1. Niet in geschil is dat het plan de vestiging van inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer op het industrieterrein niet toestaat, zodat de Wet geluidhinder niet verplicht tot het vaststellen van een geluidscontour. Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek verricht in welk kader geluidscontouren zijn berekend. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het MER. Daarin staat, voor zover thans van belang, dat, uitgaande van het MMA, vier woningen aan de Purmerdijk en één woning aan de Edammerweg binnen de 50 dB(A) contour liggen. Naar aanleiding daarvan is bij de vaststelling van het plan gekozen voor een andere invulling van het plangebied ten opzichte van het MMA. Daarbij is aansluiting gezocht bij de richtafstanden die in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2001 (hierna: de VNG-brochure) worden aanbevolen. In verband met de bestaande woningen aan het Zeevangsdijkje en de woningen binnen het plangebied zoals de woningen aan de Purmerdijk, zijn in het westelijk deel van het plangebied bedrijven tot en met milieucategorie 3.1. toegestaan. In de VNG-brochure wordt een richtafstand van 50 meter aanbevolen tussen bedrijvigheid in deze milieucategorie en de gevel van woningen behorend tot een rustige woonwijk. Alleen ten aanzien van een bedrijfswoning aan de Purmerdijk 12 wordt niet aan deze afstand voldaan. De afstand tussen deze woning en de gronden waar bedrijvigheid is toegestaan in maximaal milieucategorie 3.1. bedraagt ongeveer 40 meter. Deze woning is evenwel niet aan te merken als een woning die deel uitmaakt van een rustige woonwijk, nu op zeer korte afstand van deze woning een vleesverwerkingsbedrijf is gevestigd. Verder wordt de woning door middel van een groenstrook en de eigen bedrijfsbebouwing afgescheiden van het voorziene bedrijventerrein. Gelet hierop wordt de geringe afwijking van de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand aanvaardbaar geacht, aldus de plantoelichting.

2.9.2. De in de VNG-brochure genoemde afstanden zijn indicatief van aard en geven aan dat er in het algemeen van kan worden uitgegaan dat buiten de genoemde afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nu deze afstanden indicatief van aard zijn, is afwijking hiervan in beginsel mogelijk, met dien verstande dat een afwijking dient te berusten op een draagkrachtige motivering. Voor zover ten aanzien van de woningen aan het Zeevangsdijkje en de Purmerdijk de in de VNG-brochure genoemde aanbevolen afstanden in acht zijn genomen in het plan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ter plaatse geen sprake zou zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wat betreft de woning aan de Purmerdijk 12 heeft het college de afwijking van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand gering kunnen achten. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet afdoende is gemotiveerd dat in dit geval ter waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Purmerdijk 12 kon worden uitgegaan van een afstand van 40 meter tot bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 3.1.

2.9.3. De stichting en anderen stellen verder dat, kort samengevat, op onjuiste wijze rekening is gehouden met cumulatieve geluidhinder. Volgens hen zal met name ter hoogte van de woningen aan de Stationsweg te Kwadijk geen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de cumulatieve geluidhinder vanwege het plan.

2.9.3.1. In de plantoelichting staat in dit verband dat uit het MER is gebleken dat als gevolg van de aard en de omvang van het bedrijventerrein specifiek rekening moet worden gehouden met cumulatie van geluid. Daarom is voor het aspect geluid een aangepaste milieuzonering uitgewerkt waarbij de zwaardere bedrijfsactiviteiten op een aanzienlijk grotere afstand van woningen zijn toegestaan in vergelijking met de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden, aldus de plantoelichting.

2.9.3.2. De Afdeling stelt vast dat, gemeten vanaf de plankaart, een afstand van ongeveer 210 meter in acht is genomen tussen de woning aan de Stationsweg 27 en de gronden waarop bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 3.1 is toegestaan, terwijl de VNG-brochure in dit geval een afstand van 50 meter aanbeveelt. Gelet hierop ziet de Afdeling in het door de stichting en anderen op dit punt aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van de cumulatieve geluidhinder vanwege het plan ter hoogte van de woningen aan de Stationsweg te Kwadijk geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

2.10. De stichting en anderen betogen voorts dat het luchtkwaliteitsonderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt niet deugdelijk is en wijzen daartoe op de door het bureau EW Milieu-advies opgestelde contra-expertise van 20 september 2008 (hierna: de contra-expertise).

2.10.1. Het college ziet in de contra-expertise geen aanleiding voor het oordeel dat niet van de juistheid van het aan het plan ten grondslag liggende luchtkwaliteitsonderzoek van 18 januari 2008 en de aanvulling daarop van 17 maart 2008 , beide opgesteld door Oranjewoud (hierna tezamen: het luchtkwaliteitsonderzoek), kan worden uitgegaan en wijst daartoe op de bij het verweerschrift gevoegde reactie op de contra-expertise opgesteld door Oranjewoud (hierna: de reactie).

2.10.2. In de contra-expertise wordt gesteld dat er diverse gebreken kleven aan het luchtkwaliteitsonderzoek. In de reactie wordt de in de contra-expertise aangevoerde kritiek gemotiveerd weerlegd. Voor zover de stichting en anderen die weerlegging van de kritiek niet gemotiveerd hebben bestreden, ziet de Afdeling, gelet op de inhoud de reactie, geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van de juistheid van het luchtkwaliteitsonderzoek in zoverre heeft kunnen uitgaan.

2.10.2.1. Met betrekking tot de verkeersgegevens die aan het luchtkwaliteitsonderzoek ten grondslag liggen betogen de stichting en anderen dat het niet juist is dat de verkeersintensiteiten die in het verkeersmodel 'Edam-Volendam 2020' (hierna: het verkeersmodel) zijn gehanteerd, lager zijn dan de verkeersintensiteiten die aan de hand van tellingen zijn verkregen. Voorts is het in het verkeersmodel gehanteerde percentage vrachtverkeer op de Edisonweg lager in vergelijking met het in het vorige verkeersmodel 'Purmerend 2015' en het in de verkeersgegevens van de provincie gehanteerde percentage vrachtverkeer. Verder is in het verkeersmodel ten onrechte uitgegaan van 5000 minder vervoersbewegingen ten opzichte van het eerder gehanteerde verkeersmodel 'Purmerend 2015', aldus de stichting en anderen.

In de reactie staat, voor zover thans van belang, dat uit de telgegevens voor de N244 en de Edisonweg blijkt dat de verkeersintensiteiten zoals in het verkeersmodel 'Edam-Volendam 2020' opgenomen beter overeenkomen met de telgegevens dan de in het vorige model gehanteerde verkeersintensiteiten. Het percentage vrachtverkeer is ontleend aan het vrachtverkeermodel van de gemeente Edam-Volendam, waarbij op basis van telgegevens en sociaaleconomische gegevens het percentage is berekend. Nu is uitgegaan van de beschikbare telgegevens, is sprake van een betrouwbare berekening van de omvang van het vrachtverkeer, aldus de reactie. De discrepantie met de door de provincie gehanteerde cijfers kan volgens Oranjewoud worden verklaard doordat het percentage vrachtverkeer voor het weggedeelte ter hoogte van Purmerend dat in de verkeersgegevens van de provincie Noord-Holland is opgenomen, is gebaseerd op het telpunt ter hoogte van het weggedeelte ten oosten van de Magneet omdat op het weggedeelte tussen de A7 en de Magneet geen telpunt met (vracht)verkeersverdeling beschikbaar is. Het percentage vrachtwagens ligt op dat weggedeelte naar verwachting echter veel hoger in vergelijking met het weggedeelte tussen de A7 en de Magneet, vanwege de lagere intensiteit van het overige verkeer, aldus de reactie. Wat betreft de omstandigheid dat in het verkeersmodel is uitgegaan van 5000 minder vervoersbewegingen ten opzichte van het eerder gehanteerde verkeersmodel 'Purmerend 2015' staat in de reactie dat in het verkeersmodel 'Purmerend 2015' zekerheidshalve werd gerekend met een vast, relatief hoog aantal te realiseren arbeidsplaatsen in Baanstee-Noord. In het verkeersmodel 'Edam-Volendam 2020' is op basis van regionale kengetallen, de omvang en opbouw van het plangebied en rekening houdend met de omstandigheid dat in het plan geen arbeidsplaatsennorm is opgenomen een nieuwe berekening gemaakt van de omvang van het verkeersaanbod van en naar Baanstee-Noord. Er is daardoor sprake van een bijgestelde, zo realistisch mogelijke prognose, aldus de reactie.

2.10.3. Gelet op de reactie zoals hierboven weergegeven ziet de Afdeling in het door de stichting en anderen aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van de juistheid van de aan het luchtkwaliteitsonderzoek ten grondslag gelegde verkeersgegevens heeft kunnen uitgaan. Het betoog faalt.

2.11. De stichting en anderen betogen voorts dat een goede verkeersafwikkeling onvoldoende is gewaarborgd nu nog geen verkeersbesluit is genomen omtrent de verbreding van de N244.

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat concreet zicht bestaat op realisatie van de capaciteitsuitbreiding aangezien ten tijde van de vaststelling van het plan de verbreding van de N244 reeds was opgenomen in het streekplan en in het provinciaal uitvoeringsprogramma en tevens een concept-MER op dat punt gereed was. Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college besloten tot het opstellen van een provinciaal inpassingsplan voor de verbreding van de N244. Het ontwerpplan zal in juni van dit jaar ter inzage worden gelegd en de vaststelling is voorzien in oktober 2010. Naar verwachting zal de verbreding in 2014 zijn gerealiseerd, aldus het college.

2.11.2. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat concreet zicht bestaat op realisering van de verbreding van de N244 en dat de verkeersafwikkeling daardoor voldoende is gewaarborgd.

2.12. Gelet op hetgeen onder 2.6.3. is overwogen, behoeft het bezwaar van de stichting en anderen dat het plan, voor zover dat is goedgekeurd, geen afgerond geheel vormt in projectmatig, stedenbouwkundig en landschappelijk opzicht, geen bespreking meer. Gelet daarop behoeft hun bezwaar, dat de hydrologische onderzoeken zien op de realisatie van Baanstee-Noord als geheel en dat onvoldoende is onderzocht wat de effecten op water en bodem zullen zijn als alleen fase 1 wordt gerealiseerd, evenmin bespreking meer.

Hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd omtrent de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I (BI)" ter zake van het perceel Westerweg 76 behoeft geen bespreking meer, gelet op hetgeen onder 2.7.3. is overwogen.

2.13. De conclusie is dat hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de stichting en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.14. [appellant sub 1] woont naar eigen zeggen op ongeveer 280 meter van het plangebied en stelt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast als gevolg van het plan. Hij stelt in dit verband dat hij geluidhinder zal ondervinden vanwege het plan aangezien zijn woning binnen de 50 dB(A) contour ligt en bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4.2 mogelijk worden gemaakt op een afstand van minder dan 300 meter van zijn woning.

2.14.1. Zoals onder 2.9.1. vermeld, is bij de invulling van het plangebied aansluiting gezocht bij de richtafstanden die in de VNG-brochure worden aanbevolen. Anders dan [appellant sub 1] stelt, bedraagt de afstand tussen zijn woning en de gronden waar bedrijfsactiviteiten in maximaal milieucategorie 4.2 zijn toegestaan ongeveer 550 meter, vanaf de plankaart gemeten. De in de VNG-brochure aanbevolen afstand is derhalve ruim in acht genomen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder vanwege het plan.

2.14.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat hij het niet wenselijk acht dat in de planvoorschriften vrijstellingsbevoegdheden zijn opgenomen omdat dit betekent dat hij alert dient te zijn op eventuele toepassing van die bevoegdheden, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen met inachtneming van de in het plan vervatte regelen. In het door [appellant sub 1] aangevoerde kan geen aanleiding gevonden worden voor het oordeel dat daarvan in dit geval geen gebruik had mogen worden gemaakt.

2.15. [appellant sub 1] stelt verder dat hij geur- en verkeershinder zal ondervinden vanwege het op ongeveer 380 meter van zijn woning voorziene gronddepot. Daarnaast zal zijn uitzicht worden aangetast en neemt de bereikbaarheid van zijn perceel af als gevolg van het plan nu de Kwadijkerweg zal worden afgesloten voor doorgaand verkeer.

2.15.1. Het college stelt dat een gronddepot voor lokale opvang in overeenstemming is met het provinciale beleid en acht de voorziene locatie van het gronddepot niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening, nu uit onderzoek is gebleken dat de te verwachten geuremissie verwaarloosbaar is.

Ter voorkoming van sluipverkeer in de kern van Kwadijk zal de brug die het plangebied met Kwadijk verbindt, worden afgesloten voor doorgaand verkeer. Ook worden gedeelten van de Ringdijk, de Kwadijkerweg en de Westerweg tot aan de Edammerweg uitgevoerd als fiets-voetpad om doorgaand verkeer te voorkomen. Hierdoor is de route Kwadijk -Kwadijkerweg - Westerweg - Edammerweg niet meer toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. Deze route blijft wel toegankelijk voor landbouwverkeer. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de raad het maatschappelijk belang van het bedrijventerrein en de verkeersveiligheid in Kwadijk heeft mogen stellen boven het belang dat [appellant sub 1] heeft bij een onbeperkte bereikbaarheid van zijn perceel. Bovendien heeft de gewijzigde ontsluitingsstructuur tot gevolg dat het vrachtverkeer van en naar het baggerdepot niet langs de woning van [appellant sub 1] kan rijden, dit verkeer zal via de interne ontsluitingstructuur van het bedrijventerrein worden afgewikkeld. Verder zal het bedrijventerrein aan het zicht worden onttrokken door een groene bufferzone, zodat het uitzicht van [appellant sub 1] niet noemenswaardig zal worden aangetast vanwege het plan, aldus het college.

2.15.2. In aanmerking genomen dat de woning van [appellant sub 1] is gelegen buiten de geurcontour van het voorziene gronddepot, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 1] daarvan geen onaanvaardbare geurhinder zal ondervinden. Dat het voorziene gronddepot vier maal zo groot wordt als het bestaande gronddepot aan de Westerweg doet daar niet aan af. Voor zover [appellant sub 1] de noodzaak van een gronddepot met een dergelijke omvang betwist, heeft het college toegelicht dat de gemeente Purmerend een ontvangstplicht heeft voor bagger uit waterbodems binnen haar grondgebied.

Ten aanzien van de vrees van [appellant sub 1] dat hij geurhinder zal ondervinden vanwege de cumulatie van geurhinder afkomstig van het gronddepot met de geurhinder die wordt veroorzaakt door een compostverwerkingsbedrijf dat is gevestigd op het bedrijventerrein Baanstee-Oost, overweegt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 1] eveneens buiten de geurcontour van het compostverwerkingsbedrijf is gelegen zodat niet aannemelijk is gemaakt dat de cumulatieve geuremissie zal leiden tot onaanvaardbare geurhinder ter hoogte van de woning van [appellant sub 1].

Gelet op hetgeen onder 2.15.1. is vermeld omtrent de ontsluiting van het baggerdepot heeft het college zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 1] daarvan geen verkeershinder zal ondervinden.

Wat betreft de omstandigheid dat het perceel van [appellant sub 1] vanwege het plan niet langer bereikbaar zal zijn via de route Kwadijkerweg -Westerweg - Edammerweg, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 1] daardoor niet onevenredig in zijn belangen wordt aangetast.

Aangezien de gronden waarop het bedrijventerrein is voorzien thans onbebouwd zijn en in gebruik zijn als grasland dan wel landbouwgrond, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden ontkend dat als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein de woonomgeving van [appellant sub 1] zal veranderen. Onder 2.8.2. is reeds overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voldoet aan een bestaande behoefte aan bedrijventerrein in de regio Purmerend. Gelet hierop heeft het college het belang van realisering van het bedrijventerrein zwaarder kunnen laten wegen dan het belang dat [appellant sub 1] heeft bij het onveranderd blijven van zijn woonomgeving. Daarbij heeft het college kunnen laten meewegen dat de afstand tussen het voorziene bedrijventerrein en de woning van [appellant sub 1] ongeveer 280 meter bedraagt en dat het bedrijventerrein zal worden voorzien van een groene bufferzone.

2.16. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Eindconclusie

2.17. Gelet op hetgeen onder 2.6.3. en 2.7.3. is overwogen, is de conclusie dat hetgeen de raad heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan het plan in zoverre te onthouden heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de raad is gegrond zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan een deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I (BI)". De Afdeling ziet aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te verlenen.

Proceskostenveroordeling

2.18. Ten aanzien van de raad dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de stichting en anderen en [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de raad van de gemeente Purmerend gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 28 oktober 2008, kenmerk 2008-54921, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan een deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I (BI)";

III. verleent goedkeuring aan het onder II. genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 oktober 2008 voor zover daarbij is besloten omtrent de goedkeuring van het onder II. bedoelde plandeel;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de stichting Stichting Baanstee Noord NEE! en anderen ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de raad van de gemeente Purmerend in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de raad van de gemeente Purmerend het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

472.