Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200905858/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2009, kenmerk PZH-2009-439543, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, thans: Zuidplas, bij besluit van 21 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Tweemanspolder en polder de Wilde Veenen".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905858/1/R1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. LTO Noord Glaskracht, gevestigd te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009, kenmerk PZH-2009-439543, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, thans: Zuidplas, bij besluit van 21 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Tweemanspolder en polder de Wilde Veenen".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2009, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2009, en LTO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 1 september 2009.

De raad en LTO hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2010, waar [appellante sub 1] en [appellante sub 2], beide vertegenwoordigd door mr. C.J.A. Boere, advocaat te Alphen aan den Rijn, LTO, vertegenwoordigd door L.W.M. Claessen, en het college, vertegenwoordigd door mr.drs. M. Molenwijk, werkend bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door L.A. Silva, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridisch kader voor de Tweemanspolder en de polder de Wilde Veenen en is gericht op beheer en het mogelijk maken van kleinschalige ontwikkeling in die gebieden.

De beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2]

2.3. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat het plan ten onrechte voorziet in het mogelijk maken van een maximale goothoogte van 6 meter op hun percelen. In dit verband voeren zij aan dat zij beschikken over bouwvergunningen voor bedrijfsbebouwing met een maximale goothoogte van 7 meter en dat zij ook de mogelijkheid willen hebben om nieuwe bouwplannen te ontwikkelen met een maximale goothoogte van 7 meter. [appellante sub 2] betoogt voorts dat de hoogte van haar bestaande reclamezuil ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

2.3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bouwvergunningen voor de bedrijfsbebouwing en de reclamezuil zijn aangevraagd en verleend voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpplan en daarom, gelet op de begripsbepaling van bestaande situatie in artikel 1 van de planvoorschriften, kunnen worden aangemerkt als bestaande bebouwing in de zin van artikel 20 van de planvoorschriften. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] kunnen de vergunde bouwwerken realiseren en worden derhalve niet in hun belangen geschaad, aldus het college.

2.3.2. De bedrijven van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] zijn gevestigd op de percelen Noordeinde 59a en 59b onderscheidenlijk 59c tot en met 59h. Aan deze gronden is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend. Bij deze bestemming behoort het in hoofdstuk 2 opgenomen artikel 9 van de planvoorschriften.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder 2, aanhef en sub a, van de planvoorschriften geldt voor bedrijfsgebouwen dat de goothoogte niet meer dan 6 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder 4, aanhef en sub c, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de hoogte hiervan niet meer mag bedragen dan 8 meter.

Ingevolge artikel 20 van de planvoorschriften gelden, voor zover thans van belang, in die gevallen dat de goothoogte en de bouwhoogte van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan in de bouwvoorschriften in hoofdstuk 2 van deze voorschriften is toegestaan, die goot- en bouwhoogte in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder bestaande situatie ten aanzien van bebouwing verstaan bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning.

2.3.3. [appellante sub 2] heeft bij vier aanvragen van 18 april 2006 en één aanvraag van 1 juni 2006 vergunning gevraagd voor het oprichten van bedrijfsbebouwing op percelen aan het Noordeinde. De aangevraagde vergunningen zijn bij verschillende besluiten door het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle verleend. Twee van deze vergunningen zijn later op naam gesteld van [appellante sub 1]. Blijkens de bij deze besluiten behorende tekeningen is bedrijfsbebouwing vergund met een goothoogte van 7 meter. Voorts heeft [appellante sub 2] bij aanvraag van 27 augustus 2007 vergunning gevraagd voor het oprichten van een reclamezuil met een hoogte van 15 meter op het perceel Noordeinde 59. Bij besluit van 12 september 2007 is de gevraagde bouwvergunning verleend.

Het ontwerpplan heeft blijkens de publicatie in de Staatscourant van 28 mei 2008 met ingang van 29 mei 2008 gedurende zes werken voor een ieder ter inzage gelegen.

2.3.4. Anders dan het college in het bestreden besluit en de raad in de zienswijzenota stellen, zijn naar het oordeel van de Afdeling de bestaande rechten van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] niet als zodanig bestemd. In artikel 20 van de planvoorschriften, de bestaande maten-regeling, wordt, zo is ter zitting door de raad ook erkend, immers niet gesproken van het begrip 'bestaande situatie' noch is daar een verwijzing opgenomen naar dat begrip in artikel 1 van de planvoorschriften. Gelet hierop kan artikel 20 van de planvoorschriften slechts zo worden uitgelegd dat alleen bouwwerken die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan tot stand waren gekomen onder deze regeling vallen. Nu ter zitting is vast komen te staan dat bedoelde bedrijfsbebouwing nog niet is gerealiseerd en dat de reclamezuil met een hoogte van 15 meter pas is gerealiseerd na de terinzagelegging van het ontwerpplan, is artikel 20 van de planvoorschriften hierop niet van toepassing. Derhalve voorziet het plan voor de percelen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] niet in een regeling die de raad en het college hebben beoogd.

Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] dat ook voor nieuwe bouwplannen in een goothoogte van 7 meter dient te worden voorzien, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 1] en [appellante sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat, nog daargelaten de omstandigheid dat in het voorheen geldende plan "Landelijk gebied 1990" eveneens een goothoogte van maximaal 6 meter was toegestaan, zij door een goothoogte van 6 meter voor nieuwe bouwplannen op onaanvaardbare wijze in hun bedrijfsvoering zullen worden beperkt.

2.3.5. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 20 van de planvoorschriften is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit planvoorschrift niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet eveneens aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring aan voornoemd planvoorschrift te onthouden.

Als gevolg van de onthouding van goedkeuring aan dit planvoorschrift geldt voor het plangebied geen bestaande maten-regeling terwijl niet is uitgesloten dat bestaande rechten van anderen daardoor worden geschaad. Teneinde deze situatie te ondervangen voor de periode waarin de raad ter zake van dit planvoorschrift met inachtneming van deze uitspraak een herziening van het voorliggende plan dient vast te stellen, ziet de Afdeling aanleiding na te melden voorlopige voorziening te treffen.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak voor 1 mei 2011 een herziening van het voorliggende plan vast te stellen voor zover betrekking hebbend op voornoemd planvoorschrift.

2.3.6. Voorts is de conclusie dat hetgeen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 9, tweede lid, onder 2, aanhef en sub a, van de planvoorschriften voor zover betrekking hebbende op de percelen [locaties] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] zijn in zoverre ongegrond.

Het beroep van LTO

2.4. LTO betoogt in beroep dat het plan in strijd is met het beleid in het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas, omdat dit ziet op verplaatsing dan wel sanering van bestaande glastuinbouwbedrijven binnen het plangebied. Thans zijn bestaande glastuinbouwbedrijven wel als zodanig bestemd, maar voorziet het plan ten onrechte niet in voldoende uitbreidingsmogelijkheden voor deze bedrijven. Voort voorziet het plan ten onrechte niet in de mogelijkheid om bestaande glastuinbouwbedrijven in het gebied te clusteren, aldus LTO.

2.4.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestaande glastuinbouwbedrijven als zodanig zijn bestemd en dat daarbij is voorzien in enige uitbreidingsmogelijkheid. Nu nog geen overeenstemming bestaat over de sanering van de glastuinbouwbedrijven in het plangebied heeft het college ingestemd met de gekozen planregeling.

2.4.2. In het plangebied bevinden zich negen glastuinbouwlocaties. Aan de betreffende gronden is de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouwbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder 1, sub a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen bouwwerken uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder 3, sub f, van de planvoorschriften mag de oppervlakte van kassen niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte ervan.

Ingevolge artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onder 1, sub a, voor het vergroten van de oppervlakte aan kassen indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering onder de daarin genoemde voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is dat de totale oppervlakte aan kassen niet meer mag bedragen dan 2,5 hectare per locatie.

2.4.3. Gelet op de omstandigheid dat bij de vaststelling noch bij de goedkeuring van het plan duidelijkheid bestond over het verplaatsen dan wel saneren van de glastuinbouwbedrijven, heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met het als zodanig bestemmen van de bestaande glastuinbouwbedrijven. Uit de in overweging 2.4.2 opgenomen planregeling volgt, anders dan het college en de raad stellen, echter niet dat de bestaande glastuinbouwbedrijven uitbreidingsruimte wordt geboden. De vrijstelling in artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften ziet, zoals de raad ook ter zitting heeft erkend, immers niet op vrijstelling van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onder 3, sub f, van de planvoorschriften waarin is bepaald dat de oppervlakte aan kassen niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte aan kassen. Hiermee zijn de bestaande glastuinbouwbedrijven in hun huidige omvang als zodanig bestemd, maar hebben zij geen uitbreidingsruimte gekregen. De Afdeling overweegt in dit verband dat indien een positieve bedrijfsbestemming wordt toegekend, een goede ruimtelijke ordening met zich brengt dat alle belangen van de betreffende bedrijven in de aan de orde zijnde afweging moeten worden betrokken. Nu geen overeenstemming is bereikt omtrent een eventuele verplaatsing van glastuinbouwbedrijven of omtrent een toepassing van de zogenoemde Ruimte-voor-Ruimte-regeling, en de glastuinbouwbedrijven als zodanig zijn bestemd, voorziet het plan ten onrechte niet in enige uitbreidingsruimte voor de glastuinbouwbedrijven, terwijl dit wel is beoogd. Voorts is ter zitting gebleken dat enkele glastuinbouwlocaties reeds een oppervlakte hebben van 2,5 hectare zodat de vrijstellingsregeling in artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften voor deze locaties in elk geval ook niet voldoet. Het college heeft het vorenstaande miskend.

2.4.4. De conclusie is dat hetgeen LTO heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouwbedrijf" zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door deze plandelen niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van LTO is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van LTO geen bespreking.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan voornoemde plandelen.

Gelet op de onweersproken nijpende financiële positie van enkele glastuinbouwbedrijven ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak voor 1 mei 2011 een bestemmingsplanregeling voor de binnen het plangebied gelegen glastuinbouwbedrijven vast te stellen.

Proceskosten

2.5. Het college dient ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten ten aanzien van LTO is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van LTO Noord Glaskracht geheel en de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 16 juni 2009, kenmerk PZH-2009-439543, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

A. artikel 20 van de planvoorschriften;

B. de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "glastuinbouwbedrijf";

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde de plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. draagt de raad van de gemeente Zuidplas op om voor 1 mei 2011 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een bestemmingsplan vast te stellen voor de onder II, onder A en B, genoemde planonderdelen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

VI. treft de voorlopige voorziening dat artikel 20 van de planvoorschriften wordt geacht te zijn goedgekeurd en dat voor de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de percelen [locaties] artikel 20 van de planvoorschriften als volgt luidt:

in die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand tot de perceelsgrenzen of enige op de plankaart aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan dan wel mogen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwvoorschriften in hoofdstuk 2 van deze voorschriften is voorgeschreven, respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan;

VII. bepaalt dat de onder VI. opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van de herziening van het bestemmingsplan "Tweemanspolder en polder de Wilde Veenen" waarin opnieuw wordt voorzien in dit planvoorschrift;

VIII. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voor het overige ongegrond;

IX. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

a. [appellante sub 1] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellante sub 2] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. aan [appellante sub 1] het bedrag van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro);

b. aan [appellante sub 2] het bedrag van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro);

c. aan LTO Noord Glaskracht het bedrag van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro).

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

533.