Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200908546/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2008 heeft het college aanvraag van [appellante] om ontheffing voor het bouwen van twee woningen aan de Badhuisstraat te Huisduinen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/211 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908546/1/H2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 september 2009 in zaak nr. 09/2046 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2008 heeft het college aanvraag van [appellante] om ontheffing voor het bouwen van twee woningen aan de Badhuisstraat te Huisduinen afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2009, verzonden op 24 september 2009, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G. Creutzberg, advocaat te Alkmaar, het college, vertegenwoordigd door mr. I. Middelburg, ing. L.J. Denekamp en T. Abels, allen werkzaam bij het hoogheemraadschap, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], in persoon en bijgestaan door mr. M.M. van Eeten, advocaat te Den Helder, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, onder b, van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2006 (hierna: de keur) wordt in deze keur onder waterstaatswerken verstaan waterkeringen en wateren, met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken, die als zodanig in de legger zijn aangegeven.

Ingevolge artikel 15 is het verboden in, op, onder of boven waterstaatswerken:

a. werkzaamheden te verrichten;

b. werken of opgaande houtbeplantingen aan te brengen of te hebben;

c. stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen;

d. activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen;

e. zich anders dan als rechthebbende te bevinden indien dat vanwege het dagelijks bestuur op kenbare wijze is aangegeven;

f. buiten verharde wegen met rij- of voertuigen dan wel lastdieren te rijden of vee te drijven;

g. op andere wijze bemesting toe te passen dan door het dagelijks bestuur is bepaald;

h. waarvoor geen peilbesluit is vastgesteld de waterstand te brengen of te houden op een ander peil dan door het hoogheemraadschap ter plaatse gewoonlijk wordt aangehouden.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, kan het dagelijks bestuur van de gebods- en verbodsbepalingen in de artikelen 5 tot en met 20 ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 39 gelden voor waterstaatswerken waarvoor bij of krachtens de wet, provinciale verordening of bij reglement van bestuur het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven, alsmede voor waterstaatswerken waarvoor vaststelling van een legger is voorgeschreven, maar waarvoor vaststelling nog niet heeft plaatsgehad, voor de toepassing van de verbodsbepalingen in de artikelen 15 en 16 de grenzen van het waterstaatswerk en de beschermingszone als aangegeven in bijlage 1 bij deze keur.

2.2. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om ontheffing van de keur te verlenen hanteert het college de Beleidsregels keurontheffingen (hierna: de beleidsregels).

In de beleidsregels is voor bebouwingsvrije dijkstrekkingen, voor zover hier van belang, bepaald dat het hoogheemraadschap binnen de waterkering en het profiel van vrije ruimte ofwel het profiel 2100 in beginsel geen nieuwbouw toestaat. Alleen voor waterstaatkundige werken en voor (dijk)wegen is uitzondering mogelijk.

In de beleidsregels is voor dijkstrekkingen met aaneengesloten bebouwingen, voor zover hier van belang, bepaald dat het hoogheemraadschap binnen het waterstaatswerk, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte geen nieuwbouw toestaat, tenzij bestaande aanliggende bebouwing ook binnen de beschermingszone en/of het profiel van vrije ruimte staat en geen tekenen erop wijzen dat dit zal veranderen en dat het hoogheemraadschap geen nieuwbouw en vernieuwbouw toestaat, tenzij de vereiste standzekerheid van de waterkering gewaarborgd blijft en de bebouwing niet voorbij de bestaande doorgaande gevellijn wordt geplaatst.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de aanvraag ten onrechte de beleidsregels voor bebouwingsvrije dijkstrekkingen heeft toepast in plaats van die voor dijkstrekkingen met aaneengesloten bebouwing. De locatie is volgens haar gelegen binnen een dijkstrekking met aaneengesloten bebouwing. Zij voert hiertoe aan dat de bebouwing aan de Zeeweg te Huisduinen vanaf de laatste huizen aan de zuidzijde tot aan de hoek Zeeweg / H.W. Mesdagstraat doorlopend aaneengesloten is en dat die slechts ter plaatse van het bouwplan wordt onderbroken.

2.3.1. Dit betoog faalt. Het college heeft in het besluit op bezwaar tot uitdrukking gebracht en ter zitting bij de rechtbank en bij de Afdeling toegelicht dat het beleid erop is gericht de belangen van de waterkering te beschermen. Verder heeft het college aangegeven dat bij de vraag of sprake is van een dijkstrekking met aaneengesloten bebouwing een terughoudende interpretatie wordt toegepast, omdat er een groot belang bestaat bij het reserveren van ruimte voor toekomstige dijkverbeteringen. Volgens het college moet onder aaneengesloten bebouwing worden verstaan bestaande aaneengesloten bebouwing met een duidelijke gevellijn langs de waterkering. Hierbij moet volgens het college gedacht worden aan lintbebouwing met eventuele kleine tussenruimtes, zoals op de dijk in Volendam.

Aldus wordt naar het oordeel van de Afdeling een redelijke, bij de bedoeling van de beleidsregels aansluitende, uitleg van die regels gegevens. Uit de zich in het dossier bevindende en ter zitting getoonde overzichtskaarten en luchtfoto's komt naar voren dat ter plaatse van de beoogde bouwlocatie een aanzienlijke vrije ruimte aan de dijk bestaat, plaatsbiedend aan twee vrijstaande woningen. Die ruimte kan dan ook niet worden aangemerkt als een kleine tussenruimte in lintbebouwing, ook omdat zich aan de dijk in noordelijke richting voorbij de bouwlocatie nog slechts één woning bevindt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college terecht is uitgegaan van de beleidsregels voor bebouwingsvrije dijkstrekkingen.

Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft gesteld en gemotiveerd dat de bouw van de twee woningen vanuit waterkeringstechnisch oogpunt een bezwaar vormt voor de waterkering, overweegt de Afdeling dat de door [appellante] beoogde toets eerst kan plaatsvinden in de situatie dat de bepalingen van de beleidsregels voor dijkstrekkingen met aaneengesloten bebouwing toepassing vinden. Nu dat gelet op het voorgaande niet het geval is, kon de rechtbank daaraan niet toekomen.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij, gezien de rol van het college bij de totstandkoming van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Huisduinen 2002", er op heeft mogen vertrouwen dat haar aanvraag om ontheffing voor de bouw van twee woningen op de betreffende locatie zou worden ingewilligd. Zij voert hiertoe aan dat het college bij het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geen uitdrukkelijke bezwaren heeft geuit tegen de bestemming 'Wonen' op de waterkering en daar zelfs impliciet mee heeft ingestemd.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat het college bij het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geen uitdrukkelijke bezwaren heeft geuit tegen de bestemming 'Wonen' op de waterkering, niet maakt dat [appellante] daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat het college haar thans een keurontheffing zou verlenen. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat het hoogheemraadschap inmiddels het Beheersplan Waterkeringen 2006-2010 en de daarop gebaseerde beleidsregels heeft vastgesteld en dat het beleid voor het bouwen op waterkeringen aanzienlijk stringenter is geworden dan het beleid dat gold ten tijde van het overleg. Voor zover [appellante] betoogt dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan, het Streekplan Ontwikkelingsgebied Noord-Holland Noord en de Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte niet in de weg staan aan bebouwing, overweegt de Afdeling dat deze regelingen geen toetsingskader vormen voor het verlenen van een ontheffing van de keur. Dit betoog faalt dan ook.

2.5. Tenslotte faalt het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat aan anderen wel ontheffing van de keur is verleend in een vergelijkbare situatie. Het bouwplan van W. Marinus waar [appellante] op heeft gewezen is, anders dan dat van [appellante], gesitueerd buiten het profiel van vrije ruimte als bedoeld in de beleidsregels en niet voorbij de bestaande doorgaande gevellijn. Verder betreft het bouwplan van Marinus de vernieuwbouw en niet de nieuwbouw van een woning. Voorts is niet gebleken van andere gevallen waarin het college onder de vigeur van de beleidsregels ontheffing van de keur heeft verleend voor nieuwbouw binnen het profiel van vrije ruimte.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

47-630.