Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200908269/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2009:BK2219, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het college, voor zover hier van belang, aan Inter-Sprint een last onder dwangsom opgelegd wegens het plaatsen en geplaatst houden van 520 zeecontainers voor de opslag van banden op een perceel, gelegen achter Boonsweg 8 t/m 10 en ten noorden van Nijverheidsweg 27 te Heinenoord (hierna: het perceel), zonder de daartoe benodigde bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2010/182 met annotatie van B. Rademaker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908269/1/H1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Inter-Sprint banden B.V., gevestigd te Heinenoord, gemeente Binnenmaas (hierna: Inter-Sprint),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) van 18 september 2009 in zaak nr. 08/118 in het geding tussen:

Inter-Sprint

en

het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het college, voor zover hier van belang, aan Inter-Sprint een last onder dwangsom opgelegd wegens het plaatsen en geplaatst houden van 520 zeecontainers voor de opslag van banden op een perceel, gelegen achter Boonsweg 8 t/m 10 en ten noorden van Nijverheidsweg 27 te Heinenoord (hierna: het perceel), zonder de daartoe benodigde bouwvergunning.

Bij besluit van 4 december 2007 heeft het college het door Inter-Sprint daartegen gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 september 2009, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het door Inter-Sprint daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Inter-Sprint bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2010, waar Inter-Sprint, vertegenwoordigd door haar [adjunct-directeur] en mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door K. Mast, werkzaam bij de gemeente en mr. L. van Schie-Kooman, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel zijn zonder bouwvergunning circa 520 zeecontainers geplaatst, welke gebruikt worden voor opslag van autobanden. Niet in geschil is dat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden en zich geen bijzondere omstandigheden voordeden die het college hadden moeten doen afzien van handhaving.

2.2. Inter-Sprint betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat college in het besluit op bezwaar de lastgeving heeft aangevuld door daarin op te nemen dat de circa 520 zeecontainers van het perceel dienen te worden verwijderen en verwijderd dienen te blijven, hetgeen haar in een ongunstiger positie heeft gebracht. Het besluit op bezwaar is in zoverre in strijd is genomen met het verbod op reformatio in peius, aldus Inter-Sprint.

2.2.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Het door Inter-Sprint ingediende bezwaarschrift mocht er derhalve niet toe leiden dat zij in een slechtere positie zou worden gebracht dan zonder bezwaarschriftenprocedure niet mogelijk zou zijn geweest.

2.2.2. Blijkens de bij het besluit van 20 augustus 2007 aan Inter-Sprint opgelegde last is de overtreding als volgt omschreven: "containers in gebruik als bouwwerk voor de opslag van banden zonder in het bezit te zijn van de benodigde bouwvergunning". De last strekte derhalve tot het verwijderen en verwijderd houden van de circa 520 zeecontainers. Daar is Inter-Sprint, blijkens haar bezwaarschrift, ook vanuit gegaan. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het besluit op bezwaar in zoverre een verduidelijking van de last inhoudt. Het betoog faalt.

2.3. Inter-Sprint betoogt voorts dat de bouw zonder vergunning van de zeecontainers op het perceel niet slechts beëindigd kon worden door verwijdering van alle zeecontainers van het perceel, maar tevens door de zeecontainers niet meer te laten functioneren als plaatsgebonden bouwwerken door het gebruik van de zeecontainers voor opslag van banden te staken. Voorts heeft zij ter zitting betoogd dat de last, voor zover deze ziet op het verwijderd houden van de zeecontainers, te verstrekkend is, omdat het niet meer mogelijk is om op het perceel tijdelijk en in overeenstemming met de voorschriften van het bestemmingsplan zeecontainers te plaatsen.

2.3.1. Het betoog faalt. De zeecontainers op het perceel hebben een plaatsgebonden en permanent karakter. Het enkele staken van het gebruik voor opslag van banden doet niet af aan de omstandigheid dat de zeecontainers op het perceel zijn bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het op het perceel aanwezige bedrijf. Daarbij is van belang dat de bedrijfsvoering van Inter-Sprint is gericht op de import en export van banden en Inter-Sprint niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zeecontainers, na het beëindigen van het gebruik voor opslagdoeleinden, uitsluitend als zodanig worden opgeslagen op het perceel. Anders dan Inter-Sprint betoogt is de last evenmin te verstrekkend. De last ziet op de 520 zeecontainers, die wegens hun plaatsgebonden karakter als bouwwerken moeten worden aangemerkt en niet op zeecontainers die in overeenstemming met de voorschriften van het bestemmingsplan kunnen worden opgeslagen.

2.4. Inter-Sprint betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gegeven begunstigingstermijn niet onredelijk kort kan worden geacht. Zij voert hiertoe aan dat de begunstigingstermijn na de beslissing op bezwaar nog slechts 14 maanden betrof en deze termijn te kort was om voor de zeecontainers definitieve opslag te vinden. Inter-Sprint voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat de zeecontainers al 15 jaar op het perceel aanwezig waren en het college daarvan op de hoogte kon worden geacht.

2.4.1. Het betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 februari 2009 in zaak nr. 200805934/1) geldt ten aanzien van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat in hetgeen Inter-Sprint heeft aangevoerd geen redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat binnen de begunstigingstermijn niet in redelijkheid aan de lastgeving kon worden voldaan of dat het college de termijn anderszins niet in redelijkheid heeft kunnen stellen. Voor de vaststelling van de lengte van de begunstigingstermijn is niet bepalend de tijd die nodig is om een definitieve opslag voor de zeecontainers te vinden. De omstandigheid dat de containers reeds lange tijd op het perceel aanwezig zijn, is in dit opzicht niet relevant, omdat deze omstandigheid niet van invloed is op de termijn waarbinnen de overtreding kan worden beëindigd.

2.5. Inter-Sprint betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de overtreding en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Zij voert hiertoe aan dat het in de rede had gelegen om een dwangsom op te leggen per op het perceel aanwezige zeecontainer, in plaats van de dwangsom te verbinden aan het totale aantal op het perceel aanwezige zeecontainers.

2.5.1. Het betoog faalt. Een dwangsom mag zo hoog zijn als nodig is om te verzekeren dat de last wordt nagekomen en verbeurte ervan wordt voorkomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom de kosten van de oprichting van een vervangend gebouw heeft kunnen betrekken en dat de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de omvang van het geschonden belang. Voorts heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten de dwangsom te verbinden aan het totale aantal op het perceel aanwezige zeecontainers. De enkele stelling van Inter-Sprint dat een dwangsom per op het perceel aanwezige zeecontainer meer passend zou zijn, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

17-627.