Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200906895/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2008 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906895/1/H2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juli 2009 in zaak nr. 08/9442 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2008 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 7 november 2008 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de aanvraag om peiljaarverlegging afgewezen.

Bij uitspraak van 29 juli 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 september 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij het Centraal kantoor van de raad te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 34c, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) neemt de raad op aanvraag van de rechtzoekende een besluit dat is gebaseerd op het door de raad geschatte inkomen of vermogen in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan, indien in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval in het inkomen of vermogen.

Ingevolge artikel 34c, derde lid, wordt de aanvraag bij de raad ingediend binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit waarin is beslist op de aanvraag om een toevoeging.

Ingevolge artikel 34e, eerste lid, wordt de beslissing op het bezwaar tegen de beslissing op de aanvraag om een toevoeging geacht mede betrekking te hebben op de beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 34c, eerste lid.

2.2. Het bezwaarschrift met daarin de aanvraag om peiljaarverlegging heeft [appellante] te laat ingediend, hetgeen door partijen niet wordt betwist.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat [appellante] heeft gewisseld van gemachtigde geen reden is om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. [appellante] voert daartoe aan dat de overschrijding van de termijn is te wijten aan het feit dat zij in de veronderstelling was dat haar toenmalige gemachtigde een bezwaarschrift en een verzoek om peiljaarverlegging zou indienen aangezien die de aanvraag om toevoeging had ingediend.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift niet verschoonbaar is. De gevolgen van nalatigheid van de (toenmalige) gemachtigde komen voor risico van [appellante]. Niet kan dan ook redelijkerwijs worden geoordeeld dat [appellante] niet in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege diende te blijven. Zulks geldt evenzeer voor de overschrijding van de termijn als gesteld in artikel 34c, derde lid, van de Wrb. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt immers dat de wetgever met het stellen van een termijn van zes weken waarbinnen de aanvraag om peiljaarverlegging moet worden ingediend, heeft aangesloten bij de termijn van artikel 6:7 van de Awb voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift (Kamerstukken II 2003-2004, 29 685, nr.3, blz. 18). Nu het bij artikel 6:7 van de Awb gaat om een termijn van openbare orde met een fataal karakter, heeft hetzelfde te gelden voor de termijn in artikel 34c, derde lid, van de Wrb met dien verstande dat nu verschoonbaarheid ingevolge artikel 6:11 van de Awb bij een overschrijding van de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn kan worden aangenomen, verschoonbaarheid van de overschrijding van de in artikel 34c, derde lid, van de Wrb gestelde termijn eveneens aan de orde kan zijn. Nu de wisseling van gemachtigden wordt aangevoerd als oorzaak van de overschrijding van de termijn voor het indienen van een peiljaarverzoek, kan niet redelijkerwijs worden geoordeeld dat [appellante] niet in verzuim is geweest, daar, zoals hiervoor overwogen, de gevolgen van nalatigheid van de (toenmalige) gemachtigde voor risico komen van [appellante]. Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft nagelaten de naam van haar [gemachtigde] op te nemen in het proces-verbaal van de zitting gehouden op 14 juli 2009 te 's-Gravenhage treft geen doel, aangezien dit nalaten duidt op een kennelijke omissie van de rechtbank. [gemachtigde] is immers in de uitspraak vermeld als zijnde gemachtigde van [appellante] en ook uit de inhoud van het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de [gemachtigde] op de zitting van 14 juli 2009 aanwezig is geweest.

2.5. [appellante] betoogt tenslotte tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het verstrekken van een toevoeging door de raad van rechtsbijstand voor een procedure bij het Gerechtshof Arnhem reden is om de aanvraag om toevoeging van rechtsbijstand in te willigen. Dit betoog gaat eraan voorbij dat thans uitsluitend beantwoord dient te worden de vraag of de overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift en het verzoek om peiljaarverlegging verschoonbaar is. De eerder verleende toevoeging in een andere procedure is daarbij niet relevant. De rechtbank heeft dit betoog terecht verworpen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

47-658.