Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200906486/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van het bouwproject "Hoek Europalaan-Bakkerstraat" in de gemeente Valkenswaard. Dit besluit is op 16 juli 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906486/1/M2.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Belangengroep Europalaan en omgeving Valkenswaard (hierna: SBE), gevestigd te Valkenswaard,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van het bouwproject "Hoek Europalaan-Bakkerstraat" in de gemeente Valkenswaard. Dit besluit is op 16 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben SBE bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2009, beroep ingesteld. SBE heeft de gronden van haar beroep aangevuld bij brief van 18 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Danlat Bouw en Vastgoed B.V. (hierna: Danlat), SBE en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2010, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.M.S. Salomons, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.L. Walta en S. Brouwer, zijn verschenen. Voorts is Danlat, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, en door H. van Breugel, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Voorgeschiedenis

2.1. Het college heeft eerder, bij besluit van 10 juni 2008, hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van het bouwproject "Hoek Europalaan-Bakkerstraat". Bij uitspraak van 27 mei 2009 in zaak nr. 200805817/1/M2 heeft de Afdeling het besluit van 10 juni 2008 vernietigd, omdat de door SBE over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen in strijd met artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht niet waren betrokken bij het nemen van dit besluit.

Zienswijzen

2.2. Het college en Danlat stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij voeren in dit verband aan dat de zienswijze van [appellant sub 2] over het ontwerp van het besluit in het besluit van 10 juni 2008 niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep van [appellant sub 2] tegen dit besluit bij uitspraak van de Afdeling van 17 september 2008 in zaak nr. 200805817/2 niet-ontvankelijk is verklaard. Als gevolg hiervan is de niet-ontvankelijkverklaring van de zienswijze van [appellant sub 2] in het besluit van 10 juni 2008 onherroepelijk geworden en staat voor [appellant sub 2] thans geen beroep meer open, aldus het college en Danlat. Om deze reden heeft het college afgezien van een inhoudelijke behandeling van de zienswijzen van [appellant sub 2] in het bestreden besluit. [appellant sub 2] voert als beroepsgrond aan dat het college dit ten onrechte heeft gedaan.

2.2.1. Het besluit van 10 juni 2008 is bij voormelde uitspraak van 27 mei 2009 vernietigd. Van onherroepelijkheid van dit besluit is dan ook geen sprake. De omstandigheid dat het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 juni 2008 wegens het niet tijdig betalen van griffierecht niet-ontvankelijk is verklaard, leidt er niet toe dat zijn beroep tegen het thans bestreden besluit niet-ontvankelijk moet worden verklaard en mocht voor het college geen aanleiding zijn om de door [appellant sub 2] over het ontwerp van het besluit ingediende zienswijzen niet bij het nemen van het bestreden besluit te betrekken. Als omwonende van het bouwproject "Hoek Europalaan-Bakkerstraat", voor de realisatie waarvan het thans bestreden besluit een noodzakelijke voorwaarde vormt, moet [appellant sub 2] als belanghebbende worden aangemerkt. Het college heeft ten onrechte de door hem ingediende zienswijzen als zodanig niet inhoudelijk bij het nemen van het bestreden besluit betrokken. De zienswijzen van [appellant sub 2] zijn echter gelijkluidend aan de zienswijzen van SBE, welke het college wel heeft beoordeeld, zodat [appellant sub 2] door het niet behandelen van zijn zienswijzen niet in zijn belangen is geschaad en de Afdeling in zoverre aanleiding ziet vernietiging van het thans bestreden besluit achterwege te laten.

2.3. SBE betoogt dat het college haar ten onrechte, nadat zij hierom bij brief van 22 juni 2009 had verzocht, geen gelegenheid heeft geboden om haar zienswijzen over het ontwerp van het thans bestreden besluit nader te motiveren. Volgens SBE heeft het college hierdoor in strijd met artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht gehandeld.

2.3.1. Het thans bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is door het college in overeenstemming met artikel 3:15 van die wet de mogelijkheid geboden om schriftelijke of mondelinge zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren te brengen. SBE heeft binnen de daartoe gestelde termijn van 28 februari 2008 tot en met 12 maart 2008 zienswijzen naar voren gebracht. De procedure van afdeling 3.4 kent niet de verplichting voor het bevoegd gezag om degenen die zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren hebben gebracht, na het verstrijken van de zienswijzentermijn nader te horen. Niet valt in te zien dat het college daartoe in dit geval anderszins was gehouden. Deze beroepsgrond faalt.

Algemeen wettelijk kader

2.4. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd, voor de aanwezige of te verwachten geluidbelasting vanwege een aanwezige weg een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, vindt het eerste lid slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.5. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met de artikelen 99, tweede lid, en 100a van de Wet geluidhinder, overweegt de Afdeling dat de bij het bestreden besluit vastgestelde hogere waarden als wettelijke grondslag artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder hebben. De artikelen 99, tweede lid, en 100a van de Wet geluidhinder maken geen deel uit van het voor deze hogere waarden geldende wettelijk kader.

Verkeersstromen

2.6. SBE en [appellant sub 2] voeren aan dat het college bij de besluitvorming van onjuiste gegevens met betrekking tot de verkeersstromen op de Europalaan is uitgegaan. Volgens hen is bij het bepalen van de omvang van deze verkeersstromen ten onrechte rekening gehouden met de voorgenomen aanleg van de Lage Heideweg, terwijl die aanleg volgens hen onzeker is.

2.6.1. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: het RMV 2006) wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege een weg rekening gehouden met de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheiden categorieën motorvoertuigen. Onder maatgevende verkeersintensiteit wordt daarbij ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van het RMV 2006 verstaan: verkeersintensiteit, zoals die in het voor de geluidbelasting bepalende jaar, gemiddeld over een representatief tijdvak optreedt. Blijkens de toelichting op artikel 3.1, eerste lid, kan in bestaande situaties in beginsel als het voor de geluidbelasting bepalende jaar worden aangehouden het tiende jaar na het akoestisch onderzoek. In overeenstemming hiermee is in het akoestisch rapport van Pouderoyen Compagnons van 15 januari 2008, waarop het college zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd, uitgegaan van 2018 als het voor de geluidbelasting bepalende jaar.

2.6.2. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het college bezig met de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan waarbij de aanleg van de Lage Heideweg planologisch mogelijk werd gemaakt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college er onder deze omstandigheden bij het nemen van het bestreden besluit niet van heeft kunnen uitgaan dat de Lage Heideweg in 2018 zal zijn aangelegd. Deze beroepsgrond faalt.

Geluidreducerende maatregelen

2.7. SBE en [appellant sub 2] voeren aan dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder. Volgens hen heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom wordt afgezien van het treffen van aanvullende geluidreducerende maatregelen.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat toepassing van aanvullende geluidreducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Toepassing van stil asfalt in verdergaande mate dan reeds voorzien leidt volgens het college slechts tot een geluidreductie van 4 dB, hetgeen op zichzelf onvoldoende is om de geluidbelasting ter plaatse van alle in het kader van het bouwproject "Hoek Europalaan-Bakkerstraat" te bouwen appartementen en woningen terug te brengen tot de in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder genoemde voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Afgezet tegen het te bereiken effect zijn de hiermee gemoeide kosten van ongeveer € 250.000,00 volgens het college onevenredig hoog. Reductie van de maximumsnelheid of de verkeersintensiteit heeft volgens het college, mede gelet op de beoogde functie van de Europalaan als doorgangsweg voor verkeer vanaf Eindhoven naar het industrieterrein Schaapsloop en naar België, onwenselijke gevolgen voor de verkeerscirculatie en stuit daarom op overwegende bezwaren van verkeers- en vervoerskundige aard. Het aanbrengen van verdergaande geluidafschermende voorzieningen dan reeds voorzien en het vergroten van de afstand tussen de nieuw te bouwen appartementen en woningen en de weg stuiten volgens het college op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard.

In hetgeen SBE en [appellant sub 2] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich met deze motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het treffen van aanvullende geluidreducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Deze beroepsgrond faalt.

Overige gronden

2.8. SBE en [appellant sub 2] stellen dat het bestreden besluit in strijd is met het groenbeleidsplan, de Structuurvisie Plus en de Wegenwet. Zij voeren verder aan dat het bouwplan voor het bouwproject "Hoek Europalaan-Bakkerstraat" niet in overeenstemming is met het gemeentelijke en provinciale volkshuisvestingsbeleid.

2.8.1. In deze beroepsprocedure staat ter beoordeling of het college heeft kunnen overgaan tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder voor het bouwproject "Hoek Europalaan-Bakkerstraat". Hetgeen SBE en [appellant sub 2] aanvoeren met betrekking tot strijd met het groenbeleidsplan, de Structuurvisie Plus, de Wegenwet en het volkshuisvestingsbeleid, is in het kader van deze procedure niet relevant. Deze beroepsgronden falen.

Conclusie

2.9. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

462-596.