Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM7095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
200900558/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2008, kenmerk PZH-2008-956862, heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij besluit van 26 augustus 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Veenwegzone-Noord" (hierna: het uitwerkingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 10-104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900558/1/R1.

Datum uitspraak: 9 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats], (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats], (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008, kenmerk PZH-2008-956862, heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij besluit van 26 augustus 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Veenwegzone-Noord" (hierna: het uitwerkingsplan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de aan het uitwerkingsplan ten grondslag liggende 'Herziening grondexploitatie Ontwikkelingebedrijf Leidschenveen C.V. per 1 januari 2009' met de daarbij behorende bijlage 1 'overzichten grondexploitatie uit Dgdialog' aan de Afdeling toegezonden. Bij besluit van 9 maart 2010 heeft een enkelvoudige kamer van de Afdeling beperkte kennisneming gerechtvaardigd geacht. Ter zitting heeft [appellant sub 1] toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.A. de Groot, advocaat te Delft, [appellant sub 2], in de persoon van [appellant sub 2], en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. A.C. de Waaij, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. C.M. Krijgsman, werkzaam bij de gemeente, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ontwikkelingsbedrijf Leidschenveen Beheer B.V., vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton, werkzaam bij Cleton en Com te Rotterdam, en het Hoogheemraadschap van Delfland, vertegenwoordigd door mr. T. Dreessen en H. Oostervink, beiden werkzaam bij het Hoogheemraadschap.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het uitwerkingsplan is, zoals is voorgeschreven in het bestemmingsplan waarop het is gebaseerd, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen belanghebbenden gedurende deze termijn zienswijzen naar voren brengen bij het college van burgemeester en wethouders.

[appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellante sub 1 D], [appellant sub 1 E], [appellante sub 1 F], [appellant sub 1 G], [appellante sub 1 H], [appellante sub 1 I], [appellant sub 1 J] en [appellante sub 1 K] hebben geen zienswijzen bij het college van burgemeester en wethouders naar voren gebracht. Ook [appellant sub 2] en anderen, met uitzondering van [appellant sub 2], hebben geen zienswijzen bij het college van burgemeester en wethouders naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door [appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellante sub 1 D], [appellant sub 1 E], [appellante sub 1 F], [appellant sub 1 G], [appellante sub 1 H], [appellante sub 1 I], [appellant sub 1 J] en [appellante sub 1 K]. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door anderen dan [appellant sub 2].

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij het besluit over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient het college van gedeputeerde staten te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op het college van gedeputeerde staten de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college van gedeputeerde staten erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan voorziet in de bouw van zeventien woningen, waaronder negen dijkwoningen met bijbehorende groen-, water- en verkeersvoorzieningen. Het plan is een uitwerking van het bestemmingsplan "Leidschenveen", vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Leidschendam bij besluit van 25 november 1996 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 24 juni 1997 (hierna: het bestemmingsplan).

Formeel aspect

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd was om het uitwerkingsplan vast te stellen, omdat de raad deze bevoegdheid in het bestemmingsplan aan zichzelf heeft voorbehouden. Voorts betoogt hij dat het bestemmingsplan "Parapluherziening Uitwerkings- en wijzigingsbepalingen o.g.v. artikel 11 WRO", vastgesteld door de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg bij besluit van 8 maart 2007 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 9 mei 2007, ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen.

2.4.1. Ingevolge artikel 11 van de WRO, voor zover thans van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat, tenzij de raad zich daarbij deze bevoegdheid zelf heeft voorbehouden, het college van burgemeester en wethouders volgens bij het bestemmingsplan te geven regelen het bestemmingsplan moet uitwerken.

2.4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, was de raad bevoegd tot uitwerking van de gronden met de bestemming "Woongebied" in het bestemmingsplan. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Parapluherziening Uitwerkings- en wijzigingsbepalingen o.g.v. artikel 11 WRO" is artikel 16, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan echter in die zin gewijzigd dat niet langer de raad, maar het college van burgemeester en wethouders bevoegd is tot uitwerking van het bestemmingsplan. Het betoog van [appellant sub 1] faalt. Voorts is niet gebleken dat het vastgestelde bestemmingsplan "Parapluherziening Uitwerkings- en wijzigingsbepalingen o.g.v. artikel 11 WRO" niet gedurende de wettelijke termijn ter inzage heeft gelegen.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.5. [appellant sub 2] betoogt dat een deel van de Zaagjessingel ten onrechte niet in het uitwerkingsplan is opgenomen en dat het uitwerkingsplan derhalve een busbaan op de Zaagjessingel ter plaatse niet uitsluit. Een busbaan op de Zaagjessingel is volgens [appellant sub 2] in strijd met het stedenbouwkundig toetsingskader Veenweg Leidschenveen (hierna: het stedenbouwkundig toetsingskader). Voorts staat in de toelichting op het uitwerkingsplan dat de verbinding tussen de Zaagjessingel en het Pijlkruidveld is bestemd voor langzaam verkeer, aldus [appellant sub 2].

2.5.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat de aanleg van een busbaan op de Zaagjessingel in strijd is met de bepalingen in het bestemmingsplan en dat de betreffende gronden daarom niet in het uitwerkingsplan zijn opgenomen.

2.5.2. De busbaan is niet binnen het plangebied van het uitwerkingsplan gelegen. De Afdeling vat het beroep van [appellant sub 2] derhalve op als gericht tegen de plangrens.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan volgens bij het plan te geven regelen moet uitwerken.

De in deze bepaling opgenomen plicht biedt het college van burgemeester en wethouders de vrijheid de uitwerking gefaseerd ter hand te nemen.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat het college van burgemeester en wethouders voor fasering mag kiezen voor zover tussen de gronden waaraan een uit te werken bestemming is toegekend een grote mate van samenhang bestaat. Een zodanige samenhang kan bestaan indien de verwezenlijking van het uitwerkingsplan ingrijpende gevolgen heeft voor de niet in het uitwerkingsplan opgenomen gronden.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde begrenzing van het uitwerkingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling acht in dit geval van belang dat de busbaan door het college van burgemeester en wethouders gewenst is en dat deze reeds krachtens een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO is gerealiseerd en als zodanig ook in gebruik is. Het college van burgemeester en wethouders diende met de busbaan derhalve rekening te houden bij het vaststellen van het uitwerkingsplan. Nu de uitwerkregels in de artikelen 4 en 16 van het bestemmingsplan niet voorzien in de aanleg van de busbaan, was het niet mogelijk de gronden waarop de busbaan is gelegen als zodanig in het uitwerkingsplan op te nemen.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] geen bespreking.

2.5.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van negen dijkwoningen op de Veendijk op korte afstand van zijn woning. Hiertoe voert hij meerdere beroepsgronden aan.

Aantal woningen

2.7. [appellant sub 1] betoogt in de eerste plaats dat het uitwerkingsplan voorziet in meer woningen dan toegestaan in het bestemmingsplan. Door het verhogen van het maximaal aantal woningen in het gebied zal de oorspronkelijke structuur en het authentieke karakter van de Veenweg verloren gaan, aldus [appellant sub 1].

2.7.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat het maximum aantal woningen zoals voorgeschreven in het bestemmingsplan niet wordt overschreden en dat de kaart van het bestemmingsplan waar de woonmilieus op zijn aangegeven een globaal karakter heeft.

2.7.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, moet het college van burgemeester en wethouders het plan uitwerken met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 1 en de op kaart 1 aangegeven uitwerkingsnormen.

Ingevolge artikel 1, onder A, sub 2, en onder F, van de voorschriften van het bestemmingsplan in samenhang bezien met kaart 1 van het bestemmingsplan, zijn in woongebied 6.1. (Veenwegzone-Noord) maximaal 50 woningen, in woongebied 1 (De Velden) maximaal 1550 woningen en in woongebied 2 (Waterland) maximaal 3350 woningen toegestaan.

2.7.3. Uit kaart 3 van het bestemmingsplan volgt dat het grootste deel van het plangebied van het uitwerkingsplan is gelegen binnen het woongebied 6.1 en dat een deel van het uitwerkingsplan ook binnen woongebied 1 en woongebied 2 is gelegen. In de toelichting op het uitwerkingsplan staat dat in woongebied 6.1 reeds twaalf bestaande woningen zijn gelegen. Gelet hierop resteert binnen dit woongebied nog de mogelijkheid om 38 woningen te realiseren. Voorts staat in de toelichting op het uitwerkingsplan dat in de woongebieden 1 en 2 nog ongeveer 446 onderscheidenlijk 597 woningen kunnen worden gebouwd voordat het maximaal aantal woningen is bereikt. Gelet op deze niet bestreden aantallen, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten de vraag in welk woongebied de voorziene dijkwoningen zijn gelegen, binnen alle genoemde woongebieden op grond van het bestemmingsplan voldoende ruimte is om de 17 woningen als voorzien het uitwerkingsplan te realiseren.

2.7.4. Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat het maximaal aantal woningen waarin het uitwerkingsplan voorziet niet in strijd met de uitwerkregels van het bestemmingsplan. Het argument van [appellant sub 1] omtrent de aantasting van de oorspronkelijke structuur en het authentieke karakter van de Veenweg ten gevolge van het verhogen van het maximaal aantal woningen behoeft geen bespreking meer.

Luchtkwaliteit

2.8. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat het plan in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005), omdat de luchtkwaliteit niet is berekend voor 10 jaar na realisatie van het plan, dan wel 10 jaar na vaststelling van het plan.

2.8.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 1] is geactualiseerd en dat aan de grenswaarden in het Blk 2005 zal worden voldaan.

2.8.2. Op 15 november 2007 is de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteiteisen) in werking getreden. Bij deze wet is het Blk 2005 ingetrokken.

Ingevolge artikel V, voor zover thans van belang, zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer, bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit noch op ter uitvoering daarvan strekkende besluiten. Het uitwerkingsplan strekt niet ter uitvoering van een met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit, nu het bestemmingsplan is vastgesteld bij besluit van 25 november 1996 en goedgekeurd bij besluit van 24 juni 1997, derhalve voor de inwerkingtreding van het Blk 2005 per 4 mei 2005. Gelet hierop is titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de daarbij behorende regelgeving van toepassing.

Artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer biedt een kader voor de beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit voor de uitoefening of de toepassing van de in het tweede lid van dit artikel opgesomde bevoegdheden en wettelijke voorschriften. Vast staat dat in het tweede lid van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer geen bevoegdheden en wettelijke voorschriften zijn opgenomen die thans aan de orde zijn, namelijk de vaststelling van een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 11 van de WRO. Derhalve is artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer in dit geval niet van toepassing en staat het derhalve niet aan goedkeuring van het uitwerkingsplan in de weg.

Waterkering

2.9. [appellant sub 1] betoogt voorts dat in het uitwerkingsplan onvoldoende rekening wordt gehouden met de primaire waterkeringsfunctie van de Veendijk. [appellant sub 1] voert in dit verband aan dat woningbouw op de Veendijk in strijd is met artikel 1, onder F, en artikel 12 van de voorschriften van het bestemmingsplan en de beleidsregel "Niet bouwen op Veendijken" en dat ten onrechte geen positief advies van het Hoogheemraadschap van Delfland is verkregen. [appellant sub 1] wijst op het advies van een door hem ingeschakelde deskundige.

2.9.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in dit verband in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat de voorschriften in het bestemmingsplan bebouwing op de Veendijk uitsluiten, maar dat daarvan onder voorwaarden vrijstelling kan worden verleend en dat aan die voorwaarden wordt voldaan. Voorts is de beleidsregel "Niet bouwen op de Veendijk" vervallen en is de beleidsregel "Beleidsregel Veendijken" niet van toepassing voor het onderhavige deel van de dijk. Mede gelet op het verkregen schriftelijke advies van het Hoogheemraadschap en de verleende keurvergunning, komt het belang van de waterkering niet in gevaar, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.9.2. De gronden waarop de dijkwoningen zijn voorzien hebben in het uitwerkingsplan de bestemming "Woondoeleinden (W)" en zowel in het bestemmingsplan als in het uitwerkingsplan de (dubbel)bestemming "Waterkering".

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, moet het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan uitwerken met inachtneming van onder meer de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan.

2.9.3. Ingevolge artikel 1, onder F, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, is het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden binnen de bestemming "Waterkering" slechts toegestaan voor zover de belangen van het Hoogheemraadschap hierdoor niet worden geschaad. Geen bouwvergunning wordt verleend dan nadat tevoren de dijkbeheerder c.q. de waterbeheerder schriftelijk om advies is gevraagd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan zijn de op de kaart voor "Waterkering" aangewezen gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen, primair bestemd voor een waterkering.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan mag in afwijking van het bepaalde in de andere bestemming op gronden met de dubbelbestemming "Waterkering" niet worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2, ten aanzien van bouwwerken mits:

a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de waterkering en de veiligheid daarvan;

b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de betrokken waterkering omtrent het in sub 1 gestelde.

Artikel 12 van de voorschriften van het bestemmingsplan is inhoudelijk gelijk aan het bepaalde in artikel 9 van het uitwerkingsplan.

2.9.4. Gelet op het bepaalde in artikel 9 van de voorschriften van het uitwerkingsplan en artikel 12 van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen op de gronden met de (dubbel)bestemming "Waterkering", anders dan [appellant sub 1] betoogt, wel woningen worden gebouwd, mits het college van burgemeester en wethouders daartoe vrijstelling heeft verleend. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten goedkeuring aan dat deel van het plan had moeten onthouden, omdat bij voorbaat vaststaat dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van vrijstellingsregeling zal kunnen worden voldaan. In dit verband heeft het college van gedeputeerde staten van belang kunnen achten dat het Hoogheemraadschap bij brief van 2 februari 2007 aan het college van burgemeester en wethouders heeft laten weten dat het kan instemmen met het ontwerp van het uitwerkingsplan. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten van belang kunnen achten dat het Hoogheemraadschap bij besluit van 4 november 2008 een keurvergunning heeft verleend voor onder meer het bouwen en hebben van negen woningen op de westelijke polderkade langs de Veenwegwatering, welke vergunning bij besluit van 19 maart 2010 is vernieuwd. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet bij voorbaat vaststaat dat niet aan de voorwaarde van artikel 9, derde lid, onder b, van de voorschriften van het uitwerkingsplan zal kunnen worden voldaan. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten terecht gesteld dat derhalve geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan op dit punt.

2.9.5. De beleidsregel "Niet Bouwen op Veendijken" is per 1 januari 2008 vervallen en vervangen door de beleidsregel "Beleidsregel Veendijken". Derhalve heeft het college van gedeputeerde staten zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders terecht op het standpunt gesteld dat de beleidsregel "Niet Bouwen op Veendijken" noch bij de vaststelling van het uitwerkingsplan noch bij de goedkeuring daarvan behoefde te worden betrokken. Voorts blijkt uit de kaart behorende bij de "Beleidsregel Veendijken" dat deze beleidsregel niet van toepassing is op de Veendijk.

2.9.6. Voor zover [appellant sub 1] bezwaren naar voren brengt die zien op de door het Hoogheemraadschap verleende keurvergunning, overweegt de Afdeling dat dit een andere procedure betreft en dat daarom deze bezwaren, inclusief het door [appellant sub 1] overgelegde deskundigenadvies, thans niet aan de orde kunnen komen.

2.9.7. Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de primaire functie van de dijk als waterkering door de bouw van de negen dijkwoningen niet in gevaar komt.

Bouwlagen en bijgebouwen

2.10. Voorts heeft [appellant sub 1] bezwaar tegen de toegestane maximale hoogte van de negen dijkwoningen, omdat hierdoor het uitzicht vanuit zijn woning wordt beperkt. In dit verband betoogt hij dat aansluiting dient te worden gezocht bij de specifieke kenmerken van de Veendijk en de in het bestemmingsplan binnen de bestemming "Wonen-linten" toegestane goothoogte van 4 meter. Verder is volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met het hoogteverschil van de dijk

Verder betoogt [appellant sub 1] dat in het uitwerkingsplan ten onrechte niet is bepaald dat bijgebouwen geïntegreerd bij de hoofdbebouwing moeten worden opgenomen. Nu dit niet is gebeurd is het uitwerkingsplan in strijd met de in het bestemmingsplan opgenomen aanwijzingen met betrekking tot zichtrelaties en ruimtelijke en functionele hoofdstructuur, aldus [appellant sub 1].

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat ingevolge het bestemmingsplan in woongebied 6.1 maximaal drie bouwlagen zijn toegestaan. Voorts is rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de Veendijk, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig toetsingskader. Voorts is volgens het college van gedeputeerde staten voldoende rekening gehouden met de belangen van de bewoners van de Arenastraat, omdat ten opzichte van een eerder opgesteld uitwerkingsplan het aantal dijkwoningen is teruggebracht en de maximale bouwhoogte lager is. Voorts zijn bijgebouwen, met uitzondering van één kavel, opgenomen in de hoofdmassa, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.10.2. Ingevolge artikel 1, onder A, sub 2 en onder F, van de beschrijving in hoofdlijnen van het bestemmingsplan, dat ingevolge artikel 16, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan in acht moet worden genomen bij de uitwerking van het bestemmingsplan, en de aanwijzingen op plankaart 1 zijn in woongebied 6.1 tussen de 1 en 3 bouwlagen toegestaan.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, van de voorschriften van het uitwerkingsplan in samenhang bezien met de plankaart, bedraagt het maximaal toegestane aantal bouwlagen voor de dijkwoningen 3.

Gelet op deze voorschriften is het maximaal aantal bouwlagen van drie voor dijkwoningen in het uitwerkingsplan, anders dan [appellant sub 1] betoogt, niet in strijd met de bepaling daaromtrent in het bestemmingsplan.

2.10.3. In artikel 1, onder C, van de beschrijving in hoofdlijnen van het bestemmingsplan is vermeld dat nieuwe bebouwing ter weerszijden van de Veenweg op de bestaande verkavelings- en woningtypen dient aan te sluiten. In dit verband overweegt de Afdeling dat in het bestemmingsplan binnen de bestemming "Wonen-linten" voor eengezinshuizen type A en eengezinshuizen boerderijen een goothoogte van 4 meter is opgenomen en dat voor eengezinshuizen type B binnen die bestemming een goothoogte van 6 meter geldt. Voorts is in het bestemmingsplan voor woongebied 1, waarbinnen de woning van [appellant sub 1] is gelegen, bepaald dat daar maximaal 4 bouwlagen zijn toegestaan. Nu de geldende planologische regimes in de omgeving van de voorziene dijkwoningen ook grotere bouwhoogtes dan 4 meter toestaan, bestond geen aanleiding om voor de voorziene dijkwoningen slechts aansluiting te zoeken bij een maximale goothoogte van 4 meter. Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

2.10.4. Vanwege de specifieke kenmerken van de Veendijk wat betreft zichtrelaties, ruimtelijke en functionele hoofdstructuur is voor dit gebied het stedenbouwkundig toetsingskader vastgesteld. Hierin staat voor nieuwe woningen aan de Veenweg (lint) onder meer dat de woningen maximaal twee verdiepingen hoog mogen zijn met een kap met overstek. De goothoogte bedraagt maximaal 6 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 9 meter, aldus het stedenbouwkundig toetsingskader. Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder f, van de voorschriften van het uitwerkingsplan bedraagt de maximaal toegestane bouwhoogte 9 meter en de maximaal toegestane goothoogte 6 meter indien een maximaal aantal bouwlagen van drie is toegestaan. Gelet hierop zijn de voorschriften in het uitwerkingsplan met betrekking tot de maximale bouwhoogte in overeenstemming met het stedenbouwkundig toetsingskader en heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de maximale hoogte van de dijkwoningen in overeenstemming is met de specifieke kenmerken van de Veendijk.

2.10.5. De Afdeling overweegt voorts dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Het college van burgemeester en wethouders kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. [appellant sub 1] kan derhalve geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht. Niet ontkend kan worden dat de dijkwoningen, mede gelet op de ligging ervan op de dijk, invloed zullen hebben op het uitzicht van [appellant sub 1] vanuit zijn woning. Gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] aan de Arenastraat en de voorziene dijkwoningen van ongeveer 25 meter, heeft het college van gedeputeerde staten deze invloed op het uitzicht als gevolg van het plan in redelijkheid niet onevenredig nadelig behoeven te achten.

2.10.6. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] omtrent de bijgebouwen, overweegt de Afdeling dat, anders dan [appellant sub 1] betoogt, uit de op de kaarten 2 en 2a van het bestemmingsplan weergegeven aanwijzingen met betrekking tot de zichtrelaties en de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur niet voortvloeit dat bijgebouwen uitsluitend geïntegreerd zouden moeten zijn toegestaan. Voorts overweegt de Afdeling dat in het uitwerkingsplan bij acht van de negen dijkwoningen de bijgebouwen geïntegreerd zijn opgenomen, zodat in zoverre aan de wens van [appellant sub 1] tegemoet wordt gekomen. Voor zover bij één dijkwoning de bijgebouwen niet geïntegreerd zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat gelet op de situering van het betreffende bouwvlak op de plankaart, het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook daar de zichtlijnen behouden blijven.

Flora en fauna

2.11. [appellant sub 1] betoogt verder dat de gronden waarop de dijkwoningen zijn voorzien de functie van ecologische verbindingszone hebben en dat de realisatie van de dijkwoningen een negatief effect zal hebben op het ecologisch systeem. Dit is volgens [appellant sub 1] in strijd met de uitwerkregels in het bestemmingsplan. Voorts betwijfelt [appellant sub 1] of de in de toelichting op het uitwerkingsplan genoemde ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kunnen worden verleend.

2.11.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat aan de gronden waarop de dijkwoningen zijn voorzien geen bijzondere natuurlijke waarden zijn toegekend en dat op de desbetreffende kaart in het bestemmingsplan slechts structuren met een globaal karakter zijn aangegeven. Voorts zijn er, met uitzondering van enkele broedvogels, in het gebied waar de negen dijkwoningen zijn voorzien geen beschermde diersoorten aangetroffen. Nu de werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden, is geen ontheffing van de Ffw nodig, aldus het college van gedeputeerde staten in navolging van het college van burgemeester en wethouders.

2.11.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] omtrent de ligging van het plangebied van het uitwerkingsplan in een ecologische verbindingszone overweegt de Afdeling als volgt.

Op kaart 2a van het bestemmingsplan zijn de gronden waarop de woningen zijn voorzien aangeduid als groene verbinding met ecologische waarden.

Ingevolge artikel 1, onder A, sub 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan dienen bij de uitwerking en realisering van het plan de op de kaarten 2 tot en met 6 gegeven aanwijzingen in acht te worden genomen onder andere met betrekking tot de zichtrelaties en de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur (kaart 2 en 2a). De genoemde aanwijzingen geven structuren aan en hebben dus een globaal karakter, met uitzondering van de waterkering en leidingen.

Gelet op de omstandigheid dat kaart 2a een globaal karakter heeft, heeft het college van burgemeester en wethouders hier nadere invulling aan kunnen geven. In dit verband heeft het college van burgemeester en wethouders zich op het standpunt gesteld dat de Veenwegwatering en haar oevers alsmede de waterloop tussen de Veenwegwatering en de Arenastraat als zones van enige ecologische betekenis worden gerekend wegens de daar voorkomende waarden. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten hiermee niet heeft kunnen instemmen. Voorts zullen blijkens de toelichting op het uitwerkingsplan in voornoemde wateren waar mogelijk natuurlijke oevers worden aangelegd en zullen bruggen en waterkeringen zodanig worden uitgevoerd dat er routes voor kleine landdieren mogelijk zijn. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het uitwerkingsplan in strijd is met het bepaalde in artikel 1, onder A, sub 6, van de voorschriften van het bestemmingsplan inhoudende dat de continuïteit van onder meer de Veenwegzone als verbinding met een ecologische betekenis zoveel mogelijk dient te worden gewaarborgd.

2.11.3. Ten behoeve van het plan is door Buro Bakker adviesburo voor ecologie onderzoek gedaan naar de flora en fauna in het gebied. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Verkenning Flora- en faunawet voor de aanleg van Veenweg Noord te Leidschenveen", gedateerd februari 2006.

In dit ecologisch onderzoek staat dat in het gebied diverse vogelsoorten voorkomen en dat deze vogels tijdens het broedseizoen van half maart tot en met juli dienen te worden ontzien. Slechts indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen zullen plaatsvinden, is ontheffing krachtens de Ffw noodzakelijk, aldus het ecologisch onderzoek.

Voorts is door Groen Team de nabijgelegen Veenwegwatering onderzocht op beschermde plant- en diersoorten. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Onderzoekslocatie Veenweg-Noord te Leidschenveen, Natuurinventarisatie t.b.v. realisatie nieuwbouw en infrastructuur", gedateerd 8 juli 2006. In dit rapport staat dat de kleine modderkruiper in de Veenwegwatering is aangetroffen en dat een ontheffing van de Ffw nodig is als werkzaamheden aan de oevers en watergangen worden uitgevoerd. Dit geldt ook voor de bouw van een alternatieve waterkering in verband met de bouw van de dijkwoningen. Werkzaamheden ten behoeve van de alternatieve waterkering dienen buiten het broedseizoen van half april tot eind juli plaats te vinden.

2.11.4. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, voor zover hier van belang, kan ontheffing worden verleend van het bepaalde bij de artikelen 10 en 11 van die wet.

2.11.5. De vraag of voor de uitvoering van het uitwerkingsplan een ontheffing voor broedvogels en de kleine modderkruiper op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college van gedeputeerde staten geen goedkeuring aan het uitwerkingsplan had kunnen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Gelet op de conclusies uit de voornoemde ecologische rapporten leidt de enkele stelling van [appellant sub 1] dat hij twijfelt of de ontheffingen kunnen worden verleend er niet toe dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan in de weg zal staan.

Financiële uitvoerbaarheid

2.12. [appellant sub 1] betwijfelt of het plan financieel uitvoerbaar is, omdat dit afhankelijk is van de uit te geven woningen. Voorts is volgens hem niet duidelijk of de gemeente Den Haag een financiële bijdrage levert en of rekening is gehouden met het Europese aanbestedingsrecht en planschadeclaims.

2.12.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat de kavels in het uitwerkingsplan al zijn uitgegeven aan particulieren en dat derhalve de financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan is gewaarborgd. Tevens zal rekening worden gehouden met het aanbestedingsrecht, is geen sprake van verboden steunmaatregelen en zijn middelen gereserveerd om te voldoen aan eventuele planschadeclaims.

2.12.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dient het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het grondgebied van de gemeente onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Uit het tweede lid volgt dat het in het eerste lid bedoelde onderzoek bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan van stonde af aan mede betrekking dient te hebben op de uitvoerbaarheid van het plan.

2.12.3. Blijkens de toelichting op het uitwerkingsplan geschiedt de exploitatie van het plangebied in het kader van een publiekprivate samenwerking tussen de gemeente Den Haag en het Ontwikkelingsbedrijf Leidschenveen Beheer B.V.. Tijdens de planprocedure voor het bestemmingsplan is een eerste algemene exploitatieopzet opgesteld, welke inzicht biedt in de haalbaarheid en de realisatiekansen van de nieuwbouwlocatie. Uit deze opzet kan volgens de plantoelichting worden afgeleid dat de exploitatie van Leidschenveen voor de gemeente geen onaanvaardbare risico's met zich brengt en dat tegen het voornemen derhalve uit financieel oogpunt geen bezwaren bestaan. Het uitwerkingsplan valt binnen de kaders van de grondexploitatie, die volgens de toelichting op het uitwerkingsplan positief is. De grondexploitatie van Leidschenveen wordt jaarlijks herzien, aldus de toelichting op het uitwerkingsplan.

2.12.4. Gelet op hetgeen in de plantoelichting is vermeld en het onweersproken standpunt van het college van gedeputeerde staten dat de kavels binnen het uitwerkingsplan reeds zijn uitgegeven aan particulieren, ziet de Afdeling in hetgeen door [appellant sub 1] is aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten aan de financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan had moeten twijfelen of dat sprake is van een vermoeden van een verboden steunmaatregel. Voorts kan de mogelijke verplichting tot aanbesteding van de uitvoering van het uitwerkingsplan in het algemeen op zichzelf niet in de weg staan aan de financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift noch ter zitting een begin van een motivering gegeven waarin dat in dit geval anders zou moeten zijn.

2.13. [appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze en eerder in geding gebrachte stukken.

In de zienswijzenota en de behandeling van de inspraakreacties is ingegaan op de zienswijze en de andere door [appellant sub 1] in geding gebrachte stukken. Het college van gedeputeerde staten heeft vervolgens met de beantwoording van de zienswijze ingestemd.

[appellant sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren onjuist zou zijn.

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Proceskosten

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het door anderen is ingediend dan [appellant sub 2];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend door [appellante sub 1 A], [appellante sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellante sub 1 D], [appellant sub 1 E], [appellante sub 1 F], [appellant sub 1 G], [appellante sub 1 H], [appellante sub 1 I], [appellant sub 1 J] en [appellante sub 1 K];

III. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010

533.