Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
201002387/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4914, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen / Niet-ontvankelijk / Geen ingebrekestelling heeft plaatsgevonden

In het beroepschrift is geen melding gemaakt van een in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb bedoelde ingebrekestelling. Evenmin is door de vreemdeling een ingebrekestelling als processtuk ingezonden. Ook de minister heeft desverzocht niet een ingebrekestelling ingezonden noch anderszins daarvan gewag gemaakt. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de vreemdeling, alvorens beroep in te stellen, geen ingebrekestelling heeft verzonden. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het in gebreke stellen redelijkerwijs niet van de vreemdeling kan worden gevergd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002387/1/V2.

Datum uitspraak: 27 mei 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2008, heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), in het kader van het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 25 november 2009, verzonden op dezelfde dag, in zaak nr. 08/17542, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door de vreemdeling tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat de staatssecretaris binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 december 2009, heeft de staatssecretaris tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld (zaak nr. 200910155/1/V2).

Bij brief, na doorzending door de rechtbank bij de Raad van State binnengekomen op 10 maart 2010, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Bij brief, na doorzending door de rechtbank bij de Raad van State binnengekomen op 10 maart 2010, heeft de vreemdeling een nadere uiteenzetting ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is een beroep indien dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet aan een termijn gebonden.

Ingevolge het tweede lid kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge het derde lid kan, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

2.2. In het beroepschrift is geen melding gemaakt van een in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb bedoelde ingebrekestelling. Evenmin is door de vreemdeling een ingebrekestelling als processtuk ingezonden. Ook de minister heeft desverzocht niet een ingebrekestelling ingezonden noch anderszins daarvan gewag gemaakt. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de vreemdeling, alvorens beroep in te stellen, geen ingebrekestelling heeft verzonden. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het in gebreke stellen redelijkerwijs niet van de vreemdeling kan worden gevergd.

2.3. Het beroep is kennelijk niet ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2010

418-657.

Verzonden: 27 mei 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser