Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200907959/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college aan de Amsterdamse Stichtingen voor Katholiek Onderwijs (hierna: ASKO) reguliere bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een schoolgebouw op het perceel Papegaaistraat 4 te Badhoevedorp ter vervanging van vier noodlokalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/2061 met annotatie van R. Sieben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907959/1/H1.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellanten]) en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 september 2009 in zaak nr. 08/7104 in het geding tussen:

[appellanten] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college aan de Amsterdamse Stichtingen voor Katholiek Onderwijs (hierna: ASKO) reguliere bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een schoolgebouw op het perceel Papegaaistraat 4 te Badhoevedorp ter vervanging van vier noodlokalen.

Bij besluit van 4 september 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellanten] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dit besluit herroepen, de bezwaren van [appellanten] en anderen tegen de op 22 augustus 2007 van rechtswege verleende bouwvergunning voor het uitbreiden van een schoolgebouw op het perceel ter vervanging van vier noodlokalen, onder wijziging van de motivering daarvan, ongegrond verklaard en ontheffing verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

Bij uitspraak van 3 september 2009, verzonden op 10 september 2009, heeft de rechtbank het door [appellanten] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met het hoger beroep in zaak nr. 200907993/1/H1 behandeld op 29 april 2010, waar [appellanten] en anderen, waarvan [appellant A] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.P. Smal-Huijbregts en R. van Ooijen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting ASKO, vertegenwoordigd door mr. P.L.J.V. Koonen, Ing. W.G. Keizer en H. Smit, als belanghebbende gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover thans van belang, wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de naam en het adres van de indiener.

Ingevolge artikel 6:6, voor zover thans van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. Door mr. C.P.A.T. van Goethem is hoger beroep ingesteld namens [appellanten] en anderen, zonder de identiteit van de anderen kenbaar te maken. Voor de Afdeling was na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet duidelijk welke de identiteit is van degenen namens wie mede hoger beroep is ingesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 mei 2005 in zaak nr. 200408382/1), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. Gelet hierop is het hoger beroep, voor zover ingesteld door anderen, niet-ontvankelijk.

2.3. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de Dr. Plesmanschool. Deze school heeft een locatie aan de Papegaaistraat en een aan de Arendstraat te Badhoevedorp. De locatie aan de Papegaaistraat bestaat uit een gebouw met zes permanente lokalen en zes lokalen voor tijdelijk gebruik. De locatie aan de Arendstraat bestaat uit vier lokalen voor tijdelijk gebruik. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de locatie aan de Papegaaistraat door middel van een tweede bouwlaag. Over de bestaande bouwlaag wordt een zogenoemde tafelconstructie geplaatst, waarbij de nieuwe bouwlaag aan de onderzijde van het tafelblad, dat tevens het dak vormt, wordt gehangen. De tweede bouwlaag voorziet in zes permanente lokalen. Het blad van de tafelconstructie steunt op zuilen en is voorzien van een overstek ten opzichte van de buitenzijde van die zuilen. De vier lokalen aan de Arendstraat komen te vervallen. Voorts zullen twee lokalen voor tijdelijk gebruik aan de Papegaaistraat worden gesloopt. Per saldo zal de locatie aan de Papegaaistraat met vier lokalen worden uitgebreid.

2.4. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

2.5. [appellanten] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan zal leiden tot een overschrijding van het maximale bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 5, onder a, van het bestemmingsplan "Badhoevedorp". Daartoe voert hij aan dat het college ten onrechte de kadastrale percelen H9934 en H9935 tezamen als het te dezen relevante bouwperceel heeft aangemerkt en dat het college voor de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel het deel van perceel H9935 dat door de Cirkel in gebruik is genomen, buiten beschouwing had moeten laten. Verder voert hij aan dat het college ten onrechte de oppervlakte van de bestaande schoolgebouwen, voor zover die zijn gelegen op het aangrenzende perceel H9936, niet in aanmerking heeft genomen bij de berekening van de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel en dat het college ten onrechte de overstekende rand van het tafelblad van de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel heeft afgetrokken.

2.5.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Badhoevedorp" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Openbare en bijzondere gebouwen met bijbehorende terreinen".

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen" aangewezen gronden bestemd voor scholen, met de daarvoor nodige bouwwerken, één en ander met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte per bouwperceel niet meer mag bedragen dan het op de plankaart aangegeven percentage van de voor bebouwing aangewezen oppervlakte.

Op grond van de plankaart mag de bebouwde oppervlakte per bouwperceel niet meer bedragen dan 40% van de voor bebouwing aangewezen oppervlakte.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige bebouwing met één gebouw of bij elkaar behorende gebouwen is toegestaan.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 2, wordt bij de toepassing van deze voorschriften de oppervlakte van gebouwen gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en de harten van scheidsmuren.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 mei 2004 in zaak nr. 200305777/1), is bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan is voorzien. Het bouwplan is voorzien op het kadastrale perceel H9935. Het college heeft de kadastrale percelen H9935 en het aangrenzende H9934 echter tezamen mogen aanmerken als één bouwperceel. Voor de vraag of sprake is van één bouwperceel, als bedoeld in artikel 1, onder f, van de planvoorschriften, is immers tevens van belang of sprake is van één eigenaar en/of van bij elkaar behorende bebouwing. Indien dat het geval is kan dat tot gevolg hebben dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel worden aangemerkt. Die situatie doet zich hier voor, nu beide percelen eigendom zijn van ASKO en het op het kadastrale perceel H9934 liggende schoolplein behoort bij de op het kadastrale perceel H9935 staande school.

Anders dan [appellanten] betoogt, kan tot het bouwperceel ook worden gerekend het deel van het kadastrale perceel H9935 dat door het naastgelegen gezinsvervangend tehuis De Cirkel in gebruik is genomen. Uit de tekeningen die behoren bij de bij besluit van 21 juli 1995 aan De Cirkel verleende bouwvergunning, volgt dat het tehuis geheel op het eigen perceel van De Cirkel is vergund. Er bestaan geen aanwijzingen dat het deel van het kadastrale perceel H9935 dat thans door De Cirkel, al dan niet met toestemming van ASKO, in gebruik is genomen, reeds in aanmerking is genomen bij voormeld besluit van 21 juli 1995 en derhalve bij onderhavige bouwvergunning geen onderdeel meer mag uitmaken van het bouwperceel.

Anders dan [appellanten] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de oppervlakte van de bestaande schoolgebouwen, voor zover die zijn gelegen op het kadastrale perceel H9936, bij de berekening van de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel diende te betrekken. Uit artikel 5, aanhef en onder a, van de planvoorschriften volgt dat voor de bepaling van het maximale bebouwingspercentage alleen de bebouwing per bouwperceel in aanmerking komt. Aangezien perceel H9936, dat geen eigendom is van ASKO, niet tot het bouwperceel behoort, behoeft de daarop staande bebouwing niet in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel.

Uit artikel 2, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften volgt dat voor het berekenen van de oppervlakte van gebouwen buitenwerks dient te worden gemeten. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt mee dat daarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard buiten beschouwing blijven, omdat voor de toepassing van de planvoorschriften de bebouwde oppervlakte, dat wil zeggen het gedeelte dat verbonden is met de grond, bepalend is. In dit geval kunnen de overstekken, dat wil zeggen de randen van het tafelblad die zijn gelegen buiten het denkbeeldige gevelvlak tussen de buitenkant van de zuilen, gelet op de omvang van het gebouw als van ondergeschikte aard worden aangemerkt, zodat zij voor de berekening van de oppervlakte van de bebouwing buiten beschouwing kunnen blijven. De verwijzing door [appellanten] naar de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200800912/1 treft geen doel. In deze uitspraak was niet de vraag aan de orde of de overkapping als van ondergeschikte aard kon worden aangemerkt, doch of de overkapping, hoewel onderdeel van het bouwplan, los daarvan als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet kon worden aangemerkt.

Onderdeel van het bouwplan waarvoor onderhavige bouwvergunning is verleend, betreft de sloop van een fietsenstalling en twee lokalen voor tijdelijk gebruik aan de Papegaaistraat. Anders dan [appellanten] betoogt, behoeft de oppervlakte daarvan dan ook niet te worden betrokken bij de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel.

Het betoog faalt.

2.6. [appellanten] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich niet op grond van de adviezen van de Commissie Haarlemmermeer van Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie) van 13 juni 2007 en 4 januari 2008 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan ten onrechte is getoetst aan de algemene criteria uit de Welstandsnota Haarlemmermeer (hierna: de welstandsnota). Volgens [appellanten] had het bouwplan getoetst moeten worden aan de gebiedsgerichte criteria voor dorpsuitbreiding Badhoevedorp.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derdebelanghebbende.

Aan het besluit op bezwaar heeft het college de positieve adviezen van de welstandscommissie van 13 juni 2007 en 4 januari 2008 ten grondslag gelegd. Uit laatstgenoemd advies volgt dat de welstandscommissie van mening is dat de in de welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte criteria geen geschikt toetsingskader voor het bouwplan vormen. De welstandscommissie heeft hierin aanleiding gezien het bouwplan te toetsen aan de algemene welstandscriteria. Anders dan [appellanten] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de welstandscommissie dat in onderhavige zaak niet heeft kunnen doen. De gebiedsgerichte criteria voor dorpsuitbreiding Badhoevedorp hebben betrekking op woningen, zodat deze criteria naar hun aard niet toepasbaar zijn op het in onderhavige zaak aan de orde zijnde schoolgebouw. De welstandscommissie heeft hierin aanleiding mogen zien het bouwplan te toetsen aan de algemene welstandscriteria uit de welstandsnota. De verwijzing door [appellanten] naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2009 in zaak nr. 200805782/1 treft geen doel, nu het in die zaak, anders dan in deze zaak, ging om een gebouw met woonappartementen.

Nu [appellanten] geen advies van een ander deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd, er voorts geen grond bestaat voor het oordeel dat de adviezen van 13 juni 2007 en 4 april 2008 naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het college deze adviezen niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, en [appellanten] verder niet gemotiveerd heeft aangevoerd dat deze adviezen in strijd zijn met de algemene welstandscriteria uit de welstandsnota, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college voormelde adviezen niet aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is, voor zover ingesteld door [appellanten], ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door anderen, niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

531.