Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200907993/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college aan de Amsterdamse Stichtingen voor Katholiek Onderwijs (hierna: ASKO) reguliere bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een schoolgebouw op het perceel Papegaaistraat 4 te Badhoevedorp ter vervanging van vier noodlokalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907993/1/H1.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 september 2009 in zaak nr. 08/7073 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college aan de Amsterdamse Stichtingen voor Katholiek Onderwijs (hierna: ASKO) reguliere bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een schoolgebouw op het perceel Papegaaistraat 4 te Badhoevedorp ter vervanging van vier noodlokalen.

Bij besluit van 4 september 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dit besluit herroepen, de bezwaren van [appellant A] en anderen tegen de op 22 augustus 2007 van rechtswege verleende bouwvergunning voor het uitbreiden van een schoolgebouw op het perceel ter vervanging van vier noodlokalen, onder wijziging van de motivering daarvan, ongegrond verklaard en ontheffing verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

Bij uitspraak van 3 september 2009, verzonden op 10 september 2009, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met het hoger beroep in zaak nr. 200907959/1/H1 behandeld op 29 april 2010, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.M. Smits, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.P. Smal-Huijbregts en R. van Ooijen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting ASKO, vertegenwoordigd door mr. P.L.J.V. Koonen, Ing. W.G. Keizer en H. Smit, als belanghebbende gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover thans van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bewaar heeft gemaakt.

[appellant B] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 september 2007. Gesteld noch gebleken is dat dit hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb had de rechtbank [appellant B] dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beroep.

2.2. Het betoog van [appellant A] dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, omdat deze niet is gedaan door een onpartijdige rechter, faalt. De omstandigheid dat [appellant A] zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de overwegingen van de rechtbank zijn toegeschreven naar het oordeel van de rechtbank dat haar beroep ongegrond is, behelst geen enkele concrete indicatie dat de rechtbank niet onafhankelijk en onpartijdig is geweest in haar oordeelsvorming.

2.3. Het betoog van [appellant A] dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten, faalt eveneens. De Dr. Plesmanschool heeft een locatie aan de Papegaaistraat en een aan de Arendstraat te Badhoevedorp. De locatie aan de Papegaaistraat bestaat uit een gebouw met zes permanente lokalen en zes lokalen voor tijdelijk gebruik. De locatie aan de Arendstraat bestaat uit vier lokalen voor tijdelijk gebruik. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de locatie aan de Papegaaistraat door middel van een tweede bouwlaag. Over de bestaande bouwlaag wordt een zogenoemde tafelconstructie geplaatst, waarbij de nieuwe bouwlaag aan de onderzijde van het tafelblad, dat tevens het dak vormt, wordt gehangen. De tweede bouwlaag voorziet in zes permanente lokalen. Het blad van de tafelconstructie steunt op zuilen en is voorzien van een overstek ten opzichte van de buitenzijde van die zuilen. De vier lokalen aan de Arendstraat komen te vervallen. Voorts zullen twee lokalen voor tijdelijk gebruik aan de Papegaaistraat worden gesloopt. De rechtbank is terecht van deze feiten uitgegaan. De enkele omstandigheid dat de rechtbank heeft overwogen dat de locatie aan de Papegaaistraat per saldo met twee in plaats van vier lokalen zal worden uitgebreid, leidt niet tot een ander oordeel.

2.4. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

2.5. [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid ontheffing van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening heeft kunnen verlenen. Daartoe voert zij aan dat de gronden waarop de 26 parkeerplaatsen zijn aangelegd, bij de omlegging van de A9 een andere bestemming zullen krijgen en dat daarmee de parkeerplaatsen zullen verdwijnen.

2.5.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de Bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

2.5.2. Niet in geschil is dat de twintig parkeerplaatsen die nodig zijn voor de uitbreiding van de Dr. Plesmanschool, niet op eigen perceel kunnen worden gerealiseerd, zodat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Teneinde realisering daarvan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening ontheffing verleend van het bepaalde in het eerste lid.

Gelet op de omstandigheid dat op een afstand van 70 m van het bouwplan 26 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd en aldus op een andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. In de vrees van [appellant A] dat de gronden waarop deze parkeerplaatsen zijn gerealiseerd een andere bestemming zullen krijgen als gevolg van de omlegging van de A9, behoefde het college in redelijkheid geen aanleiding te zien ontheffing te weigeren, reeds omdat dit een onzekere, toekomstige gebeurtenis betreft.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant A] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan zal leiden tot een overschrijding van het maximale bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 5, onder a, van het bestemmingsplan "Badhoevedorp". Daartoe voert zij aan dat het college ten onrechte de kadastrale percelen H9934 en H9935 tezamen als het te dezen relevante bouwperceel heeft aangemerkt en dat het college ten onrechte de oppervlakte van de bestaande schoolgebouwen, voor zover die zijn gelegen op het aangrenzende perceel H9936, niet in aanmerking heeft genomen bij de berekening van de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel. Ten aanzien van deze klachten heeft de rechtbank zich volgens [appellant A] ten onrechte gebonden geacht aan de uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2006 (LJN: AY0292). Verder voert zij aan dat het college voor de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel het deel van perceel H9935 dat door de Cirkel in gebruik is genomen, buiten beschouwing had moeten laten.

2.6.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Badhoevedorp" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Openbare en bijzondere gebouwen met bijbehorende terreinen".

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen" aangewezen gronden bestemd voor scholen, met de daarvoor nodige bouwwerken, één en ander met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte per bouwperceel niet meer mag bedragen dan het op de plankaart aangegeven percentage van de voor bebouwing aangewezen oppervlakte.

Op grond van de plankaart mag de bebouwde oppervlakte per bouwperceel niet meer bedragen dat 40% van de voor bebouwing aangewezen oppervlakte.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige bebouwing met één gebouw of bij elkaar behorende gebouwen is toegestaan.

2.6.2. Anders dan [appellant A] betoogt, heeft de rechtbank niet uitsluitend vanwege de omstandigheid dat haar eerdere uitspraak van 22 juni 2006 in rechte vast is komen te staan, aanleiding gezien zich gebonden te achten aan die uitspraak. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel, nu het onderhavige bouwplan geen wijziging heeft ondergaan ten opzichte van het in voormelde uitspraak aan de orde zijnde bouwplan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 mei 2004 in zaak nr. 200305777/1), is bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan is voorzien. Het bouwplan is voorzien op het kadastrale perceel H9935. Het college heeft de kadastrale percelen H9935 en het aangrenzende H9934 echter tezamen mogen aanmerken als één bouwperceel. Voor de vraag of sprake is van één bouwperceel, als bedoeld in artikel 1, onder f, van de planvoorschriften, is immers tevens van belang of sprake is van één eigenaar en/of van bij elkaar behorende bebouwing. Indien dat het geval is kan dat tot gevolg hebben dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel worden aangemerkt. Die situatie doet zich hier voor, nu beide percelen eigendom zijn van ASKO en het op het kadastrale perceel H9934 liggende schoolplein behoort bij de op het kadastrale perceel H9935 staande school.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat tot het bouwperceel ook kan worden gerekend het deel van het kadastrale perceel H9935 dat door het naastgelegen gezinsvervangend tehuis De Cirkel in gebruik is genomen. Uit de tekeningen die behoren bij de bij besluit van 21 juli 1995 aan De Cirkel verleende bouwvergunning, volgt dat het tehuis geheel op het eigen perceel van De Cirkel is vergund. Er bestaan geen aanwijzingen dat het deel van het kadastrale perceel H9935 dat thans door De Cirkel, al dan niet met toestemming van ASKO, in gebruik is genomen, reeds in aanmerking is genomen bij voormeld besluit van 21 juli 1995 en derhalve bij onderhavige bouwvergunning geen onderdeel meer mag uitmaken van het bouwperceel.

Anders dan [appellant A] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de oppervlakte van de bestaande schoolgebouwen, voor zover die zijn gelegen op het kadastrale perceel H9936, bij de berekening van de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel diende te betrekken. Uit artikel 5, aanhef en onder a, van de planvoorschriften volgt dat voor de bepaling van het maximale bebouwingspercentage alleen de bebouwing per bouwperceel in aanmerking komt. Aangezien perceel H9936, dat geen eigendom is van ASKO, niet tot het bouwperceel behoort, behoeft de daarop staande bebouwing niet in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant A] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich niet op grond van de adviezen van de Commissie Haarlemmermeer van Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie) van 13 juni 2007 en 4 januari 2008 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert zij aan dat het bouwplan ten onrechte is getoetst aan de algemene criteria uit de Welstandsnota Haarlemmermeer (hierna: de welstandsnota). Volgens [appellant A] had het bouwplan getoetst moeten worden aan de gebiedsgerichte criteria voor dorpsuitbreiding Badhoevedorp.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derdebelanghebbende.

Aan het besluit op bezwaar heeft het college de positieve adviezen van de welstandscommissie van 13 juni 2007 en 4 januari 2008 ten grondslag gelegd. Uit laatstgenoemd advies volgt dat de welstandscommissie van mening is dat de in de welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte criteria geen geschikt toetsingskader voor het bouwplan vormen. De welstandscommissie heeft hierin aanleiding gezien het bouwplan te toetsen aan de algemene welstandscriteria. Anders dan [appellant A] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de welstandscommissie dat in onderhavige zaak niet heeft kunnen doen. De gebiedsgerichte criteria voor dorpsuitbreiding Badhoevedorp hebben betrekking op woningen, zodat deze criteria naar hun aard niet toepasbaar zijn op het in onderhavige zaak aan de orde zijnde schoolgebouw. De welstandscommissie heeft hierin aanleiding mogen zien het bouwplan te toetsen aan de algemene welstandscriteria uit de welstandsnota.

Nu [appellant A] geen advies van een ander deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd, er voorts geen grond bestaat voor het oordeel dat de adviezen van 13 juni 2007 en 4 april 2008 naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het college deze adviezen niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, en [appellant A] verder niet gemotiveerd heeft aangevoerd dat deze adviezen in strijd zijn met de algemene welstandscriteria uit de welstandsnota, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college voormelde adviezen niet aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 4 september 2008, voor zover ingesteld door [appellant B], alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellanten] betaalde griffierecht door het college moet worden vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van die wet - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellanten] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 september 2009 in zaak nr. 08/7073, voor zover daarbij het beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

531.