Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200908749/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college aan [vergunninghoudsters] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 28 woningen met bijgebouwen op een perceel aan de Brummelhof te Azewijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908749/1/H1.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 oktober 2009 in zaak nr. 08/2030 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college aan [vergunninghoudsters] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 28 woningen met bijgebouwen op een perceel aan de Brummelhof te Azewijn.

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.

Bij uitspraak van 6 juni 2008 in zaak nr. 07/1425 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het zich richt tegen bebouwing tot een hoogte van 11 m op de woonblokken 1 en 2, het besluit van 10 juli 2007 in zoverre vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 12 december 2006 gemaakte bezwaar opnieuw deels gegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. L.Th.B. Grob, advocaat te Doetinchem, en het college, vertegenwoordigd door N.T.W.M. Horstik en drs. B. Eising, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan, dat bestaat uit een aantal blokken met in totaal 28 woningen, is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Kom Azewijn 1984" en "Buitengebied 2000, herziening 2002". Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.2. Voor zover [appellant] in hoger beroep betoogt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, wordt overwogen dat de rechtbank dat betoog bij de uitspraak van 6 juni 2008 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Nu [appellant] daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, dient te worden uitgegaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan aan die eisen voldoet. Als gevolg van die uitspraak is het geschil thans beperkt tot de hoogte van de woningen op de blokken 1 en 2.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Volgens hem heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd waarom de maximale hoogte van de woningen, ongeveer 11 m, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar moet worden geacht. In dat verband voert hij aan dat het bouwplan een ingrijpende inbreuk op de planologische situatie maakt, zodat aan de ruimtelijke onderbouwing zware eisen moeten worden gesteld.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705403/1), behoeven, naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van een project. De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 juni 2008 overwogen dat het bouwplan een aanzienlijke inbreuk maakt op de bestaande planologische situatie. In zoverre kan [appellant] dan ook worden gevolgd in zijn betoog, dat aan de ruimtelijke onderbouwing hoge eisen moeten worden gesteld.

Echter, anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar voormelde uitspraak overwogen dat het bestuursorgaan bij de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, beoordelingsvrijheid toekomt. De rechtbank heeft de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, terecht terughoudend getoetst.

2.3.2. Aan het nieuwe besluit op bezwaar van 7 oktober 2008 heeft het college een door hem gevraagd advies van Amer Adviseurs B.V. van 1 oktober 2008 ten grondslag gelegd, waarin uiteen wordt gezet waarom een maximale hoogte van 11 m uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het college dat besluit aldus voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college zich, onder verwijzing naar dat advies, op het standpunt heeft mogen stellen dat het verschil tussen woningen met een maximale hoogte van 9 m, ingevolge de in de gemeente Montferland geldende bestemmingsplannen een gangbare hoogte, en de in de blokken 1 en 2 voorziene woningen, waarvan een gedeelte ongeveer 9,5 m hoog is en een gedeelte ongeveer 11 m, niet dermate groot is, dat moet worden geconcludeerd dat door realisering van het bouwplan een ruimtelijk gezien onaanvaardbare situatie ontstaat. In dat verband mocht het college betekenis toekennen aan de omstandigheid dat in de nabije omgeving een pastoriewoning en een kerk zijn gelegen met een goothoogte van respectievelijk 8 m en 10 m en een nokhoogte van respectievelijk 12 m en 16 m. Voorts mocht het college zich, onder verwijzing naar het advies, op het standpunt stellen dat met het voorliggende bouwplan een samenspel van langs- en dwarskappen wordt gecreƫerd waardoor de woningen een uitstraling krijgen die past bij het dorpse karakter van Azewijn. De stelling van [appellant] dat op twee locaties in Azewijn lange en eenvormige gevels voorkomen, zodat voormeld samenspel niet nodig is, doet aan dat standpunt niet af.

Voor zover [appellant] aanvoert dat het voorontwerp-bestemmingsplan "Kom Azewijn Brummelhof", dat voorziet in woningbouw op het perceel, niet op deugdelijke wijze tot stand is gekomen, wordt dit buiten beschouwing gelaten, nu de wijze van totstandkoming van dat voorontwerp niet ter toetsing voorligt. In deze procedure is de vraag aan de orde, of het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de in het bouwplan voorziene maximale bouwhoogte van 11 m aanvaardbaar is. Zoals hiervoor is overwogen, moet die vraag bevestigend worden beantwoord.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan leidt tot een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat en het college derhalve niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.4.1. Het besluit al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter het besluit terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag, of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit de vrijstelling al dan niet te verlenen.

2.4.2. Hoewel het bouwplan mogelijk als gevolg heeft dat het woongenot van [appellant] wordt aangetast, heeft hij, mede gezien de afstand tussen zijn woning en de nieuwe woningen, niet aannemelijk gemaakt dat die aantasting van dien aard is, dat een onaanvaardbare situatie ontstaat en het college derhalve niet in redelijkheid groter gewicht heeft mogen hechten aan de belangen bij verlening van de vrijstelling voor het oprichten van de woningen dan aan de belangen bij weigering daarvan.

Voor zover [appellant] klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat alternatieven bestaan voor het bouwplan, leidt dat niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 februari 2006 in zaak nr. 200505109/1), diende het college te besluiten over het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Die situatie doet zich hier niet voor, reeds omdat het Gelders Genootschap in haar advies van 11 maart 2009 heeft aangegeven dat de drie door [appellant] aangedragen alternatieve bouwplannen als een achteruitgang van de architectonische kwaliteit van Azewijn worden ervaren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

457.