Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200908860/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een standplaatsvergunning voor onder meer donderdag 22 mei 2008 en donderdag 19 juni 2008 ten behoeve van het graveren van kentekens en het repareren van voorruiten op het Normandiaplein te Sneek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908860/1/H3.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats], handelend onder de naam Kenmerk Autoruitenservice,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 oktober 2009 in zaak nr. 08/2740 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sneek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een standplaatsvergunning voor onder meer donderdag 22 mei 2008 en donderdag 19 juni 2008 ten behoeve van het graveren van kentekens en het repareren van voorruiten op het Normandiaplein te Sneek afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door F. Nijp en mr. I. Wietsma-Warnaar, beiden werkzaam bij de gemeente Sneek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder c, van de Markt- en Standplaatsenverordening Sneek 1999 (hierna: de verordening) wordt in deze verordening verstaan onder standplaats: de ruimte die nodig is voor het uitoefenen van de markt- of straathandel, het verlenen van diensten.

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden dan wel diensten aan te bieden;

b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder d, kan een vergunning, bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid.

Het beleid van het college met betrekking tot het verlenen en weigeren van standplaatsvergunningen buiten de markt is neergelegd in de Notitie Straathandel 2005 (hierna: de notitie).

Volgens de notitie is een nadere invulling van de weigeringsgronden van artikel 3.1, zesde lid, van de verordening onder meer: verkeersdoorstroming, verkeersveiligheid en brandveiligheid. Ten aanzien van die nadere invulling kan volgens de notitie onder meer als beleidslijn worden gehanteerd: geen standplaats op een parkeerterrein of parkeerplaats, tenzij vaststaat dat er voldoende overschot aan parkeerruimte is.

2.2. Het college heeft aan de weigering het gemeentelijke standplaatsenbeleid ten grondslag gelegd en overwogen dat uit de Parkeertellingen 2005-2008 blijkt dat de parkeerbezettingsgraad op het Normandiaplein op donderdagmiddag en donderdagavond rond de 90% ligt, waaruit volgt dat er op donderdagen onvoldoende overschot aan parkeerruimte is.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn aanvraag voor een standplaatsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hij voert hiertoe aan dat er voldoende overschot aan parkeerruimte is en doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast betoogt hij dat het college hem adequate financiële compensatie had moeten aanbieden.

2.3.1. Volgens de notitie wordt slechts een vergunning verleend voor een standplaats op een parkeerterrein of parkeerplaats, indien vaststaat dat er voldoende overschot aan parkeerruimte is.

Nu de bezettingsgraad van het parkeerterrein aan het Normandiaplein volgens de door TCW Verkeersonderzoek en -advies verrichte parkeertellingen in juni 2008 op donderdagmiddag 96% en op donderdagavond 95% was, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op grond van deze bevindingen op het standpunt heeft mogen stellen dat de verkeersdoorstroming en de verkeersveiligheid op het Normandiaplein in het gedrang komen indien het [appellant] zou worden toegestaan op de in geding zijnde donderdagen standplaats in te nemen op het Normandiaplein. Dat in het beleid niet is vermeld bij welke bezettingsgraad geen vergunning wordt verleend, maakt dat niet anders, aangezien voldoende duidelijk is dat het overschot aan parkeerruimte bij een bezettingsgraad van 95% of 96% erg gering is. Dat de parkeertellingen slechts op enkele dagen per jaar en niet gedurende een gehele dag zijn uitgevoerd, maakt niet dat het college de resultaten daarvan niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen, nu dergelijke tellingen naar hun aard steekproefsgewijs worden uitgevoerd. Met de stelling dat er telkens bijzondere omstandigheden waren die de tellingen konden beïnvloeden, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de tellingen onder zodanige omstandigheden zijn uitgevoerd dat de resultaten ervan niet representatief zijn voor andere donderdagen. Ook de stelling dat de parkeerdruk geen indicatie is van de parkeerbehoefte, geeft geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat [appellant] geen gegevens over de parkeerbehoefte heeft overgelegd.

Voorts heeft het college, anders dan [appellant] stelt, in redelijkheid de bezettingsgraad van een nabij het Normandiaplein gelegen parkeerdek buiten beschouwing kunnen laten. In dat verband is van belang dat het college ter zitting bij de Afdeling onweersproken heeft gesteld dat van het parkeerdek in de regel eerst gebruik wordt gemaakt indien op het parkeerterrein aan het Normandiaplein alle plaatsen bezet zijn en dat het parkeerterrein bovendien een andere functie heeft dan het parkeerdek, onder meer omdat het parkeerdek door het ontbreken van een lift niet toegankelijk is voor bepaalde categorieën bezoekers.

2.3.2. Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt overwogen dat in eerdere jaren aan diverse bedrijven een vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats op het Normandiaplein op dagen waarop de parkeerdruk volgens parkeertellingen vergelijkbaar is met de parkeerdruk op de donderdagen in 2008. Dat laat echter onverlet dat het college de hoge parkeerdruk op het parkeerterrein Normandiaplein aan de weigering ten grondslag mocht leggen. In dat verband is van belang dat het college te kennen heeft gegeven dat het, naar aanleiding van klachten van aan het Normandiaplein gevestigde ondernemers over gebrek aan parkeerruimte, met ingang van 2008 strikter toetst aan de in de notitie opgenomen aspecten verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid. Daarnaast zijn voor 2008 slechts vergunningen verleend voor het innemen van een standplaats op het Normandiaplein op woensdagen en vrijdagen, derhalve op dagen waarvan geen parkeertellingen beschikbaar zijn. Aangezien wel parkeertellingen beschikbaar waren van donderdagen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat zich geen vergelijkbare gevallen voordoen en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.3.3. Tenslotte heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college [appellant] in de gelegenheid heeft gesteld een verzoek tot schadevergoeding in te dienen, dat [appellant] dit ook heeft gedaan en dat het college over dit verzoek nog een standpunt dient in te nemen. Nu het college over het verzoek tot toekenning van schadevergoeding in een afzonderlijke procedure een besluit zal nemen, is er geen grond voor het oordeel dat het college het besluit op bezwaar niet had mogen nemen zonder daarin tevens een besluit te nemen over aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding.

2.3.4. Gelet op hetgeen onder 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3. is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag van [appellant] voor een standplaatsvergunning af te wijzen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

280-640.