Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200909831/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college ten behoeve van [vergunninghouder] een projectbesluit genomen voor het aanleggen van de ontsluitingsweg Leeuweriklaan, inclusief keerlus, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting, op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909831/1/H1.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 november 2009 in zaak nr. 09/2747 in het geding tussen:

1. [appellant], [partijen]

2. [partijen]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college ten behoeve van [vergunninghouder] een projectbesluit genomen voor het aanleggen van de ontsluitingsweg Leeuweriklaan, inclusief keerlus, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting, op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 2 november 2009, verzonden op 6 november 2009, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van der Aa, ing. S. Spiering en J.H. Rijken-de Haan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het bouwen van twaalf vrijstaande woningen aan de [locatie] te [plaats]. De hier aan de orde zijnde weg voorziet in de ontsluiting van tien van die woningen.

Het aanleggen van de weg en het gebruik daarvan is in strijd met het gebruik dat ingevolge het bestemmingsplan "Dongen Buitengebied" op het perceel is toegestaan. Om realisering van het project toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening het projectbesluit genomen. De bevoegdheid daartoe is door de raad van de gemeente Dongen aan hem gedelegeerd.

2.1.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet zeker is of de beoogde woningen kunnen worden gerealiseerd, zodat het college niet in redelijkheid het projectbesluit voor de ontsluitingsweg heeft kunnen nemen. Daartoe voert hij aan dat de vrijstelling voor negen van de twaalf woningen in strijd met de in het "Streekplan Noord-Brabant 2002" neergelegde regeling "Ruimte voor Ruimte" (hierna: de regeling) is verleend.

2.1.2. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 200909826/1/H1, die betrekking heeft op een van de twaalf woningen, heeft de Afdeling het betoog van [appellant] dat de vrijstelling in strijd met de regeling is verleend, verworpen en het door hem ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Gelet hierop, heeft de rechtbank in dat betoog terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de bouw van de woningen dermate onzeker is, dat het college het projectbesluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen. Hetgeen [appellant] omtrent de voor de aanleg van de weg en de bouw van de twaalf woningen benodigde kapvergunning heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 200909784/1/H2 het hoger beroep van [appellant] betreffende die vergunning ongegrond heeft verklaard.

Het betoog faalt.

2.2. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond dat door het project de verkeersveiligheid in het geding komt buiten beschouwing heeft gelaten met als motivering dat het projectbesluit slechts ziet op het gebruik van gronden.

2.2.1. Het betoog is terecht voorgedragen. Als gevolg van het projectbesluit wordt het mogelijk om, in afwijking van het bestemmingsplan, de betrokken gronden te gebruiken voor de aanleg van de Leeuweriklaan, die toegang verleent tot de percelen waarop de woningen worden gebouwd. Gebruik van de gronden hiertoe kan invloed hebben op de verkeersveiligheid ter plaatse. De rechtbank had dan ook een inhoudelijk oordeel moeten geven over de beroepsgrond van [appellant] dat de weg [locatie], waar de [laan] op aansluit, te smal is om de toename van het verkeer op veilige wijze te verwerken. Het betoog leidt echter, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

In de ruimtelijke onderbouwing, de beantwoording van de zienswijzen van 14 april 2009 en het verweerschrift van 7 september 2009 heeft het college uiteengezet dat het smalste verharde gedeelte van de [locatie] weliswaar maar 3,25 m bedraagt, maar dat het onverharde gedeelte voldoende ruimte biedt voor passeerbewegingen. Voorts heeft het aangegeven dat de toename van het aantal verkeersbewegingen op die weg beperkt zal zijn, nu de daarop aansluitende ontsluitingsweg slechts bedoeld is voor tien woningen, en dat voor de gehele [locatie] een maximale snelheid van 30 km/uur zal gaan gelden. Verder heeft het opgemerkt dat op andere locaties in de gemeente Dongen vergelijkbare ontsluitingen bestaan en dat die niet tot problemen leiden. Ter zitting heeft het college nog toegelicht dat het perceel waarop de [locatie] is gelegen 8 m breed is en ingevolge het bestemmingsplan een bestemming ten behoeve van verkeersdoeleinden heeft, zodat deze weg, indien nodig, kan worden verbreed.

Gelet op die motivering, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project niet een zodanig negatieve invloed op de verkeerssituatie zal hebben dat daarvoor geen projectbesluit had kunnen worden genomen. [appellant] heeft niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat ondanks voormelde omstandigheden een uit oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbare situatie zal ontstaan.

De conclusie is dat hoewel de rechtbank ten onrechte aan het betoog is voorbijgegaan, dat niet leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat het inhoudelijk faalt.

2.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college in redelijkheid het projectbesluit voor het aanleggen van de ontsluitingsweg [laan] kunnen nemen. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

457.