Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200904041/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] van 25 september 2007 om een ligplaatsvergunning voor het woonschip "Gelderland" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904041/1/H3.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 april 2009 in zaak nr. 08/910 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] van 25 september 2007 om een ligplaatsvergunning voor het woonschip "Gelderland" afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2010, waar [appellant], bijgestaan door E.P. Blaauw, juridisch adviseur, en het college, vertegenwoordigd door A. Bil, werkzaam bij de gemeente Gorinchem, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Woonschepenverordening Gorinchem (hierna: de Woonschepenverordening) is het verboden een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen buiten de krachtens artikel 3, tweede lid, aangewezen gedeelten van openbaar water.

Ingevolge het tweede lid geeft het college de plaatsen waar woonschepen ligplaats mogen hebben aan op de bij deze verordening behorende kaart.

Ingevolge artikel 11 kan het college de verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de verordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, kan het college op grond van bijzondere omstandigheden een vergunning verlenen aan eigenaren van woonschepen die wel over een onherroepelijke vergunning of ontheffing van het Waterschap Rivierenland beschikken, maar geen ligplaats innemen.

2.1.1. Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Woonschepenverordening heeft het college op 11 januari 2007 het Aanwijzingsbesluit openbaar water vergunningplicht Woonschepenverordening Gorinchem (hierna: het Aanwijzingsbesluit) vastgesteld, dat op 31 januari 2007 in werking is getreden en gold tot 10 september 2008.

Volgens artikel I van het Aanwijzingsbesluit wijst het college plaatsen aan waar woonschepen met een ligplaatsvergunning ligplaats mogen innemen conform de groen aangegeven gedeelten van openbaar water op de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening met nummer SB 8965a van 9 januari 2007.

2.2. Het college heeft [appellant] geen ligplaatsvergunning verleend, omdat deze is aangevraagd voor een perceel water in het Merwedekanaal dat is gelegen buiten het door het college aangewezen 'groene' gedeelte van het openbare water waar ligplaats mag worden ingenomen (hierna: het betreffende perceel). De in artikel 11 van de Woonschepenverordening neergelegde hardheidsclausule kan in dit geval niet worden toegepast, omdat daaraan niet de betekenis kan worden toegekend dat deze het volgens het Aanwijzingsbesluit aangewezen gebied kan vergroten, aldus het college. Bovendien is voor het innemen van een ligplaats op het betreffende perceel tevens een ontheffing van de beheerder van het betreffende gedeelte van de vaarweg, te weten het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, vereist, waarvan in rechte vaststaat dat [appellant] die niet krijgt. Toepassing van de hardheidsclausule kan derhalve niet leiden tot het mogen innemen van een ligplaats op het betreffende perceel en is ook om die reden ongewenst, aldus het college.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij met zijn aanvraag, hoewel hij daarop het betreffende perceel heeft ingevuld waar het woonschip ten tijde van de aanvraag ligplaats innam, heeft beoogd een vergunning te krijgen voor enige ligplaats binnen het daarvoor aangewezen 'groene' gebied in de gemeente Gorinchem waar dat maar mogelijk zou zijn.

2.3.1. Het betoog faalt. Vaststaat dat [appellant], hoewel hij op de kaart behorend bij het Aanwijzingsbesluit, dat op de voorgeschreven wijze op 30 januari 2007 en derhalve vóór de aanvraag bekend was gemaakt, had kunnen zien dat het betreffende perceel buiten het aangewezen 'groene' gebied valt, in zijn aanvraag heeft verzocht om een ligplaatsvergunning voor het betreffende exact aangeduide perceel. Niet valt in te zien dat het college de aanvraag ruimer had dienen op te vatten en had dienen te onderzoeken of het mogelijk was vergunning te verlenen voor een andere ligplaats dan de aangevraagde. De ter zitting bij de Afdeling overgelegde brief van het college van 24 januari 2007, waarin onder meer staat dat het uitgangspunt voor de te verlenen vergunning de huidige ligplaats zal zijn, maar dat de precieze ligplaats uiteindelijk zal worden bepaald naar aanleiding van de vergunningaanvraag, leidt niet tot een ander oordeel. Desgevraagd heeft het college uiteengezet dat deze brief alleen was bedoeld voor eigenaren van woonschepen die met een vergunning of ontheffing van het Waterschap Rivierenland ligplaats innamen, en dat [appellant] daar niet toe behoorde. De brief is ook niet aan [appellant] verstuurd.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de aanvraag van [appellant] moet worden beoordeeld naar de in de aanvraag omschreven ligplaats. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] ingevolge artikel 3 van de Woonschepenverordening gelezen in verbinding met artikel I van het Aanwijzingsbesluit, voor het betreffende perceel geen ligplaatsvergunning kan krijgen.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hij op grond van de hardheidsclausule uit de Woonschepenverordening in aanmerking voor een ligplaatsvergunning binnen het aangewezen 'groene' gebied had dienen te komen. Daarbij acht [appellant] ten eerste van belang dat in de procedure die aan het vaststellen van de Woonschepenverordening voorafging, is toegezegd dat alle reeds in de gemeente Gorinchem aanwezige woonschepen, waaronder dat van [appellant], een ligplaatsvergunning zouden krijgen. Hiertoe zou door het college een ligplaatsenkaart worden vastgesteld waaruit zou blijken welk woonschip welke ligplaats zou mogen innemen. Het college heeft ten onrechte aan deze toezegging geen gevolg gegeven, aldus [appellant]. Ten tweede is volgens [appellant] van belang dat hij in het bezit is van een vergunning van de directie van Rijkswaterstaat van 2 april 1984 om ligplaats in te nemen op het betreffende perceel.

2.4.1. Vooropgesteld wordt dat het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan is. De toepassing hiervan moet door de rechter dan ook terughoudend worden getoetst. Voorts geldt, zoals overwogen onder 2.3.1, dat de aanvraag van [appellant] dient te worden beoordeeld naar de in de aanvraag omschreven ligplaats, zijnde het betreffende perceel dat buiten het aangewezen 'groene' gebied ligt. Gelet daarop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hardheidsclausule in dit geval niet kan worden toegepast, omdat daaraan niet de betekenis kan worden toegekend dat deze het volgens het Aanwijzingsbesluit aangewezen gebied kan vergroten. De rechtbank is terecht tot deze conclusie gekomen. Voorts heeft de rechtbank met juistheid en op goede gronden overwogen dat niet is gebleken dat aan [appellant] toezeggingen zijn gedaan waardoor hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan hem op grond van de hardheidsclausule een ligplaatsvergunning binnen het aangewezen 'groene' gebied zou worden verleend.

Voor zover [appellant] met zijn betoog inzake de vergunning van de directie van Rijkswaterstaat van 2 april 1984 beoogt een beroep te doen op de in artikel 15 van de Woonschepenverordening neergelegde overgangsbepalingen, wordt allereerst overwogen dat het overgangsrecht blijkens de bewoordingen van die bepaling en de toelichting daarop, alleen betrekking heeft op woonschepen waarvoor het Waterschap Rivierenland een onherroepelijke vergunning of ontheffing heeft afgegeven. De rechtbank heeft in beginsel dan ook terecht overwogen dat het woonschip van [appellant] reeds daarom niet onder het overgangsrecht valt. Tijdens de procedure bij de rechtbank en ook ter zitting bij de Afdeling heeft het college evenwel uiteengezet dat het overgangsrecht van overeenkomstige toepassing kan worden geacht op de situatie dat een betrokkene in het bezit is van een ontheffing van het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, dan wel van een vergunning van de directie van Rijkswaterstaat, om ligplaats in te nemen. Dit kan [appellant] echter niet baten, nu het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in het bezit is van een dergelijke ontheffing of vergunning. De aanvraag om een ontheffing van het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland is bij de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2007 in zaak nr. 200702231/1 onherroepelijk afgewezen. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de vergunning van de directie van Rijkswaterstaat van 2 april 1984, die is verleend aan de vorige eigenaar van het woonschip, aan hem is overgedragen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, aangezien de raad van de gemeente Gorinchem niet bereid is geweest om 'illegale' woonschepen door middel van een ligplaatsvergunning op grond van de Woonschepenverordening alsnog te legaliseren, aan [appellant] op grond van het overgangsrecht geen ligplaatsvergunning binnen het aangewezen 'groene' gebied kan worden verleend.

De stelling van [appellant] dat binnen het aangewezen 'groene' gebied genoeg ruimte is voor zijn al vanaf 1985 in de gemeente Gorinchem aanwezige woonschip, welke stelling overigens door het college wordt weersproken, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

312-611.