Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200902686/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Tilburg bij besluit van 30 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Loven Noord 1".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/504
OGR-Updates.nl 10-102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902686/1/R2.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Tilburg bij besluit van 30 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Loven Noord 1".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, is verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door W. Maas, ir. W. Hoogveld en ing. I. Vedder, allen werkzaam bij de gemeente, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de planologische regeling van het gebruik van gronden voor onder meer bedrijfsactiviteiten, waaronder een laad- en losplaats voor treinen. Daarmee wordt onder meer de verplaatsing mogelijk gemaakt van de laad- en losgelegenheid, behorende bij het rangeeremplacement Tilburg Goederen, uit het centrum van Tilburg naar het bedrijventerrein ‘Loven Noord I’, ten noordoosten van Tilburg op het grensgebied tussen Tilburg en Berkel-Enschot.

2.3. Het beroep van [appellant] is gericht tegen de goedkeuring van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hierin de mogelijkheid wordt geboden om de in het plan voorziene laad- en losplaats in noordelijke richting uit te breiden.

[appellant], die woont in de directe omgeving van het plangebied, betoogt dat artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften niet uitvoerbaar is, omdat geen vergunning op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer (hierna: milieuvergunning) kan worden verleend voor de uitbreiding van de laad- en losplaats die na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zou worden mogelijk gemaakt. Hij voert hiertoe aan dat bij de beoordeling van de geluidsaspecten in het aan het plan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek onvoldoende rekening is gehouden met het specifieke karakter van het geluid dat afkomstig is van spoorwegemplacementen. Volgens [appellant] moet, op grond van de circulaire ‘Beoordelingswijze piekgeluiden voor spoorwegemplacementen’ van 22 december 2003 van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de milieuvergunningverlening met een straffactor van 5 tot 10 dB(A) rekening worden gehouden, gelet op de afstand van zijn woning tot de in het plan voorziene laad- en losplaats en de akoestische typering van de omgeving. Verder vreest hij een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het ‘Geluidbeheerplan Loven Noord I’ is gebleken dat, ook na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, de geluidbelasting buiten de zone niet onaanvaardbaar zal zijn en uit onderzoek en berekeningen blijkt dat de geluidhinder van de laad- en losplaats beperkt is.

Voorts stelt het college zich met de raad op het standpunt dat de afstand tussen de laad- en losplaats en de woningen weliswaar minder is dan de richtafstand van 300 meter, die wordt geadviseerd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), maar deze aanvaardbaar is vanwege de omstandigheid dat de geluidhinder van de laad- en losplaats beperkt is en het bedrijf zich aan de normen in het geluidbeheerplan moet houden en de laad- en losplaats alleen in de dagperiode in werking zal zijn.

2.5. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders, voor zover hier van belang, bevoegd de in het plan aangewezen gronden gelegen binnen de bestemmingen "Groen (G)" en "Verkeer-Verblijf (V-V)" en het op de plankaart aangegeven gebied ‘Wijzigingsbevoegdheid’ te wijzigen ten behoeve van de bestemming "Bedrijf (B)" dan wel de bestemming "Verkeer-Railverkeer (V-R)" voor de uitbreiding van een laad- en losplaats voorzover voorkomend in categorie 4 van de in de bijlage opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder de in dit artikel genoemde voorwaarden.

Ten noorden van de in het plan voorziene laad- en losplaats zijn gronden van ongeveer 265 meter lang en 80 meter breed in het plan bestemd als "Groen (G)" en aangeduid als ‘Wijzigingsbevoegdheid t.b.v. uitbreiding laad- en losplaats’.

2.5.1. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat geen milieuvergunning kan worden verleend voor uitbreiding van de laad- en losplaats, overweegt de Afdeling het bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid als vervat in artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften gaat om een bevoegdheid, en niet om een verplichting. Desalniettemin mocht het college geen goedkeuring aan het plan verlenen voor zover op voorhand valt aan te nemen dat de wijzigingsbevoegdheid niet zal kunnen worden toegepast. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen milieuvergunning kan worden verleend. In dit verband is van belang dat de door [appellant] aangevoerde circulaire - daargelaten of de in geding zijnde laad-en losplaats kan worden aangemerkt als spoorwegemplacement, in de zin van de circulaire, - zoals ook uit de tekst ervan blijkt, slechts een indicatief karakter heeft. Bij de vergunningverlening kan dan ook gemotiveerd van de circulaire worden afgeweken. Voorts is van belang dat het college van burgemeester en wethouders, dat in dit geval bevoegd is tot vergunningverlening op grond van de Wm, te kennen heeft gegeven dat uit berekeningen blijkt dat de ter plaatse te verwachten piekgeluiden passen binnen de gangbare afwegingskaders van het verlenen van de milieuvergunning en dat daarom de milieuvergunning zal kunnen worden verleend. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor de verwachting dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

2.5.2. Voor zover [appellant], onder verwijzing naar de circulaire, betoogt dat als gevolg van de uitbreiding geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat in zijn woning, overweegt de Afdeling dat de circulaire een beoordelingswijze betreft van geluid afkomstig van spoorwegemplacementen ten behoeve van vergunningverlening op grond van de Wm en uitsluitend voor zover het gaat om piekniveaus. In het kader van de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen en de vraag of een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd, komt aan de circulaire, zo deze al op de laad- en losplaats van toepassing is, geen doorslaggevende betekenis toe.

Voorts is van belang dat, volgens het in opdracht van de gemeente Tilburg uitgevoerde akoestisch onderzoek, neergelegd in het geluidbeheerplan en het rapport ‘Cumulatieve Geluidbelasting Industrieterrein Loven Noord I’, beide gedateerd op 4 april 2008 en opgesteld door advies- en ingenieursbureau Oranjewoud, op de grens van de zogenoemde vrijwillige zone een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van ten hoogste 50 dB(A) wordt veroorzaakt door het bedrijventerrein Loven Noord, waarbij rekening is gehouden met de uitbreiding van de laad- en losplaats na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. De woning van [appellant] ligt op een afstand van ongeveer 90 meter van de grens van de zone, zodat mag worden verwacht dat daar de langtijdgemiddeld geluidbelasting minder bedraagt dan 50 dB(A). Met betrekking tot de verwachte piekniveaus is ter zitting door de raad onweersproken gesteld, dat de piekniveaus als gevolg van activiteiten op het bedrijventerrein ‘Loven Noord I’, de voorgenomen uitbreiding daaronder begrepen, in het ongunstigste geval 64 dB(A) bedragen op de gevels van de dichtstbijzijnde woningen. Dergelijke pieken zullen zich slechts incidenteel voordoen, aldus de raad. Mede in aanmerking genomen dat de laad- en losplaats alleen overdag zal worden gebruikt, heeft het college zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, ondanks het feit dat de afstand tussen de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van de laad- en losplaats en de woning van [appellant] minder is dan de indicatieve afstand van 300 meter uit de VNG-brochure, de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] niet onaanvaardbaar is.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden planvoorschrift niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

568-573.