Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200907899/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2008, bekend gemaakt op 11 september 2008, heeft het college besloten een parkeerverbod in te stellen op het pad van de [locatie] aan de westzijde en oostzijde van huisnummer […] over een lengte van ongeveer 45 meter door het aanbrengen van gele onderbroken strepen (hierna: het verkeersbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907899/1/H3.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Midden-Delfland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 september 2009 in zaak nr. 08/7697 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2008, bekend gemaakt op 11 september 2008, heeft het college besloten een parkeerverbod in te stellen op het pad van de [locatie] aan de westzijde en oostzijde van huisnummer […] over een lengte van ongeveer 45 meter door het aanbrengen van gele onderbroken strepen (hierna: het verkeersbesluit).

Bij uitspraak van 2 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2010, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door T.W.P. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Midden-Delfland, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen tevergeefs dat de uitspraak van de rechtbank kracht van gewijsde mist, omdat deze niet is ondertekend door de rechter. Ingevolge artikel 8:77, derde lid, eerste volzin, gelezen in verbinding met artikel 8:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt de uitspraak, ingeval de zaak in behandeling is genomen door een enkelvoudige kamer, ondertekend door het lid van de enkelvoudige kamer en de griffier. Indien het lid van de enkelvoudige kamer of de griffier verhinderd is de uitspraak te ondertekenen, dient dit ingevolge artikel 8:77, derde lid, tweede volzin, gelezen in verbinding met artikel 8:11, tweede lid, van de Awb, in de uitspraak te worden vermeld. Overeenkomstig deze bepaling is in de uitspraak vermeld dat de rechter buiten staat was te tekenen. Voorts blijkt uit de uitspraak, anders dan [appellanten] stellen, dat deze is vastgesteld door mr. L. Koper, de rechter die blijkens het proces-verbaal ook de zitting van 12 juni 2009 heeft voorgezeten.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder wegen verstaan alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, worden verkeersbesluiten genomen:

a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door onze minister;

b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;

c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;

d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, onder VI, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het Babw) moet de plaatsing of verwijdering van gele onderbroken strepen op het wegdek geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.3. Het college heeft aan het verkeersbesluit ten grondslag gelegd dat op het pad van de [locatie] ter hoogte van huisnummer […] regelmatig wordt geparkeerd, waardoor landbouwvoertuigen komende vanaf de brug tegenover huisnummer […] de draai niet goed kunnen maken richting de uitweg die toegang geeft tot de percelen van de agrariërs. Dit leidt volgens het college tot 'steekgedrag' met verkeersonveilige situaties als gevolg, aangezien het pad aansluit op een druk bezocht doorgaand brom-/fietspad. Daarnaast bestaat volgens het college de mogelijkheid dat door het 'steekgedrag' schade wordt toegebracht aan de geparkeerde voertuigen of aan de draaiende landbouwvoertuigen zelf. Het instellen van het parkeerverbod heeft tot doel meer ruimte te creëren, zodat het 'steekgedrag' en de daaruit voorvloeiende problemen worden tegengegaan. Het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast of hinder weegt zwaarder dan het kunnen parkeren van voertuigen op het in het verkeersbesluit genoemde deel van het pad van de [locatie], aldus het college.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het verkeersbesluit onbevoegd is genomen, voor zover het betrekking heeft op het perceel tussen de brug en het pad van de [locatie]. Daartoe voeren zij aan dat dit perceel geen voor het openbaar verkeer openstaande weg is, zodat de Wvw 1994 hierop niet van toepassing is. Daarnaast voeren zij aan dat dit perceel eigendom is van de provincie Zuid-Holland, zodat het college ingevolge artikel 18 van de Wvw 1994 niet bevoegd is daarover een verkeersbesluit te nemen.

2.4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2008 in zaak nr. 200708542/1, terecht overwogen dat het verkeersbesluit moet worden bezien tegen de achtergrond van de afronding van de reconstructie Midden-Delfland. Met die reconstructie is onder meer een goede en deugdelijke ontsluiting van de Duifpolder beoogd. Hiertoe heeft de Reconstructiecommissie voor Midden-Delfland het noodzakelijk geacht dat onder meer de eigendom van de brug, die deel uitmaakt van de uitweg die [appellanten] met ontheffing van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in 1971 hebben aangelegd om hun erf te ontsluiten op de provinciale weg N 468, aan de gemeente Midden-Delfland werd toebedeeld. Bij vonnis van 29 juni 2005 in zaak nr. 238619/HA ZA 05 1442 heeft de rechtbank Rotterdam deze toedeling rechtmatig geacht. Gelet hierop staat vast dat de gemeente Midden-Delfland sindsdien zakelijk gerechtigde tot de brug is en dat de brug onder haar beheer berust. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de gemeente Midden-Delfland beheerder van het pad van de [locatie] is en dat dit pad voor openbaar verkeer openstaat.

2.4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200806520/1/H3) is voor het bepalen of een weg voor openbaar verkeer openstaat als bedoeld in artikel 1 van de Wvw 1994 de feitelijke situatie ter plaatse bepalend. Uit de in beroep en hoger beroep overgelegde stukken en de ter zitting getoonde foto's blijkt dat het weggedeelte op het betreffende perceel de verbinding vormt tussen de brug en het pad van de [locatie]. Niet in geschil is dat dit weggedeelte feitelijk reeds vóór het nemen van het verkeersbesluit door openbaar verkeer werd gebruikt om vanaf de brug het pad van de [locatie] op te rijden. Dat [appellanten] met borden en opschriften kenbaar hebben gemaakt dat de brug niet toegankelijk was voor openbaar verkeer, omdat volgens hen alleen zij ontheffing van het college van gedeputeerde staten hebben om uit te wegen op de N 468, doet aan die feitelijke situatie niet af. Bovendien waren zij na de toedeling van de brug aan de gemeente Midden Delfland niet meer gerechtigd dergelijke borden en opschriften te plaatsen. De Wvw 1994 is derhalve van toepassing op het weggedeelte op het betreffende perceel. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4.3. Zoals overwogen onder 2.4.1. berusten zowel de brug als het pad van de [locatie] onder beheer van de gemeente Midden-Delfland. Aangezien het weggedeelte op het betreffende perceel deze twee met elkaar verbindt, acht de Afdeling het aannemelijk dat dit weggedeelte eveneens onder het beheer van de gemeente berust. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wvw 1994 bevoegd was tot het nemen van het verkeersbesluit. Anders dan [appellanten] betogen, is voor het vaststellen van deze bevoegdheid niet van belang of het betreffende perceel waarop het weggedeelte ligt, al dan niet aan de gemeente in eigendom toebehoort.

2.4.4. Gelet op het vorenoverwogene, faalt het betoog.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat het college in redelijkheid niet tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. Daartoe voeren zij aan dat het college het openbaar verkeer met het verkeersbesluit aanzet tot het plegen van strafbare handelingen, nu het college ten tijde van het nemen van het verkeersbesluit geen ontheffing had van het college van gedeputeerde staten van Zuid Holland om uit te wegen op de N 468. Voorts worden volgens hen geen van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 bedoelde belangen behartigd door het verkeersbesluit. Verder voeren zij aan dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de strook grond tussen het pad van de [locatie] en het erf van [appellanten] geen verkeersbestemming heeft. Dit klemt volgens hen des temeer, omdat het verkeersbesluit voor een toename van het gemotoriseerd verkeer langs hun huis heeft gezorgd, hetgeen overlast in de vorm van lawaai en trillingen oplevert. Daarnaast is hun ten onrechte parkeermogelijkheid ontnomen, aldus [appellanten].

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 10 januari 2007 in zaak nr. 200605125/1), komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en slechts dienen te toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

2.5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat aan het verkeersbesluit de belangen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c, en tweede lid, onder a, van de Wvw 1994 ten grondslag liggen. Het betoog van [appellanten] dat dit niet zo is, kan, reeds omdat die stelling niet nader is onderbouwd, niet slagen.

Voorts wordt met de rechtbank overwogen dat het college vorenbedoelde belangen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellanten] bij het niet instellen van een parkeerverbod. De rechtbank heeft ten aanzien van de omstandigheid dat de strook grond tussen het pad van de [locatie] en het erf van [appellanten] geen verkeersbestemming heeft, wat daar verder ook van zij, terecht overwogen dat dit niet afdoet aan de bevoegdheid van het college om het verkeersbesluit te nemen en dat de overlast die zij stellen te ondervinden van het langsrijdend landbouwverkeer geen gevolg is van het verkeersbesluit, maar van het rijgedrag van de betreffende bestuurders. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking mogen nemen dat het verkeersbesluit alleen beoogt de bestaande situatie, waarin feitelijk met landbouwvoertuigen langs de woning van [appellanten] wordt gereden, verkeersveiliger te maken. Voor het college bestond, in het kader van het verkeersbesluit, dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de geluidsoverlast en trillingen.

Ten aanzien van het wegvallen van een aantal parkeerplaatsen door het verkeersbesluit, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast of hinder zwaarder weegt dan het kunnen parkeren van voertuigen op het in het verkeersbesluit genoemde deel van het pad van de [locatie]. Dat de parkeerplaatsen die aan [appellanten] zijn toegezegd in het kader van de reconstructie Midden-Delfland, waarbij de strook grond voor het erf van [appellanten] aan de gemeente Midden-Delfland is toebedeeld, om welke reden dan ook niet zijn gerealiseerd, doet daaraan niet af. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellanten] over voldoende mogelijkheid beschikken om op eigen terrein te parkeren.

2.5.3. Ten aanzien van het ontbreken van een ontheffing van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland voor het mogen uitwegen op de N 468, wordt het volgende overwogen.

De gemeente Midden-Delfland heeft op 14 maart 2007 het college van gedeputeerde staten verzocht om ontheffing op grond van de Wegenverordening Zuid-Holland 1997 voor het uitwegen naar de N 468 via de betreffende brug. [appellanten] betogen terecht dat deze ontheffing ten tijde van het nemen van het verkeersbesluit nog niet was verleend. Gelet op vorenvermeld vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2005, was het echter op voorhand niet onaannemelijk dat een dergelijke ontheffing zou worden verleend. Dit vindt bevestiging in het ter zitting overgelegde besluit van het college van gedeputeerde staten van 30 maart 2010, waaruit blijkt dat ontheffing is verleend van de in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wegenverordenig Zuid-Holland 1997 opgenomen verbodsbepaling tot het hebben van een wegaansluiting aan de N 468 via de betreffende brug. Gegeven de hem toekomende ruime beoordelingsmarge en gelet op de belangen van de verkeersveiligheid, heeft het college dan ook in redelijkheid reeds vóór het verlenen van de ontheffing tot het verkeersbesluit kunnen komen. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5.4. Gelet op het vorenoverwogene, faalt het betoog.

2.6. Het betoog van [appellanten] dat het college de raad van de gemeente Midden-Delfland niet dan wel onjuist heeft geïnformeerd over de achtergrond van het verkeersbesluit, kan niet slagen, reeds omdat niet de raad, maar het college ingevolge artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wvw 1994 bevoegd is om verkeersbesluiten te nemen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

312-611.