Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200909277/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909277/1/H2.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Maasgouw,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 oktober 2009 in zaak nr. 09/561 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.T.H.M. Savelkoul, werkzaam bij de gemeente Maasgouw, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling gold tot 1 juli 2008, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] is sinds 1995, samen met [eigenaar] van het perceel met woning aan de [locatie] in [plaats]. Hij heeft het college verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te lijden ten gevolge van het besluit van 12 december 2006. Bij dit besluit heeft het college onder meer krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Buitengebied" voor de bouw van diverse kunstwerken, zoals kaden, duikers en coupure, ten behoeve van het zuidelijke retentiebekken te Heel. Dit bouwplan voorziet onder meer in de verhoging van de kade gelegen achter de woning van [appellant].

2.2.1. Ingevolge het op 30 mei 2000 goedgekeurde en nadien in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Heel rusten op de gronden gelegen achter de woning van [appellant] de bestemmingen "Natuurgebied (N)" en "Tevens waterbergend winterbed van de Maas". Op gronden met de bestemming "Natuurgebied (N)" mag ingevolge artikel 2.05, derde en vierde lid, van de bij dit plan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) niet worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen, geen gebouwen zijnde, en eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen zoals wegwijzers en zitbanken die niet hoger mogen zijn dan 2 meter en voor het overige naar aard en afmetingen bij deze bestemming passen. Voorts is ingevolge het zesde lid, onderdeel A, een aanlegvergunning vereist voor onder meer het ophogen van grasland, het aanleggen van kaden en het bebossen van gronden. De beoordeling of, en zo ja onder welke voorwaarden, de hier bedoelde werken of werkzaamheden toelaatbaar zijn, wordt ingevolge het zesde lid, onderdeel C, onder meer beoordeeld aan de hand van de beschrijving in hoofdlijnen in het tweede lid.

2.2.2. Het college heeft de aanvraag ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie planschade Maasgouw. Deze commissie heeft in haar advies van 18 augustus 2008 vermeld dat [appellant] onder het bestemmingsplan "Buitengebied" rekening had moeten houden met de mogelijkheid van aanleg van kaden en het bebossen van gronden. Daarvoor was weliswaar een aanlegvergunning vereist, maar volgens de commissie waren in het bestemmingsplan geen zodanige beperkingen gesteld dat de thans aangelegde kade van minder dan 1 meter hoog onder het voordien geldende planologische regime niet mogelijk zou zijn geweest. Dat niettemin een vrijstelling is verleend voor de aanleg van de kade verklaart de commissie uit de behoefte aan een titelzuiverende werking en om zekerheid te verkrijgen dat uit de verschillende vigerende planologische regimes ter zake geen belemmeringen meer zouden voortvloeien voor de realisering van alle kunstwerken. Volgens het advies van de commissie is dan ook geen sprake van een planologische verslechtering. Weliswaar zijn ten gevolge van de aanleg van de kade de zichtlijnen vanuit en vanaf de woning enigszins beperkt, maar een maximale gebruikmaking van de mogelijkheden die het bestemmingsplan bood dan wel de natuurlijke ontwikkelingen in het onderhavige natuurgebied, hadden eenzelfde uitzichtsituatie kunnen creëren, aldus de commissie in het advies.

Het college heeft dit advies aan zijn besluit van 3 maart 2009 ten grondslag gelegd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank in haar oordeel over de planvergelijking heeft miskend dat een kade onder het oude planologische regime niet mogelijk zou zijn geweest aangezien daarvoor op grond van het bestemmingsplan geen aanlegvergunning had kunnen worden verleend. Hij verwijst naar de criteria in artikel 2.05, tweede lid, van de planvoorschriften die ertoe strekken dat de flora en fauna in stand worden gehouden alsmede naar de flora- en fauna-inventarisatie waaruit volgt dat de kade negatieve effecten heeft op diverse beschermde planten- en diersoorten en dat daarvoor ontheffing is verleend. De kade heeft tot doel om een retentiebekken te creëren hetgeen de flora en fauna ter plaatse teniet zal doen waardoor aan vermelde criteria niet wordt voldaan, aldus [appellant]. Hij voert tot slot aan dat de rechtbank haar conclusie, dat de aanleg van de kade niet in strijd is met de nadere besliscriteria in artikel 2.05, tweede lid, van de planvoorschriften, niet heeft gemotiveerd.

2.3.1. Ingevolge artikel 2.05, zesde lid, onderdeel A en C, van de planvoorschriften wordt een aanvraag om een aanlegvergunning beoordeeld aan de hand van de beschrijving in hoofdlijnen in het tweede lid. Daarin is onder andere bepaald dat het beleid voor de natuurgebieden zich zal richten op het behoud en de verdere ontwikkeling van de voor het gebied kenmerkende milieus en levensgemeenschappen en dat de voor normale milieuomstandigheden kenmerkende vegetatie, flora en fauna in stand worden gehouden dan wel ontwikkeld worden. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat een kade met een hoogte als de thans aangelegde kade onder het oude planologische regime niet mogelijk zou zijn geweest wegens strijd met de in artikel 2.05, tweede lid, van de planvoorschriften vermelde waarden dan wel wegens strijd met de ter plaatse rustende bestemming. Dat een ontheffing krachtens artikel 75 van de Flora- en faunawet is verleend voor de geplande kunstwerken, betekent niet dat een aanlegvergunning voor de aanleg van de kade achter de woning van [appellant] niet mogelijk zou zijn geweest. Immers die ontheffing wordt slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort en daarmee van de flora en fauna ter plaatse. Van een motiveringsgebrek in de aangevallen uitspraak is niet gebleken.

De betogen falen.

2.4. De overige door [appellant] in hoger beroep ingelaste beroepsgronden, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden verworpen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg , leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

85-609.