Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200909202/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909202/1/H3.

Datum uitspraak: 2 juni 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 oktober 2009 in zaak nr. 09/3590 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2009, verzonden op 19 oktober 2009, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) schorst het bezwaar of beroep niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, stelt het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) legt het CBR in bepaalde gevallen overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan deze maatregelen verbonden kosten, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, komen ten laste van betrokkene. Indien het rijbewijs overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, wordt het onverwijld aan betrokkene teruggegeven.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, is degene die zich ingevolge artikel 131, vierde lid, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Het niet voldoen van de kosten van de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid binnen de termijn die is vastgesteld bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd, wordt als het niet verlenen van de vereiste medewerking aangemerkt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de regeling) bedragen de ten laste van betrokkene komende kosten van de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) € 648,60 (exclusief BTW).

Ingevolge het derde lid verleent betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de Wvw 1994, indien hij deze kosten niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze voldoet.

2.2. Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] voor alle categorieën ongeldig verklaard omdat zij niet tijdig de kosten voor de haar opgelegde EMA heeft betaald.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR haar ten onrechte niet heeft gehoord voordat het bij de rechtbank bestreden besluit werd genomen.

2.3.1. Het CBR is ingevolge artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994 gelezen in verbinding met artikel 10, eerste en derde lid, van de regeling verplicht het rijbewijs ongeldig te verklaren van diegene die niet of niet tijdig de kosten voldoet van de hem of haar opgelegde EMA. Deze bepalingen zijn dwingendrechtelijk geformuleerd. Het CBR heeft in het geval dat die kosten niet worden voldaan geen beoordelingsruimte of beleidsvrijheid bij het ongeldig verklaren van het rijbewijs. Voorts schort bezwaar of beroep niet de werking van het besluit op waartegen het is gericht. Nu het CBR bij besluit van 14 april 2009 [appellante] heeft verplicht mee te werken aan een EMA en heeft bepaald dat de kosten binnen tien weken na verzending van dat besluit moesten zijn voldaan, was [appellante] verplicht die kosten te voldoen binnen de gestelde termijn ook al had zij tegen dat besluit bezwaar gemaakt, beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

Niet in geschil is dat [appellante] de kosten voor de EMA niet, althans niet binnen de gestelde termijn, heeft voldaan. Het CBR was daarom verplicht haar rijbewijs ongeldig te verklaren. Omdat [appellante] in haar bezwaarschrift heeft betoogd dat het CBR haar rijbewijs ten onrechte ongeldig heeft verklaard omdat het besluit tot verplichting mee te werken aan een EMA niet in rechte definitief is geworden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het CBR mocht afzien van het horen van [appellante] omdat dat bezwaar kennelijk ongegrond is.

Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR bij het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit onzorgvuldig heeft gehandeld inzake de beoordeling van de bezwaren, gronden en feiten faalt reeds, omdat zij dat betoog niet nader heeft gemotiveerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010.

176-622.