Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200906617/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906617/1/M2.

Datum uitspraak: 2 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas, voorheen gemeente Helden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en anderen en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2010, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [3 appellanten] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vergunning heeft, kort weergegeven, betrekking op het uitbreiden van de inrichting met een mesthygiënisatieinstallatie bestaande uit een pasteuriseertank. In deze installatie wordt mest verhit en vervolgens in bestaande - maar nog niet gebruikte - mestkelders van de inrichting gepompt. Na het afkoelen van de mest wordt deze uit de mestkelders verpompt naar een mestbassin.

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat de aanvraag na het ontwerpbesluit van 13 oktober 2008 is aangevuld met een akoestisch rapport en een beschrijving van de procesvoering. Volgens hen is daarna ten onrechte geen nieuw ontwerpbesluit opgesteld. Zij stellen hierdoor niet in de gelegenheid te zijn geweest naar aanleiding van deze aanvullingen zienswijzen in te dienen.

2.2.1. Het college stelt dat de aanvraag is aangevuld naar aanleiding van de door [appellant] en anderen ingediende zienswijzen. Met de aanvullingen is tegemoet gekomen aan die zienswijzen. Volgens het college zijn derden door het niet opstellen en ter inzage leggen van een nieuw ontwerpbesluit niet benadeeld.

2.2.2. Bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, moet in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na deze terinzagelegging is het niet geoorloofd de aanvraag te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd, tenzij vaststaat dat daardoor geen derden worden benadeeld.

2.2.3. Het akoestisch rapport behelst naar het oordeel van de Afdeling geen wijziging, maar slechts een nadere concretisering, van de aangevraagde bedrijfsvoering van de inrichting. Daarnaast bevat het akoestisch rapport, evenals de beschrijving van de procesvoering, een nadere onderbouwing van de vergunbaarheid van de inrichting. Mede in aanmerking genomen dat deze nadere onderbouwing van de vergunbaarheid ook had kunnen plaatsvinden zonder de aanvullingen van de aanvraag, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat derden door deze toevoeging na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zijn benadeeld. Het college heeft deze toevoeging dan ook terecht aanvaard. Deze grond faalt.

2.3. [appellant] en anderen voeren onder meer aan geurhinder te ondervinden. Zij zijn van mening dat er ten onrechte geen geurnormen in de vergunning zijn opgenomen en dat de vergunning vanwege de extra geuremissie niet had mogen worden verleend.

2.3.1. In een nader ingediend stuk stelt het college geen reden te hebben om te twijfelen aan het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening uitgebrachte deskundigenrapport.

2.3.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is gebleken dat bij het verpompen van de gepasteuriseerde mest naar een tussenopslag en bij het verpompen van deze mest naar de mestkelders verdringingslucht zal ontsnappen. Tevens ontsnapt geur via de ruimteafzuiging van de bedrijfsruimte waarin de mesthygiënisatieinstallatie zich bevindt. Ook de mestkelders waarin de warme mest wordt gepompt zijn niet gesloten. Zij emitteren geur via de emissieopeningen van het boven de kelders staande stalgebouw. In zoverre kan er niet worden gesproken van een gesloten systeem waarvan geen geurhinder is te duchten.

Gelet hierop kon het college er bij de beoordeling van de aanvraag niet van uitgegaan dat de uitbreiding van de inrichting geen gevolgen heeft voor de geuremissie. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid.

Aangezien de geuraspecten in dit geval van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de inrichting in werking kan zijn binnen de grenzen van het belang van de bescherming van het milieu is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De overige bezwaren behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 20 juli 2009 dient wegens strijd met 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas, voorheen gemeente Helden van 20 juli 2009, kenmerk no. 30-12;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas, voorheen gemeente Helden tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,80 (zegge: tweeënveertig euro en tachtig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas, voorheen gemeente Helden aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Klap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010

315.