Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
200908095/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het CBR [appellant] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908095/1/H3.

Datum uitspraak: 2 juni 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2009 in zaak nr. 08/1607 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2008 heeft het CBR [appellant] de verplichting opgelegd deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA).

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2009 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. Olof, advocaat te Zeist, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, eerste volzin, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen de betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de regeling) besluit het CBR tot oplegging van een EMA indien bij de betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 μg/l, respectievelijk 1,3 ‰.

2.2. Het CBR heeft aan zijn besluit van 4 februari 2008 ten grondslag gelegd dat het een mededeling van de korpschef van de politieregio Utrecht heeft ontvangen volgens welke bij [appellant] als bestuurder van een motorrijtuig op 22 september 2007 een bloedalcoholgehalte van 1,68 ‰ is geconstateerd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR van het horen van hem mocht afzien omdat zijn bezwaar kennelijk ongegrond is. Voorts heeft de rechtbank miskend dat hij in zijn belangen is geschaad doordat het CBR zijn dossier niet aan hem heeft gestuurd, ondanks zijn verzoek daartoe, aldus [appellant].

2.3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2005 in zaak nr. 200505211/1) vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en mag daarvan slechts worden afgezien indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. In zijn bezwaarschrift heeft [appellant] de juistheid van de mededeling van de korpschef bestreden door te ontkennen dat hij bestuurder was van het motorrijtuig waarin hij is aangetroffen. Dat, zoals het CBR betoogt, naar zijn oordeel redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de vraag of [appellant] bestuurder was van het motorrijtuig waarin hij is aangetroffen maakt niet dat van het horen kon worden afgezien, nu het daarmee [appellant] de mogelijkheid ontnam zijn betoog toe te lichten en zodoende het CBR te overtuigen van de juistheid ervan. Het CBR heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat van het horen mocht worden afgezien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het CBR heeft voorts het dossier van [appellant] niet aan hem toegestuurd, ondanks zijn verzoek daartoe. [appellant] is hierdoor in zijn belangen geschaad, doordat hij in de bezwaarprocedure niet op de hoogte was van alle stukken die de grondslag vormden voor de mededeling van de korpschef, die ten grondslag lag aan het besluit hem te verplichten deel te nemen aan een EMA. Hieraan doet niet af dat [appellant] in nadere correspondentie met het CBR niet heeft verzocht om toezending van zijn dossier, omdat het aan het CBR was aan het reeds gedane verzoek te voldoen.

Het betoog slaagt.

2.3.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 mei 2008 van het CBR alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen vanwege strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven omdat [appellant] in zowel beroep als hoger beroep zijn standpunt met het CBR heeft kunnen uitwisselen en hij in beroep de beschikking had over zijn dossier, en omdat slechts ter toets staat of het CBR mocht uitgaan van de feiten als weergegeven in de mededeling van de korpschef en de processen-verbaal van de politiebeambten van de politieregio Utrecht.

2.4. [appellant] betoogt dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij bij zijn verhoor tegen de politiebeambten heeft verklaard dat hij onder invloed gereden heeft. Hij herinnert zich niet degene te zijn geweest die heeft gereden en was verder niet in staat een verhoor te ondergaan, aldus [appellant]. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] hieraan toegevoegd dat het CBR zijn verklaring niet mocht gebruiken omdat evident is dat wat hij heeft verklaard onjuist was. Voorts heeft [appellant] ter zitting van de Afdeling betoogd dat het aan het CBR is om aannemelijk te maken dat hij een motorrijtuig heeft bestuurd met een hoger alcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van de regeling. Volgens hem is ten onrechte de bewijslast omgekeerd en van hem verlangd aannemelijk te maken dat hij dit niet heeft gedaan.

2.4.1. Dit betoog faalt. Volgens het proces-verbaal van 23 september 2007, kenmerk PL0960/07-299520, is [appellant] op 22 september 2007 slapend met zijn hoofd op het stuur in een motorrijtuig aangetroffen. Volgens dat proces-verbaal stond het rijtuig met draaiende motor voor een verkeerslicht op een kruising. Voorts had [appellant] volgens het proces-verbaal bloeddoorlopen ogen en was hij onvast ter been. Hij is daarom voor een ademanalyse naar het politiebureau genomen, aldus dat proces-verbaal. Voorts kon [appellant] volgens dat proces-verbaal vanwege zijn lichamelijke conditie niet meewerken aan een ademonderzoek en is daarom overgegaan tot een bloedonderzoek. Daarbij bleek dat het bloedalcoholgehalte van [appellant] op het moment van het onderzoek 1,68 ‰ bedroeg, aldus dat proces-verbaal. Gelet op deze constateringen mocht het CBR zich op het standpunt stellen dat aannemelijk is dat [appellant] een motorrijtuig heeft bestuurd met een hoger alcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van de regeling. Hetgeen [appellant] heeft verklaard bij zijn verhoor door de politiebeambten die hem hebben aangehouden is daarbij niet van belang.

Nu het CBR zich op het standpunt mocht stellen dat aannemelijk is dat [appellant] een motorrijtuig heeft bestuurd met een hoger alcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van de regeling, lag het op de weg van [appellant] om aannemelijk te maken dat dit niet het geval was. Nu hij slechts heeft gesteld dat dit niet het geval was maar dat niet heeft kunnen staven, is [appellant] daarin niet geslaagd.

2.5. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 mei 2008 geheel in stand blijven.

2.6. Het CBR dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2009 in zaak nr. 08/1607;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 29 mei 2008, kenmerk 2008000713/AR;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010.

176-622.