Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
201002398/1/H1 en 201002398/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2009 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast vóór 1 november 2009 de opslagen materialen in de woning, de loods en op het daarbij behorende terrein aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002398/1/H1 en 201002398/2/H1.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2010 in zaken nrs. 10/746 en 10/689 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2009 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast vóór 1 november 2009 de opslagen materialen in de woning, de loods en op het daarbij behorende terrein aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 29 oktober 2009 is de begunstigingstermijn gesteld op twee maanden na de bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft het met het bestemmingsplan strijdige gebruik en voor het overige ongegrond.

Bij mondelinge uitspraak van 9 maart 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 10 maart 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 maart 2010. Voorts heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 mei 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door W. van der Burgt, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [appellant] heeft ter zitting zijn betoog inzake de verzending van het besluit van 4 januari 2010 ingetrokken.

2.3. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat vanwege de grote hoeveelheid opgeslagen allerhande materialen in de woning, de loods en op het buitenterrein van het perceel is gehandeld in strijd met verschillende, in de besluiten van 8 september 2009 en 4 januari 2010 vermelde, artikelen van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, het Bouwbesluit en de Bouwverordening van de gemeente Utrecht in samenhang bezien met enkele artikelen van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.4. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat de aanzegging onduidelijk is, nu daaruit niet zou blijken welke materialen hij moet verwijderen.

Zowel uit het besluit van 8 september 2009 als uit het besluit van 4 januari 2010, in samenhang bezien met de bij het besluit van 8 september 2009 behorende en als bijlage bijgevoegde processen-verbaal van controlebezoeken door inspecteurs van de brandweer op 15 januari 2008, 12 februari 2009 en 15 juni 2009 met foto's van de allerhande opslag van (tweedehands) materialen op het perceel, blijkt voldoende duidelijk welke materialen moeten worden verwijderd. Voorts is in de besluiten duidelijk aangegeven dat goederen bestemd voor de bewoning van de woning, zoals meubilair, niet behoeven te worden verwijderd. Voor [appellant] is derhalve voldoende kenbaar wat het college van hem verlangt om uitoefening van bestuursdwang te voorkomen. Dat het college in zijn besluiten niet nog nader heeft gepreciseerd welke materialen [appellant] moet verwijderen, is voorts, gezien de grote verscheidenheid aan opgeslagen materialen, niet onbegrijpelijk.

2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. Hoezeer ook begrip valt op te brengen voor de persoonlijke situatie van [appellant], zijn persoonlijke omstandigheden kunnen, gelijk de voorzieningenrechter heeft geconcludeerd, in aanmerking genomen de belangen die bij de overtreding in het geding zijn, niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan het college in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien. Het college heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat door de grote hoeveelheid opgeslagen materialen en de slechte bereikbaarheid van de woning, de loods en het terrein of delen daarvan een brandgevaarlijke situatie is ontstaan en voorts de volksgezondheid in geding is, nu door de opslag ongedierte kan worden aangetrokken. Het college heeft dan ook in redelijkheid het algemeen belang bij een brandveilige en verantwoorde situatie ter plaatse mogen laten prevaleren boven het belang van [appellant] bij het behoud van de bestaande situatie.

Dat [appellant] niet in zijn woning kookt en voorts brandbare vloeistoffen van het perceel heeft verwijderd, wat hier ook van zij, leidt, gezien de resterende hoeveelheid materialen, niet tot het oordeel dat van een brandgevaarlijke situatie geen sprake (meer) is, zodat van handhavend optreden had moeten worden afgezien.

2.7. Gezien de aard van de overtreding en de tijd die [appellant] is geboden om de materialen te verwijderen, daarbij in aanmerking genomen dat het college [appellant] uitstel heeft verleend, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien om aan te nemen dat de door het college gestelde begunstigingstermijn te kort was om aanzegging van bestuursdwang te voorkomen.

2.8. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college met de aanzegging artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft geschonden. Deze bepaling laat onverlet dat wettelijke voorschriften die noodzakelijk kunnen worden geacht met betrekking tot het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang worden vastgesteld en toegepast. De Woningwet alsmede het Bouwbesluit, de Bouwverordening van de gemeente Utrecht en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken behelzen zodanige voorschriften.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

374.