Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM6096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
200908732/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / rechtmatig verblijf / Richtlijn 2004/38/EG / kort verblijf / meldingsplicht is voorwaarde

Uit artikel 21, vierde lid, van de SUO volgt dat de desbetreffende vreemdeling niet alleen aan het gestelde in het eerste lid van dat artikel dient te voldoen, maar ook aan de in artikel 22 opgenomen meldingsplicht. Ook in artikel 21, aanhef en onder d, van de Schengengrenscode is vastgelegd dat deze meldingsplicht onverkort blijft gelden.

Gelet op de samenhang tussen de artikelen 21 en 22 van de SUO en in aanmerking genomen dat deze bepalingen zijn aangebracht in het Hoofdstuk Voorwaarden voor reisverkeer van vreemdelingen, behelst de meldingsplicht een voorwaarde voor kort verblijf. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat gezien het in artikel 22, derde lid, van de SUO opgenomen vereiste dat Overeenkomstsluitende Partijen door hen vastgestelde uitzonderingen op de meldingsplicht ter kennis brengen van het Uitvoerend Comité een groot belang moet worden gehecht aan de meldingsplicht. Die plicht heeft tot doel om de binnenkomst van een vreemdeling en daarmee ook de aanvang van de aan hem ingevolge artikel 21, eerste lid, van de SUO gegunde verblijfstermijn van ten hoogste drie maanden vast te leggen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908732/1/V3.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, (hierna: de rechtbank) van 30 oktober 2009 in zaak nr. 09/37483 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2009 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 oktober 2009, verzonden op 6 november 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 november 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2010, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M.C. Vissers, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling onder meer dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 12, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), heeft miskend dat hij ten tijde van de inbewaringstelling op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het Verdrag) rechtmatig in Nederland verbleef, nu hij beschikte over een geldig, op zijn naam gesteld, Marokkaans paspoort en een verblijfsvergunning voor België, zodat hij ten onrechte in bewaring is gesteld.

2.2. Volgens het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 13 oktober 2009 is de vreemdeling op die datum werkend in een slagerij tijdens een controle in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen aangehouden.

Volgens het proces-verbaal van verhoor van 13 oktober 2009 heeft de vreemdeling een origineel, op zijn naam gesteld, geldig Marokkaans paspoort en een originele verblijfsvergunning als gezinslid van een burger van de Unie, geldig tot 7 november 2013, overgelegd. Hij heeft verklaard dat hij vier weken in Nederland is, zich niet heeft gemeld en sinds drie weken in de slagerij werkt.

Aan de aan de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 opgelegde maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat deze maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken, hetgeen blijkt uit het feit dat hij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft, zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden en zich niet bij de korpschef heeft aangemeld.

Uit het in beroep door de vreemdeling overgelegde afschrift van een huwelijksakte van 20 oktober 2009 blijkt dat zijn echtgenote de Belgische nationaliteit heeft. Uit het ook in beroep overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Rotterdam van 20 oktober 2009 blijkt dat de vreemdeling vennoot is van de op 1 oktober 2009 opgerichte vennootschap onder firma Berkan V.O.F. Deze vennootschap exploiteert een te Schiedam gevestigde winkel.

De vreemdeling is op 19 oktober 2009 naar België uitgezet.

2.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158; hierna: de richtlijn) wordt voor de toepassing van deze richtlijn onder "burger van de Unie" verstaan: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt onder "familielid" verstaan: de echtgenoot.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, laten de lidstaten, onverminderd het bepaalde met betrekking tot reisdocumenten bij nationale grenscontroles, de burger van de Unie die voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, alsmede familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die voorzien zijn van een geldig paspoort, hun grondgebied binnenkomen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, verleent een geldige verblijfskaart als bedoeld in artikel 10 voor de toepassing van deze richtlijn familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten vrijstelling van de visumplicht.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, hebben burgers van de Unie het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

Ingevolge het tweede lid, is het eerste lid eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen, en in het bezit zijn van een geldig paspoort.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode) wordt in deze verordening onder "personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen" verstaan de burgers van de Unie in de zin van artikel 17, eerste lid, van het Verdrag en de in de richtlijn bedoelde onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger die zijn recht van vrij verkeer uitoefent.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, is de Schengengrenscode van toepassing op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt, onverminderd de rechten van de personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

a. in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;

c. het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

e. niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder d, van de Schengengrenscode doet de afschaffing van het grenstoezicht aan de binnengrenzen geen afbreuk aan de verplichting van onderdanen van derde landen om hun aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat te melden overeenkomstig artikel 22 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (hierna: de SUO).

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de SUO, geplaatst in Hoofdstuk 4, Voorwaarden voor reisverkeer van vreemdelingen, mogen vreemdelingen die houder zijn van een geldige, door één der Overeenkomstsluitende Partijen afgegeven verblijfstitel zich gedurende een periode van ten hoogste drie maanden op grond van deze titel en van een geldig reisdocument vrij verplaatsen op het grondgebied van de overige Overeenkomstsluitende Partijen, voor zover zij voldoen aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, c en e bedoelde voorwaarden voor binnenkomst, en niet gesignaleerd staan op de nationale signaleringslijst van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij.

Ingevolge het vierde lid geldt het bepaalde in dit artikel onverminderd het bepaalde in artikel 22.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, ook geplaatst in Hoofdstuk 4, dienen vreemdelingen die op regelmatige wijze op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij zijn binnengereisd zich onder de door ieder van de Overeenkomstsluitende Partijen vastgestelde voorwaarden aan te melden bij de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zij binnenkomen. Deze aanmelding kan naar keuze van elke Overeenkomstsluitende Partij hetzij bij binnenkomst, hetzij binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de datum van binnenkomst, in het binnenland geschieden.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, worden uitzonderingen op het eerste lid door iedere Overeenkomstsluitende Partij vastgesteld en ter kennis gebracht aan het Uitvoerend Comité.

Ingevolge artikel 8 van de Vw 2000, voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

[…]

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

[…]

i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, is het aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij de bij of krachtens deze wet gestelde regels in acht neemt.

Ingevolge artikel 4.48, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 meldt de vreemdeling die rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder i, van de Vw 2000 en die naar Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.

2.4. Uit artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, en artikel 3, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang, volgt dat de Schengengrenscode geen afbreuk doet aan de rechten inzake vrij verkeer van burgers van de Unie en hun familieleden. Derhalve dient bij grensoverschrijding door een onderdaan van een derde land, die, zoals de vreemdeling, familielid is van een burger van de Unie, eerst onderzocht te worden of op deze zogenoemde derdelander de richtlijn van toepassing is.

2.4.1. Uit artikel 3, eerste lid, van Hoofdstuk 1, Algemene Bepalingen, van de richtlijn, volgt dat een onderdaan van een derde land, die familielid is van een burger van de Unie, alleen dan een recht van inreis en verblijf aan de richtlijn ontleent, indien hij samen met de burger van de Unie reist of alleen reist om zich bij de burger van de Unie in een andere lidstaat te voegen.

De vreemdeling heeft niet gesteld dat hij in Nederland samen met zijn echtgenote heeft gereisd. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt evenmin dat daarvan sprake was.

Nu zich geen situatie voordeed, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de richtlijn, is deze niet op hem van toepassing. De vreemdeling heeft derhalve niet als derdelander die familielid is van een burger van de Unie, op basis van de richtlijn een recht van inreis en verblijf en aldus rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Dat betekent dat op de vreemdeling, als derdelander, de Schengengrenscode van toepassing is.

2.5. De vreemdeling beschikt over een geldig, op zijn naam gesteld, Marokkaans paspoort en een geldige verblijfstitel voor België. Ook heeft hij het doel van zijn verblijf hier te lande, het verrichten van arbeid, gestaafd. Gezien voorts de hiervoor onder 2.2. vermelde gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, moet er van worden uitgegaan dat de vreemdeling ten tijde van de oplegging van de maatregel voldeed aan de in artikel 5 van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met de artikel 21, eerste lid, van de SUO gestelde toegangsvoorwaarden.

2.5.1. De ingevolge artikel 4.48, eerste lid,van het Vb 2000 op de vreemdeling rustende verplichting om zich binnen de daar gestelde termijn bij de korpschef te melden is één van de krachtens artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 gestelde regels.

Gelet hierop en nu aan de maatregel van bewaring onder meer ten grondslag is gelegd dat de vreemdeling zich niet bij de korpschef heeft aangemeld, kan worden aangenomen dat de rechtbank met de in grief bestreden overweging dat niet is gebleken dat de vreemdeling voldoet aan de vereisten van artikel 12, eerste lid, van de Vw 2000 doelt op deze op de vreemdeling rustende meldingsplicht.

De rechtbank is er aldus van uitgegaan dat deze meldingsplicht, naast de in artikel 5 van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met de artikel 21, eerste lid, van de SUO gestelde vereisten, eveneens een vereiste voor kort verblijf inhoudt.

2.5.2. Uit artikel 21, vierde lid, van de SUO volgt dat de desbetreffende vreemdeling niet alleen aan het gestelde in het eerste lid van dat artikel dient te voldoen, maar ook aan de in artikel 22 opgenomen meldingsplicht. Ook in artikel 21, aanhef en onder d, van de Schengengrenscode is vastgelegd dat deze meldingsplicht onverkort blijft gelden.

Gelet op de samenhang tussen de artikelen 21 en 22 van de SUO en in aanmerking genomen dat deze bepalingen zijn aangebracht in het Hoofdstuk Voorwaarden voor reisverkeer van vreemdelingen, behelst de meldingsplicht een voorwaarde voor kort verblijf. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat gezien het in artikel 22, derde lid, van de SUO opgenomen vereiste dat Overeenkomstsluitende Partijen door hen vastgestelde uitzonderingen op de meldingsplicht ter kennis brengen van het Uitvoerend Comité een groot belang moet worden gehecht aan de meldingsplicht. Die plicht heeft tot doel om de binnenkomst van een vreemdeling en daarmee ook de aanvang van de aan hem ingevolge artikel 21, eerste lid, van de SUO gegunde verblijfstermijn van ten hoogste drie maanden vast te leggen.

2.5.3. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de rechtbank er terecht vanuit is gegaan dat de meldingsplicht is te beschouwen als een voorwaarde voor kort verblijf. Nu ten aanzien van de vreemdeling geen uitzondering op de meldingsplicht van toepassing was en hij zich niet aan die verplichting heeft gehouden, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat in dit geval sprake was van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder i, van de Vw 2000.

Het hiervoor in 2.1. weergegeven onderdeel van de grief faalt.

2.6. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

347.

Verzonden: 26 mei 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser