Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200909519/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding, het "Wegaanpassingsbesluit A12 Woerden-Gouda" (hierna: het wegaanpassingsbesluit) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909519/1/M2.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding, het "Wegaanpassingsbesluit A12 Woerden-Gouda" (hierna: het wegaanpassingsbesluit) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2009, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2009, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 2] en de minister hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2010, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 3], in persoon, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 3], en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders, advocaat te Den Haag, ir. M. Bonnema, J.J. van Ettinger en P. van der Gaag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het wegaanpassingsbesluit

2.1. Het wegaanpassingsbesluit voorziet in een wijziging van de hoofdweg A12 Woerden-Gouda van km 44,25 tot km 27,00, waarbij op de noordelijke rijbaan een plusstrook wordt aangelegd, zoals aangegeven op de kaarten 1 tot en met 18 bij het wegaanpassingsbesluit.

Ontvankelijkheid [appellant sub 2]

2.2. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is omdat zijn beroepschrift buiten de termijn is ingediend.

2.2.1. [appellant sub 2] betoogt dat de datum van 24 december 2009 op de brief van zijn beroepschrift een verschrijving is. De werkelijke datum van de brief was volgens hem 23 december 2009. Verder voert [appellant sub 2] aan dat de brief in verband met de feestdagen hoe dan ook eerst op 28 december 2009 bij de Raad van State was ingekomen.

2.2.2. Ingevolge artikel 6.7, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb, in samenhang gezien met artikel 13 van de Spoedwet wegverbreding, zoals deze destijds luidde, vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag na die waarop het wegaanpassingsbesluit overeenkomstig artikel 3:42, eerste lid, van de Awb in samenhang gezien met artikel 10, zevende lid, van de Spoedwet wegverbreding, zoals deze destijds luidde, bekend is gemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2.3. Het wegaanpassingsbesluit is op 11 november 2009 bekend gemaakt, zodat de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift, gelet op artikel 6:8 van de Awb, is begonnen op 12 november 2009 en is geëindigd op 23 december 2009. Uit het poststempel op de enveloppe, dat als datum 24 december 2009 vermeldt, blijkt dat het beroepschrift na het einde van de termijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift van [appellant sub 2] is daarom gelet op artikel 6:9 van de Awb niet tijdig ingediend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant sub 2] in verzuim is geweest. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is.

Geluid

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] vrezen geluidhinder op hun woningen als gevolg van het wegaanpassingsbesluit. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 3] is de geluidbelasting op hun woningen onderschat en voorziet het wegaanpassingsbesluit onvoldoende in maatregelen om geluidhinder op hun woningen te beperken. [appellant sub 1] voert in dit verband aan dat het tracé van de rijksweg A12 nabij Reeuwijk enkele bochten kent waardoor geluidbelasting met de heersende windrichtingen vanuit verschillende richtingen ontstaat. Voorts zijn de geplande geluidschermen volgens hem ondeugdelijk; deze zijn te laag, te kort en bevatten volgens hem kieren, waardoor de geluidswerende werking teniet wordt gedaan. Verder is volgens [appellant sub 1] bij het berekenen van de geluidbelasting ten onrechte gebruik gemaakt van computermatige rekenmodellen.

[appellant sub 3] voert in dit verband aan dat bij het wegaanpassingsbesluit ten onrechte niet is betrokken dat zijn beide woningen alsmede alle woningen van de Kromwijkerdijk per 2008 een geluidbelasting van 59 tot 63 dB(A) hebben. Hij verwijst hierbij naar het zogenaamde A12Bravo-project. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat als gevolg van de bomenkap ten behoeve van de aanleg van de zuidelijke randweg Woerden de geluidhinder op zijn woningen is toegenomen.

Daarnaast is bij de berekening van de geluidbelasting op zijn woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] ten onrechte geen rekening gehouden met de cumulatie van railgeluid, aldus [appellant sub 3].

2.3.1. Op 1 januari 2007 zijn de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase, Stb. 350) en het Besluit geluidhinder in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de Wet geluidhinder zoals deze gold voor inwerkingtreding van de wet van 5 juli 2006, en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002, van toepassing zijn op het geding.

2.3.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding, zoals deze destijds luidde, zijn Afdeling 2A van hoofdstuk VI en artikel 111a van de Wet geluidhinder van overeenkomstige toepassing op de wegaanpassingsprojecten die in de bijlage, onder A, van de wet staan. Het bestreden besluit betreft projectnummer 11 van de bijlage, onder A, van de Spoedwet wegverbreding, zoals deze destijds luidde.

2.3.2.1. Ingevolge artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder (oud) wordt in afdeling 2A onder aanpassing van een weg verstaan: een aanpassing met betrekking tot een aanwezige weg die leidt tot een toename van de geluidsbelasting vanwege die weg van 2 dB(A) of meer.

Ingevolge artikel 87b, vijfde lid, van de Wet geluidhinder (oud) bestaan overwegende bezwaren van financiële aard voor de toepassing van afdeling 2A niet tegen maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, waarvan de kosten in redelijke verhouding staan tot kwaliteit, aard en gebruik van de woning, het andere geluidsgevoelige gebouw of het geluidsgevoelige terrein en tot de doeltreffendheid van die maatregelen.

2.3.2.2. Ingevolge artikel 87f, eerste lid, van de Wet geluidhinder (oud), voor zover hier van belang, is behoudens het tweede en derde lid de voor woningen binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten gevolge waarvan de hoofdweg of binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen worden aangepast, ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, indien de geluidsbelasting vanwege deze hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen op 1 maart 1986, van de gevel van deze woningen op dat tijdstip, onderscheidenlijk na ingebruikneming van deze hoofdweg of wegen lager was dan of gelijk was aan 55 dB(A), de voor de wijziging of verbreding ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kunnen de in dit lid bedoelde ministers een hogere dan de in het eerste lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) en met betrekking tot woningen in buitenstedelijk gebied de waarde 60 dB(A), onderscheidenlijk met betrekking tot woningen in stedelijk gebied de waarde 65 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge het vierde lid kunnen de in dit lid bedoelde ministers slechts toepassing geven aan het derde lid in die gevallen waarin toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van de betrokken woningen, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, tot de ingevolge het eerste of tweede lid geldende waarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.3.2.3. Uit artikel 157, eerste lid, voor zover hier van belang, in samenhang gezien met afdeling 2a van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (oud) en artikel 1a van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen, volgt dat voor een woning waarop artikel 87f of artikel 87g van de Wet geluidhinder (oud) van toepassing is en die in twee of meer aanwezige geluidzones langs spoorwegen als bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (oud) is gelegen slechts hogere waarden kunnen worden vastgesteld indien de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een naar het oordeel van de minister onaanvaardbare geluidbelasting.

2.3.3. De minister stelt zich op het standpunt dat de geluidbelasting van maximaal 55,47 dB(A) in de huidige situatie op de woning van [appellant sub 1] als gevolg van het wegaanpassingsbesluit en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten zal afnemen tot maximaal 52,24 dB(A) in 2022 na uitvoering van het wegaanpassingsbesluit. Ter hoogte van de wijk waar [appellant sub 1] woont, voorziet het wegaanpassingsbesluit volgens de minister in geluidschermen van 4 tot 6 m hoog. Bovendien voorziet het wegaanpassingsbesluit voor het deel van de A12 dat langs deze woonwijk loopt in het aanbrengen van tweelaags ZOAB op zowel de noordelijke als de zuidelijke rijbaan, aldus de minister. Wat betreft de woningen van [appellant sub 3] stelt de minister zich op het standpunt dat voor zijn woningen geen hogere waarden hoeven te worden vastgesteld. De minister verwijst voor de huidige geluidbelasting op zijn woningen naar bijlage 3.1 van het akoestisch rapport.

2.3.4. In artikel 102, eerste lid, van de Wet geluidhinder (oud) is bepaald dat - kort weergegeven - de minister regels stelt over de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg.

In het tweede artikellid (oud) is bepaald dat de minister regels kan stellen omtrent de onderzoeken, bedoeld in dit hoofdstuk.

De in dit artikel bedoelde regels zijn uitgewerkt in het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 (hierna: het RMV 2002).

2.3.5. De geluidbelasting op de woning van [appellant sub 1] bedroeg in 1986 minder dan 55 dB(A), zodat sanering voor deze woning niet aan de orde is. De huidige belasting op zijn woning is maximaal 55,47 dB(A) gelet op bijlage 3.1 van het akoestisch rapport. Voor deze woning als gevolg van het wegaanpassingsbesluit neemt dus de geluidbelasting af. Voor deze woning wordt dan ook geen hogere waarde vastgesteld.

Uit blz. 29 van het geluidrapport en de bijbehorende kaarten in bijlage 2 is het bestaande tracé inclusief de bochten gemodelleerd en derhalve betrokken bij de geluidberekeningen. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Voorts blijkt volgens het deskundigenbericht uit een 3D-weergave van het geluidsmodel dat de verhoogde ligging van het wegdek in het rekenmodel is gemodelleerd. Wat betreft de te plaatsen geluidschermen vermeldt het deskundigenbericht dat het technisch gezien mogelijk is om daar waar nodig kieren en spleten in geluidschermen toe te passen en tegelijkertijd de geluidwerende functie van het scherm te behouden. De Afdeling komt het deskundigenbericht in zoverre niet onjuist voor.

Het gebruikte rekenmodel is in overeenstemming met het RMV 2002, dat in artikel 102 van de Wet geluidhinder (oud) is voorgeschreven als methode ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg. In het akoestisch rapport is de geluidbelasting vanwege het wegaanpassingsbesluit op de in het RMV 2002 voorgeschreven wijze berekend. Het RMV 2002 vereist niet dat een feitelijke meting ter plaatse van de te wijzigen weg wordt uitgevoerd. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de berekende geluidbelasting in zoverre onjuist is.

Voor zover het betoog van [appellant sub 1] ook ziet op de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van spoorwegen wordt overwogen dat de woning van [appellant sub 1] niet in een zone van een spoorweg is gelegen, zodat de minister voor deze woning met de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van spoorwegen geen rekening hoefde te houden.

2.3.6. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] overweegt de Afdeling als volgt. Het A12BRAVO-project is een ander project dan het wegaanpassingsbesluit en staat derhalve in onderhavige zaak niet ter beoordeling. Uit bijlage 3.1 van het akoestisch rapport volgt dat in 1986 de maximale waarde van de geluidbelasting op de woningen 52,78 en 52,53 dB(A waren. Derhalve betreffen deze woningen geen saneringssituaties. De toename van de grenswaarde is minder dan 2dB(A), zodat eveneens geen sprake is van aanpassingswoningen. Wat betreft de overige woningen aan de Kromwijkerdijk blijkt uit bijlage 3 van het akoestisch rapport dat één woning, Kromwijkerdijk 114a, een saneringssituatie betreft; voor deze woning zijn hogere waarden vastgesteld. Ten aanzien van alle andere woningen aan de Kromwijkerdijk blijkt uit het akoestisch rapport dat ze geen saneringssituaties dan wel aanpassingswoningen vormen. Er worden derhalve, anders dan voor Kromwijkerdijk 114a, terecht voor deze woningen geen hogere waarden vastgesteld.

Volgens het deskundigenbericht is de afschermende werking van een bomenrij marginaal. De kap van deze bomenrij heeft derhalve geen gevolgen voor de geluidberekeningen die zijn uitgevoerd ten behoeve van het wegaanpassingsbesluit. Dit standpunt komt de Afdeling niet onjuist voor.

Wat betreft de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van spoorwegen wordt overwogen dat voor de woningen van [appellant sub 3] geen hogere waarden zijn vastgesteld, zodat de minister voor deze woningen met de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van spoorwegen geen rekening hoefde te houden.

2.3.7. Gezien het vorenstaande bestaat in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de minister in zoverre niet in redelijkheid het wegaanpassingsbesluit heeft kunnen vaststellen zonder daarbij nadere maatregelen voor te schrijven.

De beroepsgronden falen.

Luchtkwaliteit

2.4. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit in de vorm van fijn stof en stikstofdioxide. Volgens [appellant sub 1] voorziet het besluit onvoldoende in maatregelen ter beperking van deze hinder. [appellant sub 3] voert in dit verband aan dat onvoldoende rekening is gehouden met het gevolg van de bomenkap ten behoeve van het wegaanpassingsbesluit.

2.4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 5.16, eerste lid, onder d, in samenhang gezien met het tweede lid onder e, van de Wet milieubeheer een wegaanpassingsbesluit kan worden vastgesteld indien het besluit betrekking heeft op een project dat niet in strijd is met een vastgesteld programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid of artikel 5.13, eerste lid. Het project Wegaanpassingsbesluit A12 Woerden-Gouda is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL) en voldoet daarmee aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, aldus de minister. Deze grenswaarden zijn in de Wet milieubeheer opgenomen met het oog op de menselijke gezondheid, aldus de minister.

Wat betreft het betoog over de bomenkap stelt de minister zich op het standpunt dat bij de uitvoering van het wegaanpassingsbesluit meer bomen worden herplant dan gekapt, waarbij de dichtstbijzijnde bomen op meer dan 6,7 km afstand van de woningen van [appellant sub 3] liggen. De bomenkap heeft dan ook geen effect op de luchtkwaliteit ter plaatste van zijn woningen, aldus de minister.

2.4.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge artikel 5.16, tweede lid, onder e, van de Wet milieubeheer zijn de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften, de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 9 van de Spoedwet wegverbreding, zoals deze destijds luidde.

2.4.3. In het NSL is het project A12 Woerden-Gouda van km 44,25 tot km 27,00 opgenomen en aangemerkt als een niet ‘in betekenende mate’ bijdragend project. Het wegaanpassingsbesluit voorziet in een wijziging van de A12 waarbij op de noordelijke rijbaan een plusstrook wordt aangelegd.

Ingevolge artikel 5.16, derde lid, is voor besluiten welke zijn opgenomen in het NSL geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit meer noodzakelijk. In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hierover heeft aangevoerd bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het wegaanpassingsbesluit ten onrechte is vastgesteld.

De beroepsgrond faalt.

Natuurwaarden

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat het wegaanpassingsbesluit, wat betreft geluid en luchtkwaliteit, significante nadelige gevolgen heeft voor de natuurwaarden van de Reeuwijkse Plassen en omgeving, waarin het Vogelrichtlijngebied Broekvelden/Vettenbroek gelegen is. In dit verband voert hij aan dat het wegaanpassingsbesluit een nadelig effect heeft op verschillende bedreigde vogelsoorten. Volgens hem wordt dit mede veroorzaakt door de aanzuigende werking van het autoverkeer als gevolg van het wegaanpassingsbesluit en de overheersende windrichtingen.

2.5.1. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de voortoets uitgevoerd naar de effecten van de wegaanpassing op het Natura 2000-gebied "Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein", waartoe het vogelrichtlijngebied behoort, volgt, dat kan worden uitgesloten dat significante negatieve effecten optreden op de aanwezige beschermde habitattypen, habitatrichtlijn- en vogelrichtlijnsoorten.

2.5.2. Uit het rapport "WAB A12 Woerden-Gouda Natuurinventarisatie" van Tauw B.V. van 30 september 2009 volgt dat de depositie van stikstof en de geluidbelasting in het Natura 2000-gebied zal toenemen. Volgens dit rapport zijn de kwalificerende habitattypen tolerant voor stikstof en liggen deze habitattypen op ruime afstand van de rijksweg.

De geluidbelasting neemt volgens het rapport met name toe in de gebieden Broekvelden en Vettenbroek. In het rapport is op blz. 56 geconcludeerd dat geen significante negatieve effecten zullen optreden. De deelgebieden Broekvelden en Vettenbroek zijn volgens het deskundigenbericht met name van belang voor de kleine zwaan, smient, krakeend en slobeend. Volgens het deskundigenbericht is geen relatie gevonden tussen wegverkeerslawaai en de verstoringgevoeligheid van deze soorten. Het deskundigenbericht sluit zich aan bij de conclusies van het rapport van Tauw. Het deskundigenbericht komt de Afdeling in zoverre niet onjuist voor.

Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister in zoverre niet in redelijkheid het wegaanpassingsbesluit heeft kunnen vaststellen dan wel nadere maatregelen had moeten voorschrijven.

De beroepsgrond faalt.

Kwaliteit oppervlaktewateren buiten vogelrichtlijngebied

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat het wegaanpassingsbesluit nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Als gevolg van het wegaanpassingsbesluit zullen de zware metalen in het water toenemen, wat nadelige gevolgen heeft voor bepaalde vissensoorten en amfibieën, aldus [appellant sub 1].

2.6.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de kwaliteit van het afstromend wegwater hooguit marginaal zal veranderen omdat de verkeersaantrekkende werking van de plusstrook zeer beperkt is. Een effect op het geheel van het oppervlaktewater waarop het wegwater wordt afgevoerd, zal daarom volgens de minister niet optreden. Bovendien zorgt het tweelaags ZOAB voor een filtrerende werking waarbij verontreinigingen volgens de minister cumuleren in het wegdek. De verontreinigingen zullen periodiek uit het wegdek worden verwijderd, waardoor de filterende werking behouden blijft. Voorts wijst de minister erop dat bij het voorbereiden van het wegaanpassingsbesluit overleg heeft plaatsgevonden met het betrokken Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit heeft geleid tot een advies van het Hoogheemraadschap dat bij het wegaanpassingsbesluit wordt gevolgd, aldus de minister.

2.6.2. De Afdeling acht aannemelijk dat, zoals de minister stelt, het effect van het wegaanpassingsbesluit op de kwaliteit van het oppervlaktewater marginaal is. [appellant sub 3] heeft dit standpunt niet weerlegd noch anderszins in een ander daglicht geplaatst. Mede gezien het feit dat de minister bij het voorbereiden van het wegaanpassingsbesluit overleg heeft gehad met het Hoogheemraadschap en diens adviezen in het wegaanpassingsbesluit heeft opgevolgd, heeft de minister in redelijkheid het wegaanpassingsbesluit kunnen vaststellen zonder nadere maatregelen voor te schrijven.

De beroepsgrond faalt.

Verkeerskundige aspecten

2.6.3. [appellant sub 1] betoogt dat door het wegaanpassingsbesluit bij het Gouwe-aquaduct een nieuw verkeersprobleem ontstaat in de vorm van een flessenhals als gevolg van invoegend verkeer vanaf de N207/Goudse Poort en de N11.

2.6.4. De minister stelt zich op het standpunt dat het wegaanpassingsbesluit geen nieuwe verkeersproblemen met zich brengt. Volgens de minister ligt de aansluiting van de N11 op de A12 circa 8 kilometer ten oosten van het Gouwe-aquaduct en heeft de N11 geen aansluiting op het traject A12 Utrecht-Gouda. Wat betreft de aansluiting op de N207/Goudse poort verwacht de minister dat het verkeer dat hier aansluit op de A12 door het wegaanpassingsbesluit juist zal profiteren omdat de plusstrook extra capaciteit biedt.

2.6.5. Het deskundigenbericht vermeldt op blz. 16 dat het niet aannemelijk is dat de N11 en de invoeging van de N207 op de A12 van negatieve invloed zal zijn op de doorstroming op de rijksweg A12. Het deskundigenbericht komt de Afdeling juist voor. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid het wegaanpassingsbesluit heeft kunnen vaststellen zonder nadere maatregelen voor te schrijven.

Belangenafweging

2.7. [appellant sub 1] betoogt dat het algemeen belang niet opweegt tegen het belang van de natuur. Volgens hem bestaan er andere mogelijkheden om de verbinding tussen de Randstad en Duitsland te verbeteren, zoals het gebruik van de Betuweroute. Het economisch belang van het wegaanpassingsbesluit is onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellant sub 1].

2.7.1. De minister stelt zich op het standpunt dat het wegaanpassingsbesluit nuttig en noodzakelijk is voor een betere doorstroming van het verkeer. Volgens hem heeft het wegaanpassingsbesluit tot gevolg dat de gemiddelde snelheid met de plusstrook in 2020 in de ochtendspits 13 km per uur en in de avondspits 14 km per uur hoger ligt. Deze verbeterde doorstroming levert een aanzienlijke economische winst op, aldus de minister.

2.7.2. Het wegaanpassingsbesluit is als project opgenomen in de bijlage, onder A, bij de Spoedwet wegverbreding, zoals deze destijds luidde. De Spoedwet wegverbreding, zoals deze destijds luidde, ziet op aanpassingen van wegen ten behoeve van het vergroten van de capaciteit van een aantal hoofdwegen door middel van een betere benutting en verbreding van die wegen ten einde filevorming tegen te gaan. Niet in geschil is dat zich capaciteitsproblemen op het traject A12 Woerden-Gouda voordoen.

Gezien het vorenstaande heeft de minister in redelijkheid kunnen uitgaan van het nut en de noodzaak voor de aanleg van spitsstroken op dit traject.

De beroepsgrond faalt.

Planschade

2.8. [appellant sub 1] vreest waardevermindering van zijn woning van € 157.500,00 als gevolg van het wegaanpassingsbesluit.

2.8.1. De minister stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 12 van het wegaanpassingsbesluit een belanghebbende die schade zal leiden als gevolg van het wegaanpassingsbesluit een verzoek kan indienen om de schade vergoed te krijgen. De Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 is volgens de minister hierop van toepassing.

2.8.2. Niet is gebleken dat aan de belangen van [appellant sub 1] onvoldoende gewicht is toegekend en dat ten aanzien van de eventuele schade niet in redelijkheid kan worden volstaan met een verwijzing naar de in artikel 12 van het wegaanpassingsbesluit genoemde Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999. Een dergelijk verzoek om schadevergoeding betreft een zelfstandige procedure die geen betrekking heeft op het bestreden besluit en daarom bij de behandeling van dit beroep niet kan slagen.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.9. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

Proceskosten

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

375-537.