Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200909142/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2008 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een gehandicaptenparkeerkaart type passagier (hierna: passagierskaart) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909142/1/H3.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 november 2009 in zaak nr. 09/3063 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2008 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een gehandicaptenparkeerkaart type passagier (hierna: passagierskaart) afgewezen.

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. L.C. Blok, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door C. Bengoua, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: Babw) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen:

(…);

b. passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder;

(…);

d. bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt een gehandicaptenparkeerkaart niet afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt het geneeskundige onderzoek, ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van het Babw, verricht door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst dan wel - bij externe advisering - door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige.

2.2. Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 december 2008 een medisch advies van 4 december 2008 van een arts van de GGD Hollands Midden ten grondslag gelegd. Volgens het college bestaat gelet op dit advies geen medische indicatie voor het toekennen van een passagierskaart. Uit dit advies volgt namelijk dat de loopafstand die [appellante] maximaal kan overbruggen weliswaar tussen de 0 en 50 meter bedraagt, maar dat zij niet continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Verder volgt volgens het college uit het advies dat [appellante] geen aantoonbare ernstige beperking anders dan een loopbeperking heeft, als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de afgifte van een passagierskaart onder verwijzing naar het medisch advies van 4 december 2008 van de GGD heeft mogen weigeren. Volgens de rechtbank zijn er geen concrete aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het medisch advies, zodat het college dit advies aan zijn besluit van 24 december 2008 ten grondslag heeft mogen leggen.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de afgifte van een passagierskaart heeft mogen weigeren. Haar medische toestand is inmiddels verslechterd, omdat de hartklachten zijn verergerd en het medicijngebruik zeer hoog is. Verder is haar bloeddruk zeer hoog en lijdt zij aan ernstige slapeloosheid, waardoor zij oververmoeid raakt en zij last heeft van depressies. Zij heeft verder inmiddels last van zware krampen, waardoor het lopen zeer ernstig wordt bemoeilijkt. Volgens [appellante] is zij continu afhankelijk van de hulp van de bestuurder.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 19 september 2007 in zaak nr. 200702094/1), mag het bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het advies niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de juistheid van de bevindingen en de conclusie uit het advies moet worden getwijfeld. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college het advies van 4 december 2008 aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag mocht leggen.

Voor zover [appellante] betoogt dat zij voor de verlening van een passagierskaart in aanmerking komt nu haar fysieke gesteldheid is verslechterd, in verband waarmee zij in hoger beroep recente medische informatie van het Leids Universitair Medisch Centrum heeft overgelegd, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheid niet kan leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep, reeds omdat hier de situatie ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit ter toets staat.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

307-581.