Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200906625/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2002 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het uitbreiden van een garage/werkplaats op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906625/1/H1.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 juli 2009 in zaak nr. 08/401 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2002 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het uitbreiden van een garage/werkplaats op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en tevens aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en de bouwvergunning in stand gelaten.

Bij uitspraak van 16 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 maart 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Spierdijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in de uitbreiding aan de achterzijde van een gebouw, waarin een garagebedrijf is gevestigd, en het plaatsen van een luifel aan de voorzijde van dat gebouw.

2.2. Ingevolge het ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Loodhol" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Bedrijven met bijbehorende erven (B)".

Ingevolge artikel 9, lid 2a, van de planvoorschriften mogen op de kaart als zodanig aangewezen gronden gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsstroken.

2.3. Het college heeft vrijstelling van het bestemmingsplan verleend omdat het bouwplan de bebouwingsstrook aan de achterzijde van het gebouw met 3 m en aan de voorzijde van het gebouw met 2,5 m overschrijdt.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft geschonden door de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2009 in zaak nr. 200806834/1 aan haar uitspraak ten grondslag te leggen, zonder dat [appellant] zich hierover heeft kunnen uitlaten. Ingevolge artikel 8:69 van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling verklaard dat de rechtbank ten tijde van de zitting over voormelde openbaar gemaakte uitspraak beschikte. Nu voorts uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de gevolgen van de uitspraak voor onderhavige zaak aan de orde zijn gekomen, bestaat reeds hierom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de uitspraak niet in haar beoordeling mocht betrekken. Dat [appellant] zich hierover niet heeft kunnen uitlaten omdat hij noch een gemachtigde ter zitting is verschenen, komt voor zijn eigen risico.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over zijn in beroep aangevoerde grond dat het college niet had mogen toestaan dat een gewezen ambtenaar, die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het primaire besluit van 19 februari 2002, in de bezwaarprocedure heeft opgetreden als gemachtigde van vergunninghoudster. Dit betoog is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het hiermee beoogde doel, omdat de Awb noch een andere rechtsregel zich tegen deze gang van zaken verzet.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen belang meer heeft bij beoordeling van de beroepsgronden, voor zover deze betrekking hebben op de verleende vrijstelling, nu het bouwplan geheel in overeenstemming is met het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan "Kom Grijpskerke". Hij voert aan wel belang te hebben bij een rechterlijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van de vrijstelling omdat het bouwplan wat betreft de dakvoethoogte niet in overeenstemming is met dit nieuwe bestemmingsplan.

2.6.1. [appellant] voert terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan geheel in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan "Kom Grijpskerke", nu de in dit bestemmingsplan opgenomen maximale dakvoethoogte het gerealiseerde bouwplan niet toestaat, zoals ter zitting ook door het college is bevestigd. In zoverre bestaat nog steeds belang bij een beoordeling van de beroepsgronden die betrekking hebben op de vrijstelling. Het betoog leidt echter niet tot het daarmee beoogde doel. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

2.6.2. In het bestemmingsplan "Kom Grijpskerke" wordt voorzien in de uitbreiding van het garagebedrijf, in die zin dat het bouwvlak op het perceel zodanig wordt vergroot dat het bouwplan hierin past. Bij uitspraak van 20 mei 2009 in zaak nr. 200806834/1 heeft de Afdeling beslist op het door [appellant] tegen het besluit tot goedkeuring van dit bestemmingsplan ingestelde beroep en dit besluit in stand gelaten. De Afdeling heeft onder meer overwogen dat hetgeen [appellant] tegen dit deel van het bestemmingsplan heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten van Zeeland zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts is overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat zal optreden als gevolg van de uitbreiding van het bouwvlak van het garagebedrijf in het plan.

De door [appellant] tegen het bestemmingsplan aangevoerde gronden komen overeen met de tegen het besluit tot verlening van de vrijstelling aangevoerde gronden. Geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel om over deze gronden thans anders te oordelen.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat in afwijking van de verleende bouwvergunning buiten het bouwvlak is gebouwd, wordt overwogen dat dit in onderhavige procedure geen rol kan spelen en hij zo nodig een verzoek om handhaving kan indienen. Dit geldt eveneens voor de in dit verband aangevoerde betogen dat voor de uitbouw aan de oostzijde van het gebouw geen bouwvergunning is verleend en de hemelwaterafvoer vanaf het gebouw in afwijking van de aan de bouwvergunning verbonden voorschriften niet wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank de door [appellant] in beroep aangevoerde gronden met betrekking tot de toepasselijkheid van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab), de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) en de welstandsaspecten ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

2.7.1. Nu artikel 6:13 van de Awb noch een andere rechtsregel er aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden tegen een besluit worden aangevoerd, heeft de rechtbank ten onrechte deze eerst in beroep aangevoerde gronden buiten beschouwing gelaten. Hoewel het betoog terecht is voorgedragen, leidt het om het hierna volgende niet tot het hiermee beoogde doel.

2.7.2. [appellant] heeft tevergeefs betoogd dat de aanvraag om bouwvergunning alsnog moet worden getoetst aan het Biab. Omdat het Biab op 1 januari 2003 in werking is getreden, was dit ten tijde van de beoordeling van de aanvraag om bouwvergunning nog niet van toepassing.

2.7.3. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat niet duidelijk is geworden dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, slaagt dit niet. Het college heeft zijn oordeel omtrent welstand gebaseerd op het advies van de "welstandskommissie vereniging dorp, stad en land" van 8 februari 2002. [appellant] heeft niet aangevoerd dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of onjuistheden bevat. Geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

2.7.4. Nu de Afdeling in voormelde uitspraak van 20 mei 2009 heeft overwogen dat het college geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen aan de omstandigheid dat de woning van [appellant] op het aangrenzende perceel op een kleinere afstand staat dan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 30 m, slaagt deze grond evenmin.

2.8. [appellant] keert zich in hoger beroep niet tegen het oordeel van de rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) met twee jaar en ruim drie maanden is overschreden en dat de door [appellant] geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op € 2.500,00. [appellant] betoogt echter dat de bedoelde termijn door het instellen van het hoger beroep verder wordt overschreden en hij verzoekt de Afdeling het college te veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 3.500,00 als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

2.8.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1 dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen. Voor zaken zoals deze acht de Afdeling in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep twee jaar mag duren.

Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 2 april 2002 tegen het besluit van 19 februari 2002 zijn ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling acht jaar en ruim twee maanden verstreken. De rechtbank heeft reeds een vergoeding toegekend voor de overschrijding van de termijn met twee jaar en ruim drie maanden, aldus eindigend bij de openbaarmaking van de aangevallen uitspraak. De Afdeling zal, uitgaande van het tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, het college, met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, aanvullend veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan [appellant], als vergoeding voor de door hem als gevolg van de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade, gerekend vanaf de openbaarmaking van de aangevallen uitspraak tot en met de datum van openbaarmaking van deze uitspraak.

2.9. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft nagelaten het college te veroordelen in alle kosten die hij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, slaagt niet. De rechtbank heeft in verband met de behandeling van het beroep terecht volstaan met een veroordeling ter hoogte van € 322,00 voor het indienen van een beroepschrift. De bij de rechtbank ingediende nadere memorie van 20 april 2009 moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 september 2007 in zaak nrs. 200508082/1 en 200701178/1 is het indienen van een dergelijk stuk niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat [appellant] in de nadere memorie nieuwe gronden heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

2.10. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten in bezwaar.

2.10.1. [appellant] heeft in zijn bezwaarschrift van 2 april 2002, alsmede in latere stukken die hij in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift bij het college heeft ingediend, verzocht om vergoeding van de kosten voor juridische bijstand die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Nu het college bij het besluit van 18 maart 2008 niet heeft beslist op het door [appellant] ingediende verzoek, ontbeert het besluit op dit punt een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.

Ter zitting heeft het college toegezegd de door [appellant] gemaakte kosten in verband met de behandeling van zijn bezwaren van in totaal € 1288,00 te zullen vergoeden.

2.11. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld tot vergoeding van de geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 18 maart 2008 gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet op de ter zitting gedane toezegging door het college zal de Afdeling op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 juli 2009 in zaak nr. 08/401, voor zover aangevallen;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veere van 18 maart 2008, kenmerk 08U.02858, voor zover het college niet heeft beslist op het verzoek van [appellant] om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 18 maart 2008;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere om aan [appellant] te betalen een vergoeding van € 1.000,00 (zegge: duizend euro);

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 363,85 (zegge: driehonderddrieënzestig euro en vijfentachtig cent), waarvan € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veere aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

414-604.