Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200905440/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BI7454, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte met kassen en daarbij behorende kantoorruimte op een perceel tussen de Molenweg, Zuidersingel en de Schieveense polder te Berkel en Rodenrijs (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905440/1/H1.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2009 in zaak

nr. 08/1852 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland

(hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte met kassen en daarbij behorende kantoorruimte op een perceel tussen de Molenweg, Zuidersingel en de Schieveense polder te Berkel en Rodenrijs (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2009, verzonden de volgende dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nog een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2010, waar [appellant], bijgestaan door Ir. A.I. Koffeman, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Ruis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], mr. W.I. Koelewijn, advocaat te Den Haag, en ing. A.J.N. van Ruijven, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van kassen, bedrijfsruimten met laad-en loskuil, kantoorgebouw, vier silo's en een CO2 tank ten behoeve van de productie van biologische gewasbeschermingproducten en natuurlijke bestrijdingsmiddelen en voorts hommels voor de bestuiving van bloemen in de glastuinbouw.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten, heeft miskend dat het college voor het bouwplan in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.3. Ingevolge de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Rodenrijseweg 1987" en "Landelijk gebied 1979" rusten op het perceel de bestemmingen "Agrarische doeleinden" met de nadere aanwijzing (AZV) zonder gebouwen voor intensieve veehouderij" en "(zbkk) aan gebouwen alleen toegestaan gebouwen ten behoeve van de tuinbouw en "kleine"gebouwen ten behoeve van andere agrarische bedrijven".

Het bouwplan is hiermee in strijd.

2.4. Teneinde de realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) , vooruitlopend op het ontwerp-bestemmingsplan "Molenweg e.o. februari 2006" (hierna: het ontwerp 2006) vrijstelling verleend. Ingevolge die bepaling kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf hun verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben is vereist.

Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.5. Bij besluit van 9 oktober 2007 hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) krachtens die bepaling categorieën van gevallen aangewezen. Daarbij zijn onder meer situaties aangewezen waarin ruimtelijke ontwikkelingen die in overeenstemming zijn met die onderdelen van een bestemmingsplan, waarover de provincie, de directeur en de directie Ruimte en mobiliteit namens alle betrokken directies van de provincie, en de Inspecteur voor de Ruimtelijke Ordening in het kader van het artikel 10 Bro-overleg een positieve reactie hebben gegeven. Deze aanwijzing gold in elk geval ten tijde van het besluit van 11 maart 2008.

2.6. Volgens het ontwerp 2006 zal op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, kassen- Ak-" komen te rusten.

Volgens artikel 9, eerste lid, sub 1.1, van de desbetreffende planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bijzonder agrarische toeleveringsbedrijven met de daarbij behorende agrarische bedrijfsgebouwen, kassen, andere bouwwerken, open terreinen, watergangen en kavelwegen;

Volgens het derde lid, sub 1.1, onder a, zal de bedrijfsbebouwing, geen kassen zijnde, waaronder begrepen watertanks of watersilo's, uitsluitend mogen worden opgericht binnen het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak;

Volgens dat lid, sub 1.2, onder a, zal de goothoogte van kassen ten hoogste 7 meter mogen bedragen;

Volgens dat lid, sub 2., aanhef en onder a, voor zover thans van belang, zullen burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid, sub 1.1, onder a, voor een situering van bedrijfsbebouwing buiten het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak, indien dat in verband met een doelmatige bedrijfsuitoefening of terreininrichting gewenst of noodzakelijk is op voorwaarde, dat de gezamenlijke grondoppervlakte van deze gebouwen niet meer dan 100 m² bedraagt.

Volgens artikel 22, aanhef en lid c, aanhef en onder 2, zullen burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen voor het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met ten hoogste 20% mag worden afgeweken, nadat van gedeputeerde staten een verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben.

Volgens artikel 2, aanhef en onder A, sub a 5, vijfde lid, zal onder bijzonder agrarisch toeleveringsbedrijf worden verstaan: een bedrijf dat uitsluitend dan wel overwegend gericht is op het verlenen van biologische gewasbeschermingsmiddelen die binnen het bedrijf worden geproduceerd binnen kassen voor de levering aan agrarische bedrijven;

Volgens die aanhef en onder K4, zal onder kas worden verstaan: een gebouw dat hoofdzakelijk bestaat uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal.

2.7. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het bouwplan niet bij het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage heeft gelegen en niet is gebleken dat milieuaspecten voldoende bij de besluitvorming zijn meegewogen is dat voor het eerst in hoger beroep gebeurd. Aangezien het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is gericht en er geen reden is om aan te nemen dat [appellant] deze beroepsgronden niet eerder heeft kunnen aanvoeren, kan het aangevoerde thans niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.8. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat geen goede ruimtelijke onderbouwing aan het bouwplan ten grondslag ligt, omdat het college in bezwaar en beroep ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het ontwerp-bestemmingsplan "Molenweg e.o, versie 2004" slaagt evenmin.

De rechtbank heeft het besluit van 11 maart 2008 vanwege onduidelijkheden op dat punt vernietigd, doch dat niet aan een inhoudelijke beoordeling in de weg laten staan, omdat [appellant] in bezwaar met het ontwerp 2006 bekend kon zijn. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat zij dat ten onrechte heeft gedaan.

2.9. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door aan te nemen dat het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp 2006 en derhalve onder de door gedeputeerde staten aangewezen categorieën valt, heeft miskend dat de watersilo's, CO2 tanks, opslagruimten en technische ruimten buiten het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak zullen worden opgericht, de goothoogte van de bedrijfsruimte de maximaal toegestane hoogte overschrijdt en niet is gebleken dat hiervoor vrijstelling zal worden verleend. Bovendien heeft zij miskend dat het bedrijfsgebouw niet de verschijningsvorm van een kas heeft en het realiseren van klimaatcellen op de bestemming "kassen" niet is toegestaan. Tenslotte vormt de productie van hommels voor de bestuiving van gewassen geen "bijzonder agrarisch toeleveringsbedrijf", aldus [appellant].

2.9.1. Ook dat betoog faalt. De situering van het bebouwingsvlak is - naar het college onweersproken heeft gesteld - in het ontwerp 2006 aangepast, waardoor de voorziene bedrijfsbebouwing er in valt. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het bouwplan, waar een goothoogte van 8 meter is voorzien, binnen het ontwerp 2006 past, nu dit in de mogelijkheid voorziet om vrijstelling te verlenen voor kassen met een maximale goothoogte van 8,4 meter en dat het gebouw hoofdzakelijk uit glas zal bestaan en daarmee aan de omschrijving van een kas voldoet. Verder vindt de productie van biologische bestrijders voor een gedeelte plaats in cellen binnen de kas, welke activiteit past binnen de in het ontwerp 2006 voorziene definitie van "bijzonder agrarisch toelevingsbedrijf". Ook de nevenactiviteit om de insecten in te zetten als biologische bestuivers valt daaronder te brengen, nu die voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder A, sub a 5, vijfde lid, gestelde eis dat het bedrijf overwegend is gericht op het verlenen van biologische gewasbeschermingsmiddelen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak;

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

17-564.