Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200906640/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor op- en overslag van ongesorteerd puin, verontreinigde grond, puingranulaat, gasbetonblokken, zand en grind aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 juli 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/553
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906640/1/M1.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor op- en overslag van ongesorteerd puin, verontreinigde grond, puingranulaat, gasbetonblokken, zand en grind aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2010, waar [appellant], van wie [appellant A] in persoon, bijgestaan door E. Wolters, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.P.J. van Doveren en A.P.F. Rompen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt (uitspraak van 1 november 2006 in zaak nr. 200602308/1).

2.1.1. [appellant] heeft geen zienswijze naar voren gebracht over asbest. [appellant] heeft betoogd dat hij pas in augustus 2009 van het college heeft vernomen dat volgens het besluit het puin en stof een beperkte hoeveelheid asbest mag bevatten. Nu de aanvraag met inbegrip van het op 16 februari 2009, derhalve voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, daaraan op verzoek van het college toegevoegde "Acceptatie- en verwerkingsbeleid [vergunninghoudster]" de al dan niet te accepteren afvalstoffen en de inspectie op asbest beschrijft, bestaat er geen grond voor het oordeel dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij over deze categorie milieugevolgen geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voor zover dat betrekking heeft op asbest niet-ontvankelijk is.

2.2. [appellant] heeft zich in het beroepschrift, wat de grond over de plicht tot het maken van een milieueffectrapportage betreft, beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant] heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond treft gelet hierop geen doel.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellant] betoogt dat een inrichting als de onderhavige, waarbij puin en andere materialen tot aan de erfgrens worden opgeslagen, zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. In dit verband voert [appellant] aan dat het bestemmingsplan ter plaatse kleine industrie en handel toelaat.

Het college heeft ter zitting betoogd dat op de bestemmingsplankaart de bestemming industriële doeleinden is aangegeven.

De Afdeling overweegt dat niet aannemelijk is dat door het verlenen van de Wet milieubeheervergunning strijd ontstaat met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] vreest voor geluid- en trillinghinder vanwege de inrichting. Volgens [appellant] is onvoldoende onderzocht of de geluidhinder binnen de gestelde normen blijft en had het college niet mogen uitgaan van de juistheid van het akoestisch onderzoek. De ervaring leert volgens [appellant] dat hij niet meer buiten kan zitten door geluid en trillingen van stortingen en van het in werking zijn de puinbreker, temeer daar de puinbreker niet stond opgesteld op de vergunde plaats maar op het perceel grenzend aan zijn perceel, een hydraulische in plaats van de vergunde elektrische puinbreker in werking was, grotere hoeveelheden puin dan toegestaan worden verwerkt en ruimere werktijden dan toegestaan worden gehanteerd.

2.5.1. Het college stelt zich, wat geluid betreft, op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van het akoestisch onderzoek te twijfelen en dat het om die reden geen aanleiding heeft gezien nader onderzoek te (doen) verrichten.

2.5.2. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.

2.5.3. In de vergunningvoorschriften F.1 tot en met F.3 zijn geluidgrenswaarden gesteld.

De inrichting is gevestigd op een gezoneerd industrieterrein. De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau leiden er niet toe dat de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de zonegrenswaarde dan wel andere ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in acht te nemen geluidgrenswaarden overschrijdt.

De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Gelet hierop heeft het college deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

2.5.4. [vergunninghoudster] heeft bij haar aanvraag een op 22 december 2008 door Bureau Geluid NL opgesteld akoestisch rapport, kenmerk 20083114 ingediend. De aanvraag maakt blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uit van de vergunning.

In het aan het akoestisch rapport ten grondslag liggende onderzoek is onder meer rekening gehouden met de inzet van materieel, waaronder een mobiele elektrische puinbreker, op het buitenterrein.

In hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dat rapport. Gelet op de conclusies van dit rapport, is het college er terecht van uitgaan dat de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Onder deze omstandigheden heeft het college dan ook van het (doen) uitvoeren van een nieuw akoestisch onderzoek mogen afzien.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5.5. Ten aanzien van de gestelde vrees voor trillinghinder stelt het college zich op het standpunt dat de afstand tussen de betrokken activiteiten binnen de inrichting en de woningen van derden of andere gevoelige objecten dusdanig groot is dat voor trillinghinder niet hoeft te worden gevreesd.

2.5.6. Uit de tekening behorende bij de aanvraag blijkt dat de puinbreker zich op een afstand van meer dan 50 meter van de dichtstbijzijnde woning dient te bevinden. Aangezien de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, is [vergunninghoudster] verplicht zich hieraan te houden. Hetgeen [appellant] ten aanzien van trillinghinder heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich bij naleving van de vergunning ter plaatse van de woning van [appellant] geen onaanvaardbare trillinghinder voordoet.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] vreest stofhinder vanwege de inrichting. Hij betoogt dat de vergunningvoorschriften niet toereikend zijn. Voorts neemt [vergunninghoudster] het volgens [appellant] niet zo nauw met deze voorschriften, waaronder het voorschrift dat stof met bevochtiging moet worden tegengegaan.

2.6.1. Het college stelt zich, onder verwijzing naar de Nederlandse emissierichtlijn lucht (Infomil; hierna: de NeR), op het standpunt dat met het aan de vergunning verbinden van de voorschriften E.1 tot en met E. 10 en H.1 tot en met H.3 de door de inrichting veroorzaakte stofhinder in afdoende mate wordt voorkomen dan wel beperkt.

2.6.2. Ingevolge voorschrift E.7 moet(en) ter voorkoming van verstuiving op het terrein van de inrichting de opslag(en) van grond, afvalstoffen, puingranulaat, zand en grind in voldoende mate worden bevochtigd, zodra de weersomstandigheden daartoe aanleiding geven.

Ingevolge voorschrift H.3 moet het breken van puin zodanig gebeuren dat geen stofverspreiding plaatsvindt. Als stofverspreiding niet zonder aanvullende maatregelen kan worden voorkomen, moet het puin vochtig worden gehouden.

2.6.3. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, derde lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. In tabel 2 van de bijlage bij de regeling is de NeR als document vermeld.

2.6.4. In paragraaf 3.8.3 van de NeR wordt een klasse-indeling gehanteerd voor stuifgevoelige stoffen. Deze indeling varieert van "sterk stuifgevoelig" (klasse S1) tot "nauwelijks of niet stuifgevoelig" (klasse S5). Onweersproken is gesteld dat de zich op het terrein van de inrichting bevindende stoffen zijn aan te merken als "licht stuifgevoelige stoffen" (klasse S4) respectievelijk "nauwelijks stuifgevoelige stoffen" (klasse S5).

In paragraaf 3.8.4 van de NeR zijn maatregelen opgenomen om verspreiding van stof te verminderen.

De aan de vergunning verbonden voorschriften E.1 tot en met E.10 en H.1 tot en met H.3 bevatten maatregelen die in overeenstemming zijn met die in paragraaf 3.8.4. van de NeR zijn opgenomen. In hetgeen [appellant] aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ter voorkoming of voldoende beperking van stofhinder toereikend zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Voor zover [appellant] aanvoert dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften niet worden nageleefd, heeft deze beroepsgrond geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan deze om die reden niet slagen.

2.8. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het asbest betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

271-489.