Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5608

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200907248/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college aan de gemeente Dordrecht vrijstelling verleend voor het oprichten van een beweegbare fietsbrug op het perceel Badweg/Wantijdijk te Dordrecht.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907248/1/H1.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Het Wantij, gevestigd te Dordrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2009 in zaak nrs. 09/2401 en 09/1995 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college aan de gemeente Dordrecht vrijstelling verleend voor het oprichten van een beweegbare fietsbrug op het perceel Badweg/Wantijdijk te Dordrecht.

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college aan de gemeente bouwvergunning verleend voor het oprichten van die fietsbrug.

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. R.D. Boesveld, advocaat te Amsterdam, en [secretaris] van de stichting, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Hol, A. Hoogesteger, A.M. Hunter, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Als deskundige van de zijde van het college is gehoord ing. F. Mertens, werkzaam bij Adviesbureau Mertens B.V..

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een beweegbare fietsbrug. De brug overspant een waterloop, waarvan de beide oevers tot het perceel behoren. Ter plaatse gelden twee bestemmingsplannen.

De gronden op de rechteroever en aangrenzend water hebben ingevolge het daar geldende bestemmingsplan "Dordwijkzone, westzijde rondweg" de bestemmingen "Groenvoorzieningen", "Waterkering", "Waterwingebied" en "Waterstaatsdoeleinden met natuurwetenschappelijke waarden".

De gronden op de linkeroever en aangrenzend water hebben ingevolge het daar geldende bestemmingsplan "De Vlij en omgeving" (hierna: De Vlij) de bestemmingen "Groenvoorzieningen-park", "Waterkering", "Waterwingebied" en "Waterstaatsdoeleinden met natuurwetenschappelijke waarden".

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Vlij" zijn op de op de plankaart als "Waterstaatsdoeleinden met natuurwetenschappelijke waarden" aangewezen gronden toegelaten:

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bruggen, scheepvaarttekens;

b. afmeervoorzieningen voor de recreatievaart, echter uitsluitend op de op de plankaart aangegeven gronden.

2.2. Het bouwplan is in strijd met de geldende bestemmingsplannen. Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.3. De stichting betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan ook op andere punten dan waarvoor vrijstelling is verleend in strijd is met de geldende bestemmingsplannen. Volgens haar staan die plannen, anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, het oprichten van een fietsbrug niet toe. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat de beoogde wachtplaatsen voor boten aan weerszijden van de fietsbrug moeten worden aangemerkt als afmeervoorzieningen voor de recreatievaart, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Vlij", en zijn dergelijke plaatsen, bij gebreke aan een aanduiding op de plankaart, niet toegestaan op de betrokken gronden. Verder voert zij aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd met dat plan wordt opgericht in de nabijheid van hoogspanningskabels en in strijd met de toelichting bij dat plan voorziet in een beweegbare brug.

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007 in zaak nr. 200703037/1 geoordeeld dat het oprichten van een fietsbrug op de betrokken locatie niet in strijd is met de geldende bestemmingsplannen. Hetgeen de stichting naar voren heeft gebracht, biedt geen aanleiding om van het in die uitspraak gegeven oordeel terug te komen.

De voorzieningenrechter heeft verder terecht geoordeeld dat de beoogde plaatsen voor boten aan weerszijden van de fietsbrug niet kunnen worden aangemerkt als afmeervoorzieningen voor de recreatievaart, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan "De Vlij", nu die plaatsen uitsluitend bestemd zijn voor het wachten op het opengaan van de brug.

Voorts zijn in het bestemmingsplan "De Vlij" geen voorschriften opgenomen omtrent de tot hoogspanningskabels aan te houden afstand. De voorzieningenrechter heeft op dit punt dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met dat bestemmingsplan. Voor zover de stichting betoogt dat dergelijke voorschriften ten onrechte niet in het bestemmingsplan "De Vlij" zijn geen opgenomen, had dat betoog naar voren dienen te worden gebracht in de bestemmingsplanprocedure en kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. In zoverre bestaat ook, in aanmerking genomen dat ingevolge de bestemmingsplannen op het perceel een fietsbrug is toegestaan, geen aanleiding voor het oordeel dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland de verklaring van geen bezwaar van 18 november 2008 niet hadden mogen verlenen.

Het betoog van de stichting dat het bouwplan in strijd met de toelichting op het bestemmingsplan "De Vlij" voorziet in een beweegbare brug, leidt, wat daar ook van zij, evenmin tot het beoogde doel, nu de planvoorschriften noch de plankaart zich tegen een brug verzetten.

Het betoog faalt.

2.4. De stichting betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan ondanks zijn afmetingen een relatief geringe inbreuk maakt op de geldende bestemmingsplannen. Volgens de stichting wordt een grote inbreuk gepleegd op het bestaande planologische regime en voldoet de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing derhalve niet aan de daaraan te stellen eisen.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2002 in zaak nr. 200201760/1), kunnen aan de ruimtelijke onderbouwing van een project minder zware eisen worden gesteld naarmate de inbreuk van dat project op het bestaande planologische regime kleiner is.

2.4.2. Hoewel de stichting niet zonder grond heeft aangevoerd dat de inbreuk vooral wat de hoogte betreft niet onaanzienlijk is, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze zo groot is, dat strengere eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing, dan die waaraan zij voldoet. In dat verband heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat voorop staat en van doorslaggevende betekenis is dat een fietsbrug op deze locatie ingevolge de bestemmingsplannen is toegestaan. Hij heeft verder terecht belang gehecht aan de omstandigheid dat de pylonen van de brug weliswaar hoger zijn dan toegestaan, maar de omtrek ervan relatief gering is. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de technische ruimte van de brug, die, zoals de stichting op zichzelf terecht betoogt, afwijkt van de voorschriften van de ter plaatse geldende bestemmingen, is opgenomen in het landhoofd van de brug en derhalve een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft.

Het betoog faalt.

2.5. De betogen van de stichting dat het college de zwakte van de aanwezige dijk ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken en dat het bouwplan in strijd is met het streekplan heeft de voorzieningenrechter gemotiveerd verworpen. In hoger beroep heeft de stichting niet nader onderbouwd waarom het oordeel van de voorzieningenrechter onjuist zou zijn. Reeds daarom kunnen die betogen niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.6. De stichting betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Volgens haar dient aan de bescherming van de landschappelijke waarden en natuurwaarden ter plaatse, gelet ook op het belang dat daaraan in de bestemmingsplannen en beleidsnota's wordt gehecht, doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat nauwelijks belang bestaat bij het oprichten van de fietsbrug.

2.6.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om een vrijstelling al dan niet te verlenen.

2.6.2. De stichting heeft uitgebreid uiteengezet waarom het college naar haar oordeel vanwege de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden geen vrijstelling had mogen verlenen. Er kan evenwel niet aan voorbij worden gegaan dat, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, de bestemmingsplannen een fietsbrug ter plaatse toestaan. Dat gegeven dient dan ook voorop te worden gesteld bij de beoordeling van de beslissing van het college om vrijstelling te verlenen, hetgeen meebrengt dat, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, aan de door de stichting gestelde waarden een beperkte betekenis toekomt.

Uit onder meer de zienswijzennota van september 2008 kan worden afgeleid dat de fietsbrug in het verlengde ligt van een recreatief fietspad langs het Wantij en dit fietspad verbindt met het Wantijpark. Het is de bedoeling de recreatieve fietsroute langs het Wantij verder te ontwikkelen richting binnenstad. Gezien het belang van de aanwezigheid van dergelijke routes in een stedelijke omgeving, zoals dat ook blijkt uit de op 2 december 2008 door de raad van de gemeente Dordrecht vastgestelde nota "Dordt fietst door", waarin de fietsbrug wordt vermeld, kan de stichting niet worden gevolgd in haar betoog dat geen belang bestaat bij realisering van de brug. Gelet hierop en op de keuze van de plangever om de bouw van een fietsbrug op deze locatie mogelijk te maken, heeft het college in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van de vrijstelling dan aan de belangen bij weigering daarvan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in het oorspronkelijke ontwerp van het Wantijpark al een brug ter plaatse was ingetekend en dat met de fietsbrug aansluiting wordt gezocht bij een bestaande weg in het park die reeds door fietsers wordt gebruikt. Voorts is van belang dat, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2009 in zaak nr. 200903371/1/H3, die betrekking had op procedures ingevolge de Flora- en Faunawet omtrent de realisatie van de fietsbrug, niet aannemelijk is gemaakt dat de aanwezigheid van de fietsbrug en de toename van het aantal fietsers in het gebied als gevolg daarvan dermate verstorend zullen zijn voor ter plaatse aanwezige beschermde soorten, dat de vrijstelling om die reden had moeten worden geweigerd.

De stelling dat de gemeente begonnen is met de werkzaamheden aan de fietsbrug zonder over een aantal andere daarvoor benodigde vergunningen te beschikken, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel, nu dat ziet op de uitvoering van het bouwplan. Die ligt hier niet ter beoordeling voor.

Het betoog faalt.

2.7. Anders dan de stichting verder betoogt, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd met artikel 2.5.19, tweede lid, van de Bouwverordening gemeente Dordrecht 2003 is verleend, nu dat artikel ingevolge artikel 18, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Vlij", gelezen in verbinding met artikel 9, tweede lid, van de Woningwet, buiten toepassing blijft.

Het betoog dat moet worden voldaan aan de regels die TenneT, de netbeheerder van het elektriciteitsnetwerk, stelt voor het bouwen binnen 3 m van een hoogspanningskabel, ziet niet op een van de weigeringsgronden van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet en leidt reeds daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.8. De stichting betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het advies van de Welstands- en monumentencommissie van de gemeente Dordrecht van 7 februari 2008 naar de wijze van totstandkoming noch naar de inhoud gebreken vertoont. Volgens haar is de welstandscommissie uitgegaan van een onjuist beeld van de fietsbrug. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van ir. H.A. van Steennis van 20 juli 2009, waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.8.2. Anders dan het college als verweer heeft gesteld, brengt de enkele omstandigheid dat het advies van Van Steennis, dat in beroep is overgelegd, dateert van na het nemen van het besluit op bezwaar niet mee dat dat advies buiten beschouwing dient te worden gelaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in voormelde uitspraak van 6 mei 2009, mag een dergelijk advies ook in hoger beroep nog worden overgelegd, mits het dient ter onderbouwing van een in beroep reeds naar voren gebrachte grond betreffende welstand en de andere partijen voldoende gelegenheid hebben gehad om op het advies te reageren.

2.8.3. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat de welstandscommissie, nu zij vanaf het begin bij het bouwplan betrokken is geweest en beschikte over de bouwaanvraag en de bouwtekeningen, waarop de maatvoering is aangegeven, zich een goed oordeel heeft kunnen vormen over het bouwplan. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het welstandsadvies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

De voorzieningenrechter heeft voorts terecht geconcludeerd dat uit het advies van Van Steennis, voor zover dat al betrekking heeft op de welstand, niet kan worden afgeleid dat, en zo ja, waarom het advies van de welstandscommissie zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Van Steennis het bouwplan niet kenbaar heeft getoetst aan de criteria van de Welstandsnota, die ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet het toetsingskader vormen. Voorts is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, (uitspraak van 29 april 2009 in zaak nr. 200805218/1) de welstandscommissie zich dient te richten naar de ten tijde van het uitbrengen van het welstandsadvies geldende planologische bouwmogelijkheden. Uit het advies van Van Steennis blijkt echter niet dat deze in aanmerking heeft genomen dat de geldende bestemmingsplannen een fietsbrug op deze locatie toestaan. Onder die omstandigheden biedt het enkele feit dat het bouwplan in de visie van Van Steennis in strijd is met redelijke eisen van welstand geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het welstandsadvies. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat de in de welstandsnota neergelegde criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan.

Het betoog van de stichting dat de voorzieningenrechter de door haar meegebrachte deskundigen ten onrechte niet heeft gehoord, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de voorzieningenrechter noch uit de andere stukken van het dossier kan worden afgeleid dat de stichting de voorzieningenrechter daarom heeft verzocht.

Het betoog faalt.

2.9. Voor zover de stichting ten slotte betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, kan dat niet leiden tot het door haar beoogde doel, reeds omdat uit het voorgaande volgt dat de beslissing van de voorzieningenrechter juist is.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

457.