Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200905955/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het uitbreiden van het natuurkampeerterrein "De Kamperhoek" van 15 naar 50 kampeerplaatsen aansluitend aan het agrarisch bouwblok, de verbouw van een sanitaire unit, het aanbrengen van beplanting en het aanleggen van infrastructuur en bijbehorende recreatieve voorzieningen op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/2288
ABkort 2010/193
JOM 2010/520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905955/1/H1.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 juli 2009 in zaak nr. 08/962 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hulst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het uitbreiden van het natuurkampeerterrein "De Kamperhoek" van 15 naar 50 kampeerplaatsen aansluitend aan het agrarisch bouwblok, de verbouw van een sanitaire unit, het aanbrengen van beplanting en het aanleggen van infrastructuur en bijbehorende recreatieve voorzieningen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 2 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. M.I.J. Toonders en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door E. Gerritse-Dekker en P. Verstraeten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De uitbreiding van het natuurkampeerterrein is in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied-Noord". Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) wordt onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de tenten en toercaravans die op het kampeerterrein zullen worden geplaatst niet kunnen worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Volgens hen moeten die tenten en toercaravans wel als zodanig worden aangemerkt en vormen deze derhalve een belemmering voor de door hen gewenste bouw van twee varkensstallen op een nabij gelegen perceel.

2.3.1. "De Kamperhoek" is een natuurkampeerterrein zonder kantine, dat, zoals ook volgt uit de aan de vrijstelling verbonden voorschriften, geopend is van april tot en met oktober. Uit de ruimtelijke onderbouwing van maart 2007 en de ter zitting door het college en [vergunninghouder] gegeven toelichting blijkt dat, gelet op de aard van het natuurkampeerterrein, kampeerders daar niet meer dan enkele weken per jaar verblijven en dat hun tenten of toercaravans slechts kortstondig op het terrein aanwezig zijn. De tenten en toercaravans worden uitsluitend voor eigen gebruik geplaatst en niet aan derden verhuurd. Mede ter bescherming van het gras zijn op het terrein geen vaste seizoensplaatsen aanwezig. Om te waarborgen dat het terrein daadwerkelijk als natuurkampeerterrein zal worden gebruikt, heeft het college aan de vrijstelling de voorschriften verbonden dat het kampeerterrein in gebruik blijft als seizoensgebonden natuurkampeerterrein en hiertoe aangesloten blijft bij de stichting natuurkampeerterreinen en dat geen stacaravans of andere permanente verblijfsrecreatieverblijven zijn toegestaan.

2.3.2. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de aanwezigheid, en daarmee het gebruik, van de tenten en toercaravans op het natuurkampeerterrein zodanig beperkt van duur is dat deze niet permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat die tenten en toercaravans niet kunnen worden aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wgv.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

457.