Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200909100/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft het college aan De Cruquius vergunning verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909100/1/H3.

Datum uitspraak: 26 mei 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting De Cruquius (hierna: De Cruquius), gevestigd te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 oktober 2009 in zaak nr. 08/7039 in het geding tussen:

de vereniging afdeling Haarlemmermeer/Aalsmeer van het Koninklijk Verbond van ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: KHN), gevestigd te Haarlemmermeer

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft het college aan De Cruquius vergunning verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf.

Bij uitspraak van 16 oktober 2009, verzonden op 19 oktober 2009, heeft de rechtbank het door KHN daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 augustus 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Cruquius bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2009, hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2010, waar De Cruquius, vertegenwoordigd door mr. H. van Lier, advocaat te Haarlem, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2. De Cruquius betoogt dat de rechtbank KHN ten onrechte in haar beroep heeft ontvangen. Volgens De Cruquius heeft KHN niet gesteld of bewezen welke van haar leden door het verlenen van de vergunning mogelijk in hun belangen geschaad worden en welke belangen van die leden in het geding zijn.

2.2.1. Artikel 3 van de statuten van KHN bepaalt dat de vereniging ten doel heeft in het gebied Haarlemmermeer/Aalsmeer de algemene materiële en immateriële (bedrijfs)belangen van de leden en de bedrijfscategorieën waartoe deze behoren te behartigen, zulks in overeenstemming met het doel in de statuten van het Koninklijk Verbond van ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland.

Volgens de statuten is het doel van KHN derhalve, op te komen voor de belangen van haar leden. Daarmee wordt KHN ook in een geding als het onderhavige geacht voor deze belangen op te komen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak nr. 200507730/1), komt een belangenorganisatie die opkomt voor het belang van haar leden daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. Anders dan De Cruquius betoogt, hoeft KHN daarom niet op te komen voor de belangen van een of meer met name genoemde leden. KHN heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij opkomt voor het belang van eerlijke concurrentie. Dit belang valt onder de in artikel 3 van de statuten van KHN genoemde materiële en immateriële belangen van haar leden. Vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2009 in zaak nr. 200807266/1/H1. Nu het belang van eerlijke concurrentie mogelijk wordt geschaad door verlening van de vergunning aan De Cruquius en leden van KHN daardoor mogelijk omzetverlies zullen lijden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door KHN behartigde belangen bij het bij de rechtbank bestreden besluit zijn betrokken en zij daarom als belanghebbende moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft KHN daarom terecht ontvankelijk geacht in haar beroep.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

176-622.