Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200905259/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft de korpschef van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost de aanvraag van [appellant] om een jachtakte voor het seizoen 2007-2008 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905259/1/H3.

Datum uitspraak: 26 mei 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juni 2009 in zaak nr. 08/1249 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft de korpschef van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost de aanvraag van [appellant] om een jachtakte voor het seizoen 2007-2008 afgewezen.

Bij besluit van 22 februari 2008 heeft de minister het beroep van [appellant] gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van de korpschef vernietigd, voor zover dit is gemotiveerd met de veroordeling van [appellant] van 24 april 2002 en dit besluit voor het overige gehandhaafd.

Bij uitspraak van 4 juni 2009, verzonden op 8 juni 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 februari 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Steemers, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is het verboden te jagen zonder voorzien te zijn van een geldige jachtakte, voor zover het betreft het jagen met een geweer.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder e, wordt een jachtakte geweigerd indien er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of hierdoor een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen.

Ingevolge artikel 42, eerste lid, berust de bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen van jachtakten bij de korpschef van het regionale politiekorps in de regio, waarin de woonplaats van de aanvrager is gelegen.

Ingevolge het vierde lid staat tegen beschikkingen van de korpschef als bedoeld in het eerste lid administratief beroep open bij de minister indien de jachtakte is geweigerd om redenen als bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel e.

Volgens de Circulaire wapens en munitie 2005 (hierna: de CWM 2005), die beleidsregels inhoudt, geldt hetgeen in de CWM 2005 is vermeld omtrent "vrees voor misbruik" eveneens bij de toepassing van de Ffw.

Volgens de CWM 2005, bijzonder deel (B), paragraaf 1.2, kan vrees voor misbruik blijken uit veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken.

Volgens deze paragraaf, ad a, mag de houder om voor het beschikken over een jachtakte in aanmerking te komen niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. Verder mag de aanvrager van een jachtakte op het moment van de aanvraag niet binnen de laatste vier jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd. Een uitspraak waarvan hoger beroep, dan wel beroep in cassatie, is ingesteld, wordt gelijkgesteld met een onherroepelijke uitspraak totdat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Volgens dezelfde paragraaf is er ruimte om van deze leidraad af te wijken. De korpschef kan, indien het gaat om een (toekomstig) aktehouder, een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten.

De vrees voor misbruik kan, volgens deze paragraaf, ad b, eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat niet tot een veroordeling heeft geleid. Een dergelijk geval doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is of kan zijn geweest.

In paragraaf 1.3 van de CWM 2005 is een overgangsmaatregel opgenomen. Volgens deze paragraaf gelden voor personen die een strafbaar feit hebben gepleegd en die vóór de inwerkingtreding van deze circulaire reeds in het bezit waren van een vergunning op grond van de Wet wapens en munitie (of van een jachtakte) de ‘vrees voor misbruik’ criteria uit onderdeel B\4.3 van de Circulaire wapens en munitie uit 1997 (hierna: CWM 1997). Deze overgangsmaatregel is uitsluitend van toepassing voor zover het desbetreffende strafbare feit is gepleegd vóór de inwerkingtreding van de CWM 2005 en voor zover het desbetreffende feit op grond van de CWM 1997 geen reden opleverde voor de conclusie dat er sprake was van een situatie van ‘vrees voor misbruik’ op grond waarvan de vergunning zou kunnen worden geweigerd of ingetrokken.

Volgens onderdeel B\4.3, ad a, van de CWM 1997 mag de aanvrager niet binnen de laatste acht jaar bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens de, in a tot en met g van dat onderdeel, genoemde wetten. Volgens dit onderdeel kan een veroordeling wegens overtreding van een niet expliciet genoemd artikel niet zonder meer leiden tot weigering of intrekking van het verlof. Herhaalde overtreding van dergelijke bepalingen of een aantal van dergelijke overtredingen in onderling verband, dan wel in relatie tot veroordelingen wegens de wel genoemde feiten, kan onder omstandigheden echter tot de conclusie leiden dat de betrokkene rechtsregels naast zich neerlegt waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een aantasting van de rechtsorde.

2.2. De korpschef heeft aan het besluit tot weigering van de jachtakte ten grondslag gelegd dat aan [appellant] het onder zich hebben van wapens en munitie niet kan worden toevertrouwd dan wel dat daarvan misbruik zal worden gemaakt. Hiertoe heeft hij overwogen dat [appellant] op 24 april 2002 door het gerechtshof te 's-Gravenhage is veroordeeld tot een boete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, en dat hij op 6 december 2005 is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een boete van € 75.000,00 wegens overtreding van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

De minister heeft in zijn besluit van 22 februari 2008 overwogen dat de korpschef de veroordeling van 24 april 2002 niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen, maar dat de korpschef zich niettemin op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] misbruik zal maken van zijn bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben. [appellant] is op 6 december 2005 veroordeeld voor overtreding van de Awr en op 4 april 2007 is hij in hoger beroep hiervoor tot 27 maanden gevangenisstraf en een boete van € 250.000,00 veroordeeld. Verder is [appellant] in mei 2007 als verdachte aangemerkt in verband met carrouselfraude met facturen in combinatie met niet meer bestaande Belgische bedrijven, aldus de minister.

2.3. [appellant] kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 22 februari 2008 in stand zijn gelaten.

[appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de door de korpschef in de procedure in administratief beroep genoemde omstandigheden aan het besluit op beroep van 22 februari 2008 ten grondslag mocht leggen. De korpschef heeft deze omstandigheden te laat naar voren gebracht en hij heeft deze niet aan zijn besluit van 2 mei 2007 ten grondslag gelegd, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 januari 1998 in zaak nr. E04.97.0066; JB 1998/55), dient een bestuursorgaan, beslissend in administratief beroep, in beginsel nieuwe feiten en omstandigheden in de beoordeling te betrekken. Deze regel lijdt evenwel uitzondering voor zover het wijzigingen in essentiële elementen van de onderliggende aanvraag betreft. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden geoordeeld dat het de minister vrijstond de door de korpschef in de procedure van administratief beroep genoemde omstandigheden mee te nemen bij zijn beslissing. Artikel 7:25 van de Awb staat er voorts niet aan in de weg dat de minister motiveringsgebreken in het besluit van de korpschef herstelt dan wel dat hij de motivering van dat besluit aanvult.

2.4. De rechtbank heeft verder volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat de aanvraag terecht is getoetst aan de CWM 2005. Hij voldoet aan de voorwaarden neergelegd in de overgangsmaatregel uit de CWM 2005 en derhalve is de CWM 1997 in zijn geval van toepassing. De rechtbank is in dit verband ten onrechte tot de conclusie gekomen dat op grond van de CWM 1997 vrees voor misbruik van wapens en munitie bestaat, aldus [appellant]. Hierbij is volgens hem van belang dat de Hoge Raad inmiddels het arrest van het gerechtshof heeft vernietigd en de zaak heeft teruggewezen naar het gerechtshof. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de overtreding van de Awr in dit geval moet worden beschouwd als een aantasting van de rechtsorde. De rechtbank heeft niet onderkend dat de overtreding van de Awr een voortgezette handeling betreft en dat geen verband bestaat tussen de overtreding van de Awr en het bezitten van een wapen. Verder is aan de verdenking van soortgelijke feiten in België geen gevolg gegeven, aldus [appellant].

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat op grond van de CWM 1997, gelet op de veroordeling wegens overtreding van de Awr en de mutatie dat [appellant] als verdachte is aangemerkt wegens carrouselfraude in België, er grond is om aan te nemen dat [appellant] van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken. Dat de verdenking van [appellant] van carrouselfraude in België geen strafrechtelijk gevolg heeft gekregen, betekent niet dat de minister deze niet heeft mogen meewegen in zijn oordeel of een dergelijke grond kan worden aangenomen. De Afdeling verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van 14 oktober 2009 in zaak nr. 200808268/1/H3. De minister heeft zich gelet op de herhaaldelijke overtreding van de Awr en de veroordeling van [appellant] door het gerechtshof tot 27 maanden gevangenisstraf en een geldboete van € 250.000,00 op het standpunt mogen stellen dat de door [appellant] gepleegde strafbare feiten een aantasting van de rechtsorde opleveren als bedoeld in onderdeel B\4.3 van de CWM 1997. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de aanvraag van [appellant] terecht is getoetst aan de CWM 2005.

2.4.2. In de CWM 2005 is als uitgangspunt neergelegd dat degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in een bijzondere positie komt te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt volgens de CWM 2005 mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is volgens de CWM 2005 een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van dit maatschappelijk belang, is blijkens de CWM 2005 daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken.

De minister heeft zich naar het oordeel van de Afdeling onder verwijzing naar de CWM 2005 op het standpunt mogen stellen dat een veroordeling als bedoeld in het bijzonder deel (B), paragraaf 1.2, ad a, van de CWM 2005, reeds een aantasting van de rechtsorde oplevert en een geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering op het verbod om wapens en/of munitie voorhanden te hebben. Van een aanvrager van een jachtakte kan worden verwacht dat hij zich stipt houdt aan de wettelijke regels, ook indien deze niet gerelateerd is aan wapenwetgeving. Het betoog van [appellant] dat geen relatie bestaat tussen de overtreding van de Awr en het bezitten van een wapen en dat om die reden geen grond is om aan te nemen dat hij van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken, faalt daarom.

Het betoog van [appellant] dat het arrest van het gerechtshof inmiddels door de Hoge Raad is vernietigd slaagt evenmin, nu dit arrest, waarbij het arrest van het gerechtshof is vernietigd, dateert van na het besluit op administratief beroep van de minister.

De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om gebruik te maken van de mogelijkheid om een kortere terugkijkperiode te hanteren dan acht jaar. Hierbij heeft de rechtbank terecht de ernst van de strafbare feiten en de duur van de overtreding in aanmerking genomen. De minister heeft voorts, zoals de rechtbank heeft overwogen, terecht de pleegdatum niet als een zodanige omstandigheid hoeven aanmerken dat deze noopt tot het hanteren van een kortere termijn dan acht jaar. Dat jagers een theoretische en een praktische opleiding dienen te volgen en dat ze van overheidswege worden ingezet voor taken in het kader van natuurbeheer en schadebestrijding, levert evenmin een dergelijke omstandigheid op.

De rechtbank heeft op goede gronden geconcludeerd dat de minister zich, nu [appellant] op 6 december 2005 is veroordeeld voor overtreding van de Awr tot 18 maanden gevangenisstraf en een geldboete van € 75.000,00 en hij hiervoor op 4 april 2007 in hoger beroep tot 27 maanden gevangenisstraf en een boete van € 250.000,00 is veroordeeld, gelet op de CWM 2005, bijzonder deel (B), paragraaf 1.2, ad a, op het standpunt heeft mogen stellen dat er grond is om aan te nemen dat [appellant] van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben, misbruik zal maken.

2.5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, faalt. Er is niet gebleken dat aan de korpschef toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Dat aan [appellant] een jachtakte is verleend voor het seizoen 2006-2007 betekent niet dat de korpschef, in weerwil van de bezwaren tegen de verlening van een jachtakte aan [appellant], gehouden was om voor het seizoen 2007-2008 eveneens een jachtakte te verlenen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevallen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

176-581.