Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
201003847/1/H1 en 201003847/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een gebouw met commerciële ruimten, appartementen, een parkeerkelder en bijbehorende voorzieningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 49
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003847/1/H1 en 201003847/2/H1.

Datum uitspraak: 20 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 maart 2010 in zaak nr. 09/4760 in het geding tussen onder meer:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Druten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een gebouw met commerciële ruimten, appartementen, een parkeerkelder en bijbehorende voorzieningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats].

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college het door onder meer [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2010, hebben [appellant] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 mei 2010, waar [appellant] en anderen, waarvan in persoon [appellant] en [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door D.R. Wensink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hun bezwaar tegen het besluit tot verlening van bouwvergunning en vrijstelling van 17 maart 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellant] en anderen stellen dat de termijn voor het indienen van bezwaar eerst is gaan lopen vanaf het moment dat zij van voormeld besluit op de hoogte zijn gesteld, althans dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij stellen voorts dat het besluit van 17 maart 2009 niet zo spoedig mogelijk na de bekendmaking ervan aan hen is medegedeeld. Tot slot stellen zij dat een besluit tot verlening van vrijstelling dient te worden gepubliceerd, hetgeen het college volgens hen normaliter ook doet.

2.3. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a en b, dient de mededeling als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, te geschieden door een publicatie in een huis-aan-huisblad en door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die tegen het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.4. De aanvraag om bouwvergunning, bij het college ingekomen op 26 juni 2008, is op 9 juli 2008 overeenkomstig artikel 41 van de Woningwet gepubliceerd. Van het ontwerp van het besluit om vrijstelling te verlenen is op 5 november 2008 kennis gegeven door middel van publicatie in "De Waalkanter". Niet is gebleken dat, anders dan [appellant] en anderen betogen, aan deze publicatie gebreken kleven. Naar aanleiding van deze publicatie hebben [appellant] en anderen tijdig zienswijzen bij het college ingediend.

2.5. Vast staat dat uitsluitend de voor het bouwplan verleende vrijstelling is voorbereid met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen openbare voorbereidingsprocedure. Voor de verleende bouwvergunning is deze procedure niet gevolgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juli 2007 in zaak nr. 200703198/1) is, gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, ook indien de vrijstelling is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, de vrijstelling mede onderwerp van het bezwaar tegen de bouwvergunning, die niet met toepassing van die procedure is voorbereid. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat voor de mogelijkheid tot het maken van bezwaar de procedure ten aanzien van de bouwvergunning leidend is. Dit betekent dat voor het begin van de bezwaartermijn bepalend is de bekendmaking van de met vrijstelling verleende bouwvergunning.

2.6. De met vrijstelling verleende bouwvergunning is op 7 april 2009 door toezending aan [vergunninghoudster] overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aangevangen op 8 april 2009 en, gelet op artikel 6:7 van de Awb, geëindigd op 19 mei 2009. Vast staat dat het bezwaarschrift door [appellant] en anderen op 20 mei 2009 op het gemeentehuis is afgegeven, derhalve, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, buiten de in artikel 6:7 van de Awb vermelde termijn.

Nu gezien het vorenstaande de toezending van het besluit van 17 maart 2009 aan [vergunninghoudster] de aanvang van de bezwaartermijn bepaalt, faalt het betoog van [appellant] en anderen dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift pas is aangevangen na ontvangst van de aan hen toegezonden brief van 14 april 2009, waarmee het college overeenkomstig artikel 3:43, eerste lid, van de Awb aan hen mededeling heeft gedaan van het besluit van 17 maart 2009.

2.7. De rechtbank heeft voorts de overschrijding van de bezwarentermijn terecht niet verschoonbaar geacht. Daarbij wordt vooropgesteld dat termijnen als de onderhavige van openbare orde zijn en dienen ter waarborging van de rechtszekerheid van ook de vergunninghouder. In de brief van 14 april 2009 wordt voor de wijze waarop bezwaar moet worden gemaakt, verwezen naar het als bijlage bij de brief gevoegde besluit van 17 maart 2009. In dit besluit, met daarop een stempel "verzonden op 7 april 2009", is in ondubbelzinnige bewoordingen vermeld dat hiertegen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is verzonden, een bezwaarschrift kan worden ingediend bij het college. [appellant] en anderen mochten er dus, anders dan zij aanvoeren, niet op vertrouwen dat zij binnen zes weken na de ontvangst van de brief van 14 april 2009 bezwaar konden maken, maar dienden dat binnen zes weken na 7 april 2009 te doen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de brief van 14 april 2009, gezien de periode van een week tussen de bekendmaking van het besluit van 17 maart 2009 aan de aanvrager bij brief van 7 april 2009 en de toezending van de brief van 14 april 2009 aan [appellant] en anderen, niet zodanig laat aan hen is verzonden dat zij daardoor niet meer in de gelegenheid waren tijdig bezwaar te maken. [appellant] en anderen hadden bovendien binnen die termijn een summier bezwaarschrift kunnen indienen met het verzoek de gronden van het bezwaar te mogen aanvullen. Dat er volgens [appellant] en anderen zwaarwegende argumenten zijn die ertoe hadden moeten leiden dat de gevraagde bouwvergunning had moeten worden geweigerd, wat hier ook van zij, is evenmin een omstandigheid die rechtvaardigt dat zij niet binnen de in het besluit van 17 maart 2009 bedoelde termijn van zes weken een bezwaarschrift hebben ingediend.

De door het college niet bestreden gewoonte om met vrijstelling verleende bouwvergunningen te publiceren, maakt evenmin dat, nu de met vrijstelling verleende bouwvergunning voor het bouwplan niet is gepubliceerd, daarin grond is gelegen om aan de termijnoverschrijding voorbij te gaan. Het nalaten van de publicatie levert op zichzelf geen grond op om termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 2.5 en 2.6 is overwogen, is de publicatie van de met vrijstelling verleende bouwvergunning niet bepalend voor de aanvang van de bezwaartermijn.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010

374.