Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200908382/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2008 heeft het college het pand op het adres [locatie] te [plaats], eigendom van [appellante], aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908382/1/H2.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 september 2009 in zaak nr. 08/8988 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederlek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2008 heeft het college het pand op het adres [locatie] te [plaats], eigendom van [appellante], aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Bij uitspraak van 23 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.H. van Zetten en G.J. van Wingerden, en het college, vertegenwoordigd door ing. P.T. den Hertog, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, sub 1, van de Monumentenverordening Nederlek 2007 verstaat deze verordening onder een monument een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

2.2. Bij brief van 7 mei 2008 heeft [appellante] een zienswijze ingediend tegen het voornemen van het college het pand op het adres [locatie] te [plaats] aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument. Bij besluit van 14 november 2008 heeft het college het pand aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Daartoe voert zij aan dat het college de door [appellante] naar voren gebrachte alternatieven voor bescherming van de monumentale waarden van het pand, zoals door het vestigen van een zakelijk recht, onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Het besluit is niet evenredig in relatie tot het ermee te dienen doel, omdat het een inbreuk op het eigendomsrecht van [appellante] oplevert. Het college heeft niet overlegd over de aanwijzing en zich onvoldoende rekenschap gegeven van hetgeen bij de aan de inventarisatie voorafgaande zogenaamde keukentafelgesprekken naar voren is gebracht.

2.3.1. Uit hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht in haar zienswijze blijkt niet dat zij de monumentale waarde van haar pand gemotiveerd heeft betwist. [appellante] heeft in haar zienswijze slechts aangevoerd dat alleen de voorzijde van het pand beeldbepalend is. Daarin is evenwel geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet heeft mogen uitgaan van het door de onafhankelijke deskundige uitgebrachte advies met betrekking tot de monumentale waarde van het pand.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanwijzing als gemeentelijk monument bij uitstek het instrument is dat het college ter beschikking staat om het monumentale karakter van het pand op lange termijn te waarborgen. De door [appellante] als alternatief aangedragen mogelijkheid van het vestigen van een zakelijk recht ter bescherming van de monumentale waarden van het pand, wat daarvan ook zij, kan er niet toe leiden dat moet worden geoordeeld dat het college niet van de hem gegeven bevoegdheid tot aanwijzing gebruik had mogen maken. Reeds omdat het vestigen van een zakelijk recht niet een gelijkwaardige bescherming biedt tegen aantasting van de monumentale waarden van het pand, was het college niet gehouden dit alternatief voor de aanwijzing van het pand te onderzoeken.

De beperking van het eigendomsrecht van [appellante] door de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is niet onevenredig met het daarmee te dienen doel, te weten het behoud van de monumentale waarden van het pand. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de aanwijzing tot monument weliswaar betekent dat voor wijzigingen aan het pand een monumentenvergunning is vereist, waardoor de mogelijkheden tot wijziging worden beperkt, maar dat wijzigingen aan het pand door de aanwijzing tot monument niet onmogelijk zijn geworden, nu daarvoor een monumentenvergunning kan worden gevraagd.

Dat de eigenaren van de panden bij de voornoemde keukentafelgesprekken in meerderheid hebben aangegeven niets te zien in aanwijzing van hun panden als beschermd gemeentelijk monument kan daaraan niet afdoen, nu de aanwijzing, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet afhankelijk is van de instemming van de eigenaren.

De conclusie is dat het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt ten slotte tevergeefs dat het college ten onrechte de openbare voorbereidingsprocedure heeft gevolgd, waardoor [appellante] de mogelijkheid van het indienen van bezwaar is ontnomen en aldus niet is gehoord en niet in de gelegenheid is gesteld een deskundige advies te laten uitbrengen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college ingevolge artikel 3:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de voorbereiding van het besluit hier aan de orde de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing kan verklaren en dat niet gebleken is dat [appellante] door deze keuze van het college in haar processuele belangen is geschaad, nu zij een zienswijze heeft ingediend en op grond van artikel 3:15 van de Awb haar zienswijze mondeling had kunnen toelichten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

362.