Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200906991/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het pand op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna: het perceel) vóór 15 april 2008 in de oorspronkelijke staat terug te brengen en te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906991/1/H1.

Datum uitspraak: 26 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 juli 2009 in zaak nr. 08/3923 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout

(hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het pand op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna: het perceel) vóór 15 april 2008 in de oorspronkelijke staat terug te brengen en te houden.

Bij besluit van 7 juli 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ten aanzien van het opleggen van de last onder dwangsom ongegrond verklaard. Voorts heeft het college het bezwaar ten aanzien van de begunstigingstermijn gegrond verklaard en de begunstigingstermijn opgeschort tot het moment dat gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben beslist op de bedenkingen van [appellant] tegen het bestemmingsplan "Kerkdorp Den Hout".

Bij uitspraak van 20 juli 2009, verzonden op 28 juli 2009, heeft de rechtbank Breda het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [belanghebbende]) een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[belanghebbende], het college en [appellant] hebben nader stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2010, waar [appellant], bijgestaan door ing. A.W.L. de Bont, en het college, vertegenwoordigd door A.B. Lips-Ippel en P. van der Made, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], bijgestaan door mr. J.M. Smits, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet wordt onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, is het verboden een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

2.2. Bij besluit van het college van 12 juli 2005 is aan [appellant] bouwvergunning verleend voor de verbouwing van een bedrijfsruimte op het perceel. Voordat de bouwvergunning onherroepelijk was geworden, is [appellant] met de verbouwing begonnen. Bij besluit van 4 september 2006 heeft het college de bouwvergunning alsnog geweigerd. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van de rechtbank van 13 november 2007 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [appellant] geen hoger beroep ingesteld. Ten tijde van het besluit van 3 april 2008 beschikte [appellant] dus niet meer over een bouwvergunning. Vaststaat dat het pand op dat moment in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Woningwet zonder de daartoe vereiste bouwvergunning is veranderd en vergroot en in stand wordt gelaten.

Het college was daarom bevoegd tot handhavend optreden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat aan het belang van [belanghebbende] bij behoud van privacy geen betekenis toekomt, treft geen doel, omdat het college het algemeen belang dat is gediend bij handhaving voorop heeft gesteld.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college had moeten afzien van handhavend optreden, omdat concreet zicht op legalisatie bestaat. Hij voert aan dat de gemeenteraad op 18 maart 2008 het bestemmingsplan "Kerkdorp Den Hout" heeft vastgesteld, op grond waarvan aan het perceel een bedrijfsbestemming is toegekend waarmee het bouwwerk vanwege de hoogtematen in strijd is, doch dat gedeputeerde staten goedkeuring hebben onthouden aan de in dat bestemmingsplan voor het perceel opgenomen bedrijfsbestemming, zodat het bouwwerk nu gelegaliseerd kan worden.

2.4.1. Het betoog faalt. Niet langer is in geschil dat het bouwwerk in strijd is met het ten tijde van het besluit van 3 april 2008 en het besluit op bezwaar geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen Den Hout", herziening 1963". Ten tijde van het besluit op bezwaar voorzag het in procedure zijnde bestemmingsplan "Kerkdorp Den Hout" evenmin in het verbouwde bouwwerk. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen vrijstelling wenst te verlenen. Voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat dit standpunt van het college onjuist of onredelijk is, bestaat geen grond. De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat geen sprake was van concreet zicht op legalisatie.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat handhaving in strijd is met het vertrouwensbeginsel. [appellant] stelt in dit verband dat het college vertrouwen heeft gewekt dat niet zou worden gehandhaafd aangezien het bouwvergunning heeft verleend en - nadat duidelijk werd dat er sprake was van strijd met het bestemmingsplan - een legaliseringtraject in werking heeft gezet.

2.5.1. Dit betoog faalt. Aan het verlenen van een bouwvergunning noch aan het in gang zetten van een legaliseringprocedure kan een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat niet handhavend zal worden opgetreden indien - zoals in dit geval - de benodigde bouwvergunning alsnog wordt geweigerd en de legalisering uiteindelijk uitblijft. Daarbij is van belang dat het bouwen op grond van een niet onherroepelijke bouwvergunning voor eigen risico geschiedt. De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden diende af te zien.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010

270-564.