Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM5041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
200901402/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister), in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, het "Tracébesluit A2 St. Joost-Urmond" (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Tracéwet
Tracéwet 12
Tracéwet 15
Tracéwet 25
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/548
JOM 2010/514
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901402/1/M2.

Datum uitspraak: 4 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1]., gevestigd te [plaats], gemeente Sittard-Geleen, en haar vennoten [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Sittard-Geleen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Sittard-Geleen,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Echt-Susteren,

4. [appellanten sub 4], allen wonend te [woonplaats], gemeente Echt-Susteren,

appellanten,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister), in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, het "Tracébesluit A2 St. Joost-Urmond" (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1]. en haar vennoten [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2] (hierna: [appellant sub 1] en anderen), bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2009, en [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2009, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 4] en de minister hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en anderen en de minister hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De minister heeft een nader besluit van 7 januari 2010 tot wijziging van het besluit van 23 januari 2009 overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [vennoot sub 2], [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.A.J. Gierveld, mr. A. Dane, ing. A.J.A. Ruijters, drs. ing. J.W. van Kruisbergen, mr. R. Timmermans en P. Jansen, zijn verschenen.

Naar aanleiding van het besluit van 7 januari 2010 hebben [appellant sub 1] en anderen hun beroep aangevuld bij brief van 1 februari 2010.

2. Overwegingen

Het Tracébesluit

2.1. Het Tracébesluit voorziet in de wijziging van de westelijke rijbaan (in zuidelijke richting) van de Rijksweg A2 op het wegvak St. Joost-Urmond, tussen km 221.800 en km 239.500, en in wijzigingen in Knooppunt Kerensheide, op de Rijksweg A2 van km 241.400 tot km 241.600 en op de A76 zuidelijk rijbaan van km 2.100 tot km 4.500 zoals aangegeven op de kaarten LBWX-2006-13011 tot en met LBWX-2006-13021.

Ontvankelijkheid

2.2. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover dit betrekking heeft op de aspecten luchtkwaliteit en veiligheid en het in het kader van het Tracébesluit opgestelde milieueffectrapport niet-ontvankelijk is, omdat over deze aspecten en het milieueffectrapport geen zienswijzen naar voren zijn gebracht.

2.2.1. De artikelen 12, derde lid, en 25a, eerste lid, van de Tracéwet gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht moeten aldus worden uitgelegd dat door een belanghebbende slechts beroep kan worden ingesteld tegen het Tracébesluit, voor zover dit beroep tracédelen en voorschriften betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerp-Tracébesluit bij de minister naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

De door [appellant sub 1] en anderen naar voren gebrachte zienswijze ziet op de aanleg van de spitsstrook ter plaatse van hun woning en bedrijfspand. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen ziet eveneens op dit tracédeel, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat dit wat betreft de hiervoor genoemde beroepsgronden niet-ontvankelijk is.

2.3. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

In artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.3.1. Het besluit van 7 januari 2010 is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de wet worden de beroepen mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 7 januari 2010, nu dat besluit niet geheel aan de beroepen tegemoet komt.

2.3.2. Voor zover [appellanten sub 4] aanvoeren dat in het Tracébesluit ten aanzien van de vastgestelde hogere waarden voor woningen gelegen aan de [locatie sub 4] een onjuiste adressering is weergegeven, overweegt de Afdeling dat bij besluit van 7 januari 2010 deze omissie is gecorrigeerd. [appellanten sub 4] hebben in zoverre geen procesbelang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het Tracébesluit. Het beroep van [appellanten sub 4] is daarom niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op het weergeven van een onjuiste adressering in het Tracébesluit.

Terinzagelegging stukken

2.4. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat ten onrechte niet gelijktijdig met het ontwerp-Tracébesluit het in dat kader opgestelde milieueffectrapport ter inzage is gelegd.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, wordt, indien krachtens wettelijk voorschrift van het ontwerp van een besluit openbaar kennis wordt gegeven, van het milieueffectrapport gelijktijdig openbaar kennisgegeven.

2.4.2. Ten behoeve van het Tracébesluit is het "Milieueffectrapport behorende bij het (O)TB A2 St. Joost-Urmond" van 14 december 2006 opgesteld. Uit de van het dossier deel uitmakende kopieën van krantenberichten betreffende de terinzagelegging van het ontwerp-Tracébesluit en de in deze berichten onder meer genoemde website 'www.inspraakvenw.nl', blijkt dat gelijktijdig met het ontwerpbesluit het milieueffectrapport ter inzage is gelegd.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

Milieueffectrapport

2.5. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het aan het milieueffectrapport ten grondslag gelegde luchtkwaliteitrapport en het akoestisch rapport ondeugdelijk zijn, nu in deze rapporten geen rekening is gehouden met de verminderde luchtkwaliteit en de toename van geluid. Daarnaast is bij het opstellen van het milieueffectrapport onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen vanwege de aanleg van de spitsstrook voor de flora en fauna, aldus [appellant sub 1] en anderen. Voorts wordt volgens [appellant sub 1] en anderen in het milieueffectrapport uitgegaan van een onjuiste toekomstverwachting ten aanzien van de ontwikkeling in voertuigtechnologie, waarbij met name wordt gedoeld op de uitstoot van stoffen die van invloed zijn op de luchtkwaliteit.

2.5.1. Ingevolge artikel 7.27, tweede lid, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag een besluit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt niet, indien de gegevens die in het milieueffectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd in verband met aanmerkelijke wijzigingen in de omstandigheden waarvan bij het maken van het milieueffectrapport is uitgegaan.

2.5.2. Niet gebleken is dat wat de aspecten luchtkwaliteit en geluid betreft sprake is van aanmerkelijke wijzigingen van de omstandigheden waarvan bij het maken van het milieueffectrapport is uitgegaan op grond waarvan de minister tot het oordeel had dienen te komen dat het aan het milieueffectrapport ten grondslag gelegde luchtkwaliteitrapport van januari 2007 en het akoestisch rapport van november 2006 niet meer aan het Tracébesluit ten grondslag konden worden gelegd.

Daarnaast blijkt uit het milieueffectrapport dat de mogelijke gevolgen voor de flora en fauna zijn meegenomen in de beoordeling. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat bij het opstellen van het milieueffectrapport onvoldoende rekening is gehouden met deze gevolgen.

Voorts is door [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat in het milieueffectrapport is uitgegaan van een onjuiste toekomstverwachting ten aanzien van de ontwikkeling in voertuigtechnologie wat betreft de uitstoot van stoffen die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit.

De beroepsgrond faalt.

Verkeersgegevens

2.6. [appellanten sub 4] voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking die de capaciteitsvergroting van de Rijksweg A2 met zich brengt. Volgens hen dient niet alleen de reguliere groei van het verkeer in aanmerking te worden genomen, maar ook de toename van het verkeer als gevolg van grote projecten die langs het tracé gerealiseerd zullen worden. Tevens dient het extra verkeer in aanmerking genomen te worden dat weer voor de Rijksweg A2 als belangrijkste route gaat kiezen wanneer de doorstroming is verbeterd. Volgens hen zal met name het vrachtverkeer aanzienlijk toenemen en zullen de toekomstige verkeersaantallen aanzienlijk groter zijn dan waarvan bij het nemen van het bestreden besluit is uitgegaan.

2.6.1. Ten behoeve van het nemen van het besluit zijn de verkeersprognoses voor het jaar 2020 berekend met behulp van het verkeersmodel "Nieuw regionaal verkeersmodel" (hierna: het NRM) van Limburg versie 2.4. De berekende verkeersprognoses zijn opgenomen in het rapport "Verkeersprognoses MER/OTB Spitsstrook A2 St. Joost-Urmond, NRM Limburg 2.4." Voorts zijn deze verkeersprognoses ten grondslag gelegd aan het ten behoeve van het Tracébesluit opgestelde luchtkwaliteitrapport en het akoestisch rapport.

2.6.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat in het NRM is uitgegaan van sociaal economische gegevens die op nationaal niveau worden gehanteerd conform een groeiscenario van het Centraal Planbureau. Vervolgens wordt op regionaal niveau onderzocht welke ontwikkelingen relevant zijn. In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat uit voormeld verkeersonderzoek blijkt dat het NRM Limburg versie 2.4 gerelateerd is aan het Verkeersmodel A2 passage Maastricht van april 2004 en het onderzoek naar de Versnellingsprijs A2 Maasbracht-Geleen van april 2006. Specifiek voor Maastricht en omgeving is in het onderzoek uit 2004 aangegeven met welke extra ontwikkelingen rekening is gehouden. Het betreft onder meer de zones Brusselse Poort, A2 ondertunneling, vliegveld, Europaplein, Eijsden-Noord en Belvedere. Voorts is per gemeente gerekend met het verwachte aantal inwoners en arbeidsplaatsen in 2020. Daarnaast is in het NRM rekening gehouden met de 'Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport-projecten', te weten de A2 Passage Maastricht, A73 Venlo-Maasbracht, A74, A2 Randweg Eindhoven, A50 Oss-Eindhoven en A59 Oss-Den Bosch. Tevens is voor het lokale regionaal verbindende wegennet rekening gehouden met het doortrekken van de N297 naar de BAB46, waardoor een nieuwe verbinding ontstaat tussen Antwerpen en het Duitse Roergebied. In het model is tevens rekening gehouden met de ontwikkeling van de bestaande bedrijventerreinen Holtum-Noord en St. Joost.

In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat in het verkeersonderzoek rekening is gehouden met het feit dat, nu ten gevolge van de aanleg van de spitsstrook minder congestie in zuidelijke richting zal optreden en de wegcapciteit zal toenemen, weggebruikers die voorheen een andere route reden nu weer de Rijksweg A2 zullen gebruiken. Ten opzichte van het nulalternatief en daarmee bovenop de autonome groei (referentiesituatie 2020) is als gevolg van een verbeterde doorstroming na aanleg van de spitsstrook een toename van 7 tot 10% extra vrachtverkeer en 12% extra personenwagens te verwachten.

2.6.3. De bevindingen in het deskundigenbericht komen de Afdeling niet onjuist voor. In hetgeen [appellanten sub 4] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met ontwikkelingen langs het tracé dan wel met de verkeersaantrekkende werking in verband met de verbetering van de doorstroming. Voorts hebben [appellanten sub 4] hun stelling dat is uitgegaan van te lage percentages vrachtverkeer, niet nader onderbouwd. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het nemen van het Tracébesluit is uitgegaan van onjuiste gegevens met betrekking tot de te verwachten aantallen verkeersbewegingen.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder

2.7. Op 1 januari 2007 zijn de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase, Stb. 350) en het Besluit geluidhinder in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de Wet geluidhinder zoals deze gold voor inwerkingtreding van de wet van 5 juli 2006, en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002, van toepassing zijn op het geding.

[appellant sub 1] en anderen

2.8. [appellant sub 1] en anderen vrezen voor een toename van de ondervonden geluidbelasting van de Rijksweg A2 op hun woning en bedrijfspand aan de [locatie sub 1] te [plaats] en andere in de omgeving gelegen woningen ten gevolge van de aanleg van de spitsstrook. Volgens hen is ten onrechte het bedrijfspand aan de [locatie sub 1] niet aangemerkt als een object dat beschermd dient te worden tegen geluidhinder. Daarnaast is volgens hen ten onrechte niet besloten tot het plaatsen van een geluidscherm met een grotere geluidreducerende werking dan het reeds geplaatste scherm. Zij merken hierbij op dat weliswaar naast het reeds geplaatste scherm nog een ander scherm zal worden geplaatst, maar dit voorkomt niet dat voor onder meer de woning [locatie sub 1] het vaststellen van hogere geluidgrenswaarden nodig is.

2.8.1. De woning en het bedrijfspand [locatie sub 1] te [plaats] liggen ten westen van de Rijksweg A2 op ongeveer 11 meter hiervan, ter hoogte van km 231.200. De minister heeft bij het Tracébesluit voor de woning aan de [locatie sub 1] op grond van artikel 87g van de Wet geluidhinder (oud) hogere waarden vastgesteld van 55 dB(A) op 1,5 meter hoogte en 63 dB(A) op 4,5 meter hoogte. Bij besluit van 7 januari 2010 heeft de minister de geldende waarde op 4,5 meter hoogte van 63 dB(A) gewijzigd in 62 dB(A).

2.8.2. Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat het bedrijfspand aan de [locatie sub 1] dient te worden aangemerkt als een object dat beschermd dient te worden tegen geluidhinder overweegt de Afdeling het volgende.

2.8.3. Ingevolge artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet geluidhinder (oud), voor zover hier van belang, wordt onder andere geluidgevoelige gebouwen verstaan: basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen als ziekenhuizen en verpleeghuizen.

Het bedrijfspand van [appellant sub 1] en anderen valt niet onder de in artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet geluidhinder (oud) limitatief opgesomde gevallen, zodat de minister terecht het bedrijfspand niet heeft aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.8.4. Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat ten onrechte niet is besloten een scherm met een grotere geluidreducerende werking te plaatsen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.8.5. Ingevolge artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder (oud) wordt in afdeling 2A onder aanpassing van een weg verstaan: een aanpassing met betrekking tot een aanwezige weg die leidt tot een toename van de geluidbelasting vanwege die weg van 2 dB(A) of meer.

Ingevolge artikel 87b, vijfde lid, van de Wet geluidhinder (oud) bestaan overwegende bezwaren van financiële aard voor de toepassing van afdeling 2A niet tegen maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidbelasting van de gevel van woningen of andere geluidgevoelige gebouwen, onderscheidenlijk aan de grens van geluidgevoelige terreinen, waarvan de kosten in redelijke verhouding staan tot kwaliteit, aard en gebruik van de woning, het andere geluidgevoelige gebouw of het geluidgevoelige terrein en tot de doeltreffendheid van die maatregelen.

Ingevolge artikel 87f, eerste lid, van de Wet geluidhinder (oud), voor zover hier van belang, is behoudens het tweede en derde lid de voor woningen binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten gevolge waarvan de hoofdweg of binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen worden aangepast, ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, indien de geluidbelasting vanwege deze hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen op 1 maart 1986 van de gevel van deze woningen op dat tijdstip, onderscheidenlijk na ingebruikneming van deze hoofdweg of wegen lager was dan of gelijk was aan 55 dB(A), de voor de wijziging of verbreding ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat, in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kunnen de in dit lid bedoelde ministers een hogere dan de in het eerste lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) en met betrekking tot woningen in buitenstedelijk gebied de waarde 60 dB(A), onderscheidenlijk met betrekking tot woningen in stedelijk gebied de waarde 65 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge het vierde lid kunnen de in dit lid bedoelde ministers slechts toepassing geven aan het derde lid in die gevallen waarin toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidbelasting van de gevel van de betrokken woningen, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, tot de ingevolge het eerste of tweede lid geldende waarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Ingevolge artikel 87g, eerste lid, van de Wet geluidhinder (oud) is behoudens het tweede tot en met vijfde lid de voor woningen binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, indien de geluidbelasting vanwege deze hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen op 1 maart 1986 van de gevel van deze woningen op dat tijdstip, onderscheidenlijk na ingebruikneming van de hoofdweg of binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen hoger was dan 55 dB(A), de waarde 50 dB(A).

Ingevolge het derde lid kunnen de in dit lid bedoelde ministers een hogere dan de in het eerste lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 70 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge het zesde lid kunnen de in dit lid bedoelde ministers slechts toepassing geven aan het derde tot en met vijfde lid in die gevallen waarin toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidbelasting van de gevel van de betrokken woningen, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, tot de ingevolge het eerste of tweede lid geldende waarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.8.6. Aan het Tracébesluit ligt een door DHV B.V. opgesteld akoestisch rapport ten grondslag van 15 januari 2009. In dit rapport is vermeld dat de minister, om te kunnen beoordelen of het plaatsen van geluidwerende voorzieningen geen overwegende bezwaren van financiële aard ontmoet als bedoeld in de artikelen 87f, vierde lid, en 87g, zesde lid, van de Wet geluidhinder (oud), toepassing heeft gegeven aan onderscheidenlijk het zogenoemde schermcriterium en het maatregelcriterium. Deze criteria houden - kort weergegeven - in dat op basis van een aantal factoren een kosten-batenanalyse wordt uitgevoerd. Aan de hand van deze analyse worden de kosten vastgesteld die maximaal mogen worden besteed voor het plaatsen van een scherm. Wanneer de werkelijke kosten voor het plaatsen van een scherm hoger zijn dan aan de hand van de kosten-batenanalyse vastgestelde maximaal te besteden kosten is sprake van een uit financieel oogpunt negatief resultaat. Het plaatsen van een scherm is in een dergelijk geval financieel niet doelmatig.

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de systematiek, zoals hiervoor weergegeven, als zodanig in strijd met de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving is dan wel anderszins onredelijk is te achten.

2.8.7. In het evengenoemd akoestisch rapport is vermeld dat aan de westzijde van de Rijksweg A2 ter hoogte van Holtum 64 saneringswoningen (waaronder de woning [locatie sub 1]) zijn gelegen en 157 niet-saneringswoningen. Voorts is weergegeven dat ter hoogte van Holtum een scherm staat van gemiddeld 3 meter hoog met een lengte van ongeveer 800 meter tussen km 231.000 en 231.800. Achter dit scherm is onder meer de woning [locatie sub 1] gelegen. Door DHV B.V. is overeenkomstig het schermcriterium en het maatregelcriterium voor de saneringswoningen en niet-saneringswoningen aan de hand van een kosten-batenanalyse onder meer berekend of het plaatsen van een hoger scherm dan het reeds aanwezige scherm, waarmee een hogere geluidreductie zou kunnen worden bereikt, financieel doelmatig is. [appellant sub 1] en anderen hebben de gehanteerde uitgangspunten van deze kostenanalyse niet betwist. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de kosten voor het plaatsen van een dergelijk scherm wat betreft alle woningen hoger zijn dan de volgens de kosten-batenanalyse maximaal te besteden kosten. Dit betekent dat sprake is van een uit financieel oogpunt negatief resultaat. Het plaatsen van een hoger geluidscherm is volgens het akoestisch rapport daarom niet doelmatig. De minister heeft gelet op de uitkomst van de kosten-batenanalyse in dit geval in redelijkheid kunnen besluiten geen hoger geluidscherm te plaatsen.

De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen gevelisolatieonderzoek is uitgevoerd om vast te stellen of de binnenwaarde van 45 dB(A) in hun woning niet wordt overschreden.

2.9.1. Artikel 111a van de Wet geluidhinder (oud) voorziet er - kort samengevat - in dat het college van burgemeester en wethouders indien met betrekking tot de gevels van aanwezige woningen een hogere geluidbelasting is vastgesteld, maatregelen treft met betrekking tot de geluidwering van die gevels om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen de woning bij gesloten ramen niet meer dan 35 dB(A) of 45 dB(A) voor saneringswoningen bedraagt.

2.9.2. De plicht tot het treffen van maatregelen vloeit rechtstreeks voort uit artikel 111a van de Wet geluidhinder (oud). Uit dit artikel blijkt voorts dat het treffen van maatregelen een aan het college van burgemeester en wethouders toekomende bevoegdheid is. Anders dan [appellant sub 1] en anderen kennelijk menen, bevat de Wet geluidhinder niet de verplichting dat de minister in zijn besluit waarbij hogere grenswaarden zijn vastgesteld de concrete gevelmaatregelen moet noemen. Uit het wettelijke stelsel volgt dat het bouwakoestisch onderzoek naar de wijze waarop de geluidwerende maatregelen aan de gevel van de woningen worden uitgevoerd teneinde aan de norm in de woningen van 35 dB(A) of 45 dB(A) voor saneringswoningen te voldoen, plaatsvindt na het vaststellen van de hogere waarden. De minister heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat ten behoeve van het Tracébesluit geen gevelisolatieonderzoek uitgevoerd behoefde te worden.

De beroepsgrond faalt.

2.10. Ten aanzien van het wijzigingsbesluit van 7 januari 2010 voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat in dit besluit uit wordt gegaan van een te lage geluidbelasting op de gevel van hun woning vanwege de Rijksweg A2. Volgens hen zijn de waarden, wat betreft de geluidbelasting vanwege deze rijksweg, zoals weergegeven in het aan dit besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport van december 2009, onjuist. Daartoe verwijzen [appellant sub 1] en anderen naar een door henzelf uitgevoerde geluidmeting. De uitkomst van deze geluidmeting is dat de geluidbelasting in werkelijkheid hoger is dan de waarden waar de minister van is uitgegaan, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.10.1. Ingevolge artikel 102 van de Wet geluidhinder (oud), voor zover relevant, stelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer regels voor het bepalen van het equivalente geluidniveau als omschreven in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

Het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 (hierna: RMV 2002) is een regeling als bedoeld in artikel 102 van de Wet geluidhinder (oud). Het RMV 2002 omvat regels voor het bepalen van het equivalente geluidniveau voor de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg buiten een woning of ander geluidgevoelig gebouw en voor de wijze waarop akoestisch onderzoeken worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 3 van het RMV is daarvoor standaardrekenmethode II voorgeschreven.

[appellant sub 1] en anderen hebben niet inzichtelijk gemaakt onder welke condities de door hen uitgevoerde geluidmeting is verricht en of voldaan is aan de vereisten op grond van het RMV 2002. Deze meting geeft de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het aan het besluit van 7 januari 2010 ten grondslag liggende akoestisch rapport van december 2009. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit van 7 januari 2010 onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

[appellanten sub 4]

2.11. [appellanten sub 4] vrezen voor geluidhinder vanwege de aanleg van de spitsstrook. In dit verband voeren zij aan dat in het akoestisch rapport ten onrechte voor de toekomstige situatie is uitgegaan van het jaar 2015 en niet van het jaar 2020. Voorts is volgens hen, zo begrijpt de Afdeling, in het akoestisch rapport uitgegaan van onjuiste waarden wat betreft de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, ten gevolge waarvan in het Tracébesluit voor hun woningen hogere waarden zijn vastgesteld dan toegestaan op grond van de Wet geluidhinder. Daarnaast is volgens [appellanten sub 4] in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening gehouden met reflectie tussen woningen. Voorts wordt in het akoestisch rapport ten onrechte gesteld dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder, aldus [appellanten sub 4]. Dit is volgens [appellanten sub 4] niet correct omdat de toename van de geluidbelasting in veel gevallen meer dan 2 dB(A) bedraagt. Dit betekent volgens [appellanten sub 4] dat maatregelen getroffen dienen te worden om de geluidbelasting vanwege de spitsstrook te reduceren. Voorts wordt volgens [appellanten sub 4] een "salamitactiek" toegepast door gefaseerd de aanpassing van de Rijksweg A2 door te voeren. Volgens hen dient wat betreft de te nemen maatregelen om de geluidbelasting op hun woningen te reduceren, uitgegaan te worden van de geluidbelasting vanwege deze weg, wanneer de spitsstrook en andere projecten ten behoeve van de Rijksweg A2 zijn gerealiseerd.

2.11.1. [appellanten sub 4] zijn woonachtig aan de [locatie sub 4] te [plaats]. De dichtst bij de Rijksweg A2 gelegen woning [locatie sub 4] is op een afstand van ongeveer 90 meter ten oosten van de Rijksweg A2 gelegen, ter hoogte van km 229.250. De minister heeft bij het Tracébesluit voor de woningen van [appellanten sub 4] op grond van de artikelen 87f en 87g van de Wet geluidhinder (oud) hogere waarden vastgesteld. Bij besluit van 7 januari 2010 heeft de minister deze waarden voor enkele woningen verlaagd.

2.11.2. Uit het akoestisch rapport volgt dat, anders dan [appellanten sub 4] menen, voor het toekomstige jaar is uitgegaan van het jaar 2020 en niet van het jaar 2015, zodat de beroepsgrond in zoverre feitelijke grondslag mist.

2.11.3. Ingevolge artikel 87f, derde lid, van de Wet geluidhinder (oud) voor zover hier van belang, kunnen de in dit lid bedoelde ministers een hogere dan de in het eerste lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat de verhoging met betrekking tot woningen in buitenstedelijk gebied de waarde 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 87g, derde lid, van de Wet geluidhinder (oud) kunnen de in dit lid bedoelde ministers een hogere dan de in het eerste lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 70 dB(A) niet te boven mag gaan.

2.11.4. In het akoestisch rapport is in overeenstemming met de artikelen 87f, derde lid, van de Wet geluidhinder (oud) en 87g, derde lid, van de Wet geluidhinder (oud) uitgegaan van een ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van onderscheidenlijk 60 dB(A) en 70dB(A).

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.11.5. Wat de reflectie tussen woningen betreft wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat de geluidberekeningen ten behoeve van het akoestisch rapport zijn uitgevoerd met rekenmethode II van het RMW 2002. In situaties waarin reflecties kunnen optreden, worden die automatisch door dit rekenmodel berekend en verdisconteerd in de geluidbelasting. In het deskundigenbericht is vermeld dat er geen aanleiding is om ervan uit te gaan dat in de geluidberekeningen geen rekening is gehouden met optredende reflecties. De Afdeling komen de bevindingen uit het deskundigenbericht niet onjuist voor.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.11.6. Daarnaast volgt uit het akoestisch rapport dat bij bepaalde woningen sprake is van een toename van de geluidbelasting met 2 dB(A) of meer. Dit houdt echter niet zonder meer in dat maatregelen getroffen dienen te worden om de geluidbelasting te reduceren. Op grond van artikel 87b, vijfde lid, van de Wet geluidhinder (oud) dient de minister eerst te beoordelen of het nemen van maatregelen als financieel doelmatig is aan te merken. Ter invulling van deze beoordelingsruimte hanteert de minister het schermcriterium en het maatregelcriterium. In het akoestisch rapport is weergegeven dat overeenkomstig het schermcriterium en het maatregelcriterium door middel van het uitvoeren van een kosten-batenanalyse is bepaald of het plaatsen van een geluidscherm en/of het toepassen van tweelaags ZOAB doelmatig is. Uit de kosten-batenanalyse is gebleken dat de kosten voor het plaatsen van een geluidscherm en/of het toepassen van tweelaags ZOAB hoger zijn dan de hiervoor maximaal te besteden kosten. Het nemen van deze maatregelen leidt daarom tot een financieel negatief resultaat. Gelet hierop is het treffen van deze maatregelen volgens het akoestisch rapport uit financieel oogpunt niet doelmatig. In hetgeen [appellanten sub 4] betogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het toepassen van het schermcriterium en het maatregelcriterium op zichzelf beschouwd in strijd is met de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving dan wel anderszins onredelijk is. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister, gelet op de uitkomst van de kosten-batenanalyse, in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen maatregelen ter reductie van de geluidbelasting toe te passen.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.11.7. Wat betreft de beroepsgrond van [appellanten sub 4] dat, gezien het besluitvormingsproces dat gaande is om de Rijksweg A2 en de passage Maastricht te verbreden, door de minister een salamitactiek wordt toegepast, overweegt de Afdeling dat de systematiek van de Tracéwet zich niet verzet tegen het stapsgewijs aanpassen van wegen. De minister komt daarbij een grote mate van beleidsvrijheid toe.

De minister brengt in dit kader naar voren dat het Tracébesluit ziet op de aanleg van de spitsstrook. De besluitvorming over verbreding van de A2 en de passage Maastricht is nog niet afgerond. Daartoe dient onderzoek te worden uitgevoerd waarbij rekening kan worden gehouden met de effecten van de in het geding zijnde ingreep aan deze weg.

[appellanten sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de minister bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot een stapsgewijze aanpassing van de Rijksweg A2 heeft kunnen komen.

De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellanten sub 4] voeren aan dat het onderzoek naar het toepassen van geluidisolerende maatregelen aan hun woningen ten onrechte is uitgesteld tot na het verstrijken van de beroepstermijn tegen het Tracébesluit.

2.12.1. Zoals in rechtsoverweging 2.9.2 reeds is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat ten behoeve van het Tracébesluit geen gevelisolatieonderzoek uitgevoerd behoefde te worden.

De beroepsgrond faalt.

[appellant sub 3]

2.13. [appellant sub 3] vreest voor een toename van de geluidoverlast van de Rijksweg A2 ten gevolge van de aanleg van de spitsstrook. Volgens [appellant sub 3] is de geluidbelasting vanwege de spitsstrook op zijn woning en tuin op onjuiste wijze berekend. In dit verband merkt hij op dat bij de berekening van de geluidbelasting ten onrechte 2 dB(A) is afgetrokken in verband met het stiller worden van auto's en vrachtwagens in de toekomst. Volgens [appellant sub 3] wordt de meeste geluidhinder vanwege auto's en vrachtwagens veroorzaakt door hun banden en is in de toekomst wat betreft dit geluid geen reductie te verwachten. Voorts is volgens [appellant sub 3] ten onrechte geen rekening gehouden met de hoofdzakelijk westenwind op zijn woning ten gevolge waarvan nog meer geluidhinder wordt ondervonden. Daarnaast is volgens [appellant sub 3] ten onrechte geen rekening gehouden met het verkeerslawaai op zijn woning en tuin afkomstig van andere wegen dan de spitsstrook. Voorts voert [appellant sub 3] aan dat ten onrechte niet is besloten tot het plaatsen van een geluidscherm van km 223.900 tot en met km 225.000. [appellant sub 3] voert daarnaast aan dat geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen om hinder van ander verkeerslawaai dan het verkeerslawaai afkomstig van de spitsstrook te beperken.

2.13.1. [appellant sub 3] is woonachtig aan de [locatie sub 3] te [plaats]. De woning [locatie sub 3] ligt ten zuidoosten van de A2 op ongeveer 200 meter afstand hiervan, ter hoogte van km 224.200. Voor de woning van [appellant sub 3] zijn in het Tracébesluit op grond van artikel 87f van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld van 56 dB(A) op een hoogte van 1,5 meter en 58 dB(A) op een hoogte van 4,5 meter. Bij besluit van 7 januari 2010 zijn deze waarden gewijzigd in 57 dB(A) op een hoogte 1,5 meter en 59 dB(A) op een hoogte van 4,5 meter.

2.13.2. Voor zover door [appellant sub 3] wordt aangevoerd dat geen deugdelijke berekening van de geluidbelasting op zijn woning en tuin heeft plaatsgevonden overweegt de Afdeling als volgt.

2.13.3. Ingevolge artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet geluidhinder (oud), voor zover hier van belang, wordt onder geluidgevoelige terreinen verstaan: terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen als bedoeld onder e en woonwagenstandplaatsen.

De tuin van [appellant sub 3] valt niet onder de in artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet geluidhinder (oud) limitatief opgesomde gevallen, zodat deze niet voor bescherming in aanmerking komt en derhalve terecht niet is meegenomen bij de berekening van de geluidbelasting.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.13.4. In artikel 102, eerste lid, van de Wet geluidhinder (oud) is bepaald dat - kort weergegeven - de minister regels stelt over de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg.

In artikel 103 van de Wet geluidhinder (oud) is bepaald dat de minister bij toepassing van artikel 102, telkens voor een bepaalde periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te verwachten, kan bepalen dat bij de berekening en meting van de geluidbelasting van de gevel van woningen of van andere gebouwen dan woningen of andere geluidgevoelige objecten op het resultaat een door hem aan te geven aftrek mag worden toegepast. Deze aftrek mag niet hoger zijn dan 5 dB(A).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van het RMW 2002, dient bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege een weg, rekening te worden gehouden met de meteorologische invloeden op de geluidoverdracht.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het RMW 2002 wordt het equivalente geluidniveau bepaald volgens de in bijlage II bij deze regeling beschreven standaardrekenmethode II.

In artikel 6, aanhef en onder a, van het RMW 2002 is - krachtens artikel 103 van de Wet geluidhinder (oud) - kort weergegeven - bepaald dat voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km per uur of meer is, de aftrek 2 dB(A) bedraagt.

In de toelichting bij artikel 6 van het RMW 2002 is opgemerkt dat het een reële verwachting is dat de geluidemissie van motorvoertuigen (inclusief het geluid veroorzaakt door het contact van de banden met het wegdek) de komende jaren verder zal afnemen. In het algemeen zal de correctie worden toegepast, tenzij er lokaal of projectspecifieke omstandigheden aanwezig zijn die het niet toepassen van de aftrek rechtvaardigen.

2.13.5. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verwachting dat in de komende jaren de geluidemissie van voertuigen zal afnemen niet reëel is. [appellant sub 3] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zich lokaal of projectspecifieke omstandigheden voordoen waardoor een verdere afname van de geluidproductie in de komende jaren, met het oog waarop de correctiemogelijkheid in de regelgeving is opgenomen, in dit geval niet in de lijn van de verwachtingen ligt. De minister heeft daarom bij de berekening van de geluidbelasting ten gevolge van de wijziging van het tracé toepassing kunnen geven aan de aftrek van 2 dB(A).

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.13.6. In bijlage II, betreffende rekenmethode II, bij het RMV 2002 is uitgewerkt op welke wijze rekening dient te worden gehouden met meteorologische invloeden op de geluidoverdracht. In het deskundigenbericht is ten aanzien van deze invloeden opgemerkt dat de berekening van het equivalente geluidniveau uitgaat van een situatie onder meewindcondities. Om te komen tot een jaargemiddelde meteorologische situatie in Nederland wordt op het berekende geluidniveau een aftrek toegepast (meteocorrectieterm Cm). Volgens het deskundigenbericht is in het akoestisch onderzoek conform het RMV 2002 met deze meteocorrectieterm rekening gehouden.

Niet gebleken is dat de bevindingen in het deskundigenbericht onjuist zijn. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch rapport op onjuiste wijze rekening is gehouden met de meteorologische omstandigheden.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.13.7. Uit artikel 157, eerste lid, van de Wet geluidhinder (oud), in samenhang met artikel 1a van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen, volgt dat voor een woning waarop artikel 87f van de Wet geluidhinder (oud) van toepassing is en die in twee of meer aanwezige geluidzones langs wegen als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder (oud) is gelegen slechts hogere waarden kunnen worden vastgesteld indien de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een naar het oordeel van de minister onaanvaardbare geluidbelasting.

2.13.8. De minister heeft erkend dat in het Tracébesluit de cumulatieve effecten ten gevolge van de geluidbelasting vanwege de Zuiderpoort niet zijn betrokken bij het vaststellen van de hogere waarden voor de woning [locatie sub 3]. Voorts blijkt uit het wijzigingsbesluit van 7 januari 2010 niet dat de minister bij het nemen van dit besluit wel de cumulatieve effecten van de geluidbelasting vanwege de Zuiderpoort heeft betrokken bij het vaststellen van de hogere waarden. In zoverre zijn beide besluiten genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 3] is op dit punt gegrond, zodat het Tracébesluit en het wijzigingsbesluit van 7 januari 2010 wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dienen te worden vernietigd, voor zover daarbij voor de woning [locatie sub 3] hogere waarden zijn vastgesteld.

2.13.9. De minister heeft alsnog een berekening gemaakt van de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de A2 en de Zuiderpoort. In het deskundigenbericht is daaromtrent vermeld dat de gecumuleerde geluidbelasting 58,8 dB(A) bedraagt op de begane grond en 60,3 dB(A) op de eerste verdieping. Voorts is daarin vermeld dat de gecumuleerde geluidbelasting toeneemt met 1 dB(A), maar in dezelfde klasse blijft vallen en de waardering van de akoestisch kwaliteit van de leefomgeving daarom niet wijzigt. [appellant sub 3] heeft dit niet bestreden. De Afdeling ziet evenmin aanleiding aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van de vernietigde gedeelten van het Tracébesluit en het wijzigingsbesluit van 7 januari 2010 in stand te laten.

2.13.10. Voor zover door [appellant sub 3] is aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft besloten geen geluidscherm te plaatsen, overweegt de Afdeling als volgt.

In het akoestisch rapport is vermeld dat overeenkomstig het maatregelcriterium voor niet-saneringswoningen aan de hand van een kosten-batenanalyse is vastgesteld of het plaatsen van een geluidscherm doelmatig is. De kosten voor het plaatsen van een geluidscherm zijn hoger gebleken dan de kosten die hiervoor overeenkomstig de kosten-batenanalyse gemaakt mogen worden. Dit betekent dat sprake is van een uit financieel oogpunt negatief resultaat. Het plaatsen van een geluidscherm is volgens het akoestisch rapport daarom niet doelmatig. In hetgeen [appellant sub 3] betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het toepassen van het schermcriterium en het maatregelcriterium als zodanig in strijd met de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving is dan wel anderszins onredelijk is. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister gelet op de uitkomst van de kosten-batenanalyse in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen geluidscherm te plaatsen.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.13.11. Voor zover door [appellant sub 3] is aangevoerd dat ten onrechte geen geluidbeperkende maatregelen zijn voorgeschreven ter beperking van ander verkeerslawaai dan verkeerslawaai vanwege de aan te leggen spitsstrook kan de beroepsgrond niet tot vernietiging van het Tracébesluit leiden, nu dit niet de rechtmatigheid van het bestreden besluit raakt.

De beroepsgrond faalt.

Veiligheid

2.14. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat geen deugdelijke afweging ten grondslag is gelegd aan het afwijken van de Europese overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975 (Geneve Trb. 1979,78, zoals laatstelijk gewijzigd zoals gepubliceerd in Trb. 2004,7, hierna: de Overeenkomst) met betrekking tot het behoud van de verkeersveiligheid, de veiligheid van niet-weggebruikers en in het bijzonder de veiligheid van [appellant sub 1] en anderen. In dit verband stellen zij zich onder meer op het standpunt dat de verkeersveiligheid onaanvaardbaar verslechtert doordat wanneer de spitsstrook niet in gebruik is de maximum snelheid 120 km per uur bedraagt terwijl de rijstroken zijn versmald. Daarnaast is een maximale snelheid van 100 km per uur wanneer de spitsstrook wel open is volgens [appellant sub 1] en anderen ook gevaarlijk in verband met de drukte op de weg. Daarnaast worden de veiligheidsproblemen volgens [appellant sub 1] en anderen niet verholpen door de 13 pechhavens, aangezien deze te ver uit elkaar liggen om van nut te zijn. De andere voorgeschreven maatregelen zijn daarnaast allemaal repressief van aard, zodat zij volgens [appellant sub 1] en anderen niet kunnen voorkomen dat de verkeersveiligheid verslechtert. Voorts is volgens [appellant sub 1] en anderen niet zeker of de vangrail wel op deugdelijk wijze is bevestigd, zodat ook in zoverre de veiligheidsproblemen niet verminderen. [appellant sub 1] en anderen voeren tevens aan dat met een eventueel incident op het DSM-terrein, waar de A2 doorheen loopt, geen rekening is gehouden. Voorts is in de Afwegingsnotitie een vergelijking gemaakt met wegen die volgens [appellant sub 1] en anderen niet vergelijkbaar zijn. Bij de desbetreffende wegen was namelijk geen sprake van een extra veiligheidsrisico voor niet-weggebruikers ten gevolge van het in de directe nabijheid van de weg liggen van een woning en industrieterrein.

2.14.1. Ingevolge bepaling III.3.1, van bijlage II, van de Overeenkomst dienen rijbanen op rechte stukken minimaal 3,50 meter breed te zijn en dient bij scherpe bochten in beginsel in extra ruimte te worden voorzien voor de grootste toegelaten voertuigen.

Ingevolge bepaling III.3.2, van bijlage II, van de Overeenkomst is de aanbevolen breedte voor bermen langs vluchtstroken 3,23 meter met inbegrip van de aanbevolen vluchtstrook van minimaal 2,5 meter.

Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld bij uitspraak van 15 september 2004 in zaak nr. 200401178/1 kunnen de genoemde bepalingen van de overeenkomst als een ieder verbindende bepalingen worden beschouwd, die zich lenen voor toepassing door de rechter in de nationale rechtsorde. Uit de Overeenkomst volgt dat iedere mogelijke inspanning moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat bij de aanleg van nieuwe wegen en de modernisering van bestaande wegen overeenstemming wordt bereikt met de normen van de bijlage van de Overeenkomst. Uit de Overeenkomst volgt ook dat is voorzien dat zich situaties kunnen voordoen waarin een staat daaraan niet kan worden gehouden. Wanneer echter van de minimumnormen en streefwaarden wordt afgeweken is daarvoor een grondige motivering vereist.

2.14.2. De Rijksweg A2 maakt in zoverre onderdeel uit van de Europese weg 25, de zogenoemde E25. Het betreft daarmee een in de Overeenkomst bedoelde rijbaan.

2.14.3. Bij het Tracébesluit is voorzien in een wijziging van de bestaande vluchtstrook van de westelijke rijbaan. De totale breedte van de westelijke rijbaan blijft hierbij gelijk. Het nieuwe wegprofiel van de westelijke rijbaan zal bestaan uit twee rijstroken en een spitsstrook. De breedte van de reguliere rijstroken wordt permanent teruggebracht van de huidige 3,5 meter naar 3,15 meter voor de linkerrijstrook en 3,4 meter voor de rechterrijstrook voor het traject van km 221.800 tot 224.600 en 3,25 meter voor de linkerrijstrook en 3,4 meter voor de rechterrijstrook voor het traject van km 224.600 tot 239.500. De breedte van de spitsstrook bedraagt over het gehele traject 3,35 meter. Gelet op de wijzigingen wordt niet voldaan aan de bepalingen III.3.1 en III.3.2, van bijlage II, behorende bij de Overeenkomst.

2.14.4. Aan het Tracébesluit ligt een Projectspecifieke afwegingsnotitie verkeersveiligheid (hierna: Afwegingsnotitie) ten grondslag van januari 2009. De Afwegingsnotitie heeft als basis het advies 'Veiligheid spitsstroken, plusstroken en bufferstroken; advies voor de spoedwetprojecten' van september 2003, opgesteld door de Adviesdienst Verkeer en Vervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. In de Afwegingsnotitie is een afweging verkeersveiligheid gemaakt waarbij de belangen waarmee volgens de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2004 op grond van de Overeenkomst rekening dient te worden gehouden zijn afgewogen. Met betrekking tot de verkeersveiligheid wordt aangegeven dat uit een ongevallenanalyse van vier bestaande spitsstroken en twee bestaande plusstroken is gebleken dat het ongevalrisico op alle onderzochte spits- en plusstroken in de periode na openstelling daarvan lager is dan in de periode voordat de spits- of plusstroken waren aangelegd. Gemiddeld is sprake van een daling van 28%. Daarnaast worden in de Afwegingsnotitie te treffen maatregelen en voorzieningen besproken die de verkeersveiligheid op peil moeten houden. Deze maatregelen en voorzieningen bestaan uit een snelheidsverlaging van 120 km per uur naar 100 km per uur wanneer de spitsstrook is geopend, een detectiesysteem en camerabewaking voor langzaam rijdende voertuigen, camerabewaking bij de vluchthavens, extra maatregelen incident management, zoals het "calamiteitenplan op maat", een inhaalverbod voor vrachtwagens tijdens openstelling van de spitsstrook, het aanleggen van vluchthavens en het aanpassen van openbare verlichting waardoor ook bij duisternis goed zicht is op de weg. Volgens de Afwegingsnotitie is er gelet op de vermindering van het aantal ongevallen en de aanvullende maatregelen geen aanleiding om te veronderstellen dat de verkeersveiligheid ten gevolge van de spitsstrook zal afnemen.

2.14.5. Door [appellant sub 1] en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen in de Afwegingsnotitie is opgemerkt ten aanzien van de veiligheid onjuist is. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich, mede gelet op de ervaringen die zijn opgedaan bij reeds aangelegde spits- en plusstroken, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het pakket aan maatregelen voldoende is om na de wegaanpassing te komen tot een veiligheidsniveau dat vergelijkbaar is met de bestaande situatie.

2.14.6. Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] en anderen dat geen rekening is gehouden met mogelijke incidenten op het DSM-terrein overweegt de Afdeling dat dergelijke incidenten geen betrekking hebben op het ongevallenrisico ten aanzien van het onderhavige tracé van de Rijksweg A2.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

[appellant sub 1] en anderen

2.15. [appellant sub 1] en anderen vrezen dat niet kan worden voldaan aan de op grond van titel 5.2 van de Wet milieubeheer geldende normen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. In dit verband voeren zij aan dat geen deugdelijk luchtkwaliteitonderzoek is uitgevoerd. Volgens [appellant sub 1] en anderen is het luchtkwaliteitonderzoek niet actueel, omdat dit dateert van januari 2007. Voorts is volgens hen ten onrechte geen onderzoek verricht naar de stoffen stikstofoxiden, lood, ozon, benzo(a)pyreen, arseen, cadmium, nikkel en zwevende deeltjes PM2,5. Tevens stellen [appellant sub 1] en anderen zich op het standpunt dat, anders dan waarvan wordt uitgegaan in het luchtkwaliteitrapport, niet vaststaat dat sprake is van een afname van de emissies van stikstofoxiden en zwevende deeltjes PM10 van onderscheidenlijk 54% en 23% in verband met technologische ontwikkelingen. Voorts is op onjuiste wijze de uurconcentratie van stikstofdioxide vastgesteld. Volgens [appellant sub 1] en anderen had de uurconcentratie berekend dienen te worden in plaats van te worden afgeleid van de jaargemiddelde concentratie. Bovendien is geen inzicht gegeven in de gebruikte statistische gegevens en de verrichte statistische analyse, zodat niet vaststaat of de uurgemiddelde concentratie wel op juiste wijze is berekend. Tevens had volgens [appellant sub 1] en anderen een onderzoek dienen plaats te vinden naar de huidige en toekomstige invloed van DSM op de luchtkwaliteit.

2.15.1. DHV B.V. heeft ten behoeve van het Tracébesluit een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport 'Effectbeoordeling luchtkwaliteit TB A2 St. Joost-Urmond' van 20 januari 2009. Dit rapport is gebaseerd op de achtergrondconcentraties over het jaar 2008. De stelling van [appellant sub 1] en anderen dat het luchtkwaliteitonderzoek ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet meer actueel is, mist derhalve feitelijke grondslag.

2.15.2. Ten aanzien van de stoffen stikstofoxiden, lood, ozon, benzo(a)pyreen, arseen, cadmium, nikkel en PM2,5 wordt in het luchtkwaliteitrapport naar voren gebracht dat de in titel 5.2 van de Wet milieubeheer gestelde normen voor deze stoffen niet worden overschreden.

Ten aanzien van lood wordt in het luchtkwaliteitonderzoek gesteld dat in de Nederlandse situatie de achtergrondconcentratie en emissies van lood dusdanig laag zijn dat de concentraties zich volgens metingen van het RIVM ruimschoots onder de norm bevinden. Langs een snelweg geldt voorts volgens het luchtkwaliteitrapport in het algemeen dat de door het verkeer uitgestoten stikstofmonoxide relatief snel (binnen enkele minuten) reageert met de in de atmosfeer aanwezige ozon en daarbij stikstofdioxide vormt. Gelet hierop neemt als gevolg van de emissie vanwege het wegverkeer de concentratie ozon af. Voorts wordt in het luchtkwaliteitrapport opgemerkt dat voor de stoffen arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen door Energieonderzoek Centrum Nederland een screening is uitgevoerd met het VLW model. Op basis van de meest ongunstige uitgangspunten is voor deze stoffen vastgesteld dat het verschil tussen de richtwaarde en de som van de bijdrage van het wegverkeer en de achtergrondconcentratie dermate groot is, dat overschrijding van de richtwaarde in 2011 en in 2020 redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In het TNO-rapport 2008-U-RO919/B (TNO, 2008a) wordt dit nader onderbouwd en toegelicht volgens het luchtkwaliteitrapport.

2.15.3. Het deskundigenbericht onderschrijft het luchtkwaliteitrapport in zoverre in die zin dat het niet aannemelijk is dat andere stoffen dan NO2 en PM10 de in titel 5.2 van de Wet milieubeheer opgenomen normen zullen overschrijden. Om die reden kon in het luchtkwaliteitonderzoek een onderzoek naar de desbetreffende stoffen achterwege worden gelaten. Het deskundigenbericht komt de Afdeling in zoverre niet onjuist voor.

Door [appellant sub 1] en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen in het luchtkwaliteitrapport is opgemerkt ten aanzien van de stoffen stikstofoxiden, lood, ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen onjuist is. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte in het luchtkwaliteitrapport niet nader onderzoek is gedaan naar overschrijding van de voor deze stoffen geldende normen.

2.15.4. Ten aanzien van zwevende deeltjes PM2,5 is in het luchtkwaliteitrapport vermeld dat het Milieu en Natuurplan Bureau stelt dat wanneer vanaf 2011 aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes PM10 wordt voldaan, naar verwachting ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor zwevende deeltjes PM2,5.

De stelling van [appellant sub 1] en anderen dat de concentratie van zwevende deeltjes PM2,5 bij het nemen van het bestreden besluit niet in aanmerking is genomen mist derhalve feitelijke grondslag. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat voormeld uitgangspunt onjuist is.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.15.5. Ten aanzien van zwevende deeltjes PM10 is in het luchtkwaliteitrapport vermeld dat de totale emissie na realisering van het tracé van 2011 tot 2020 met 23% afneemt, ondanks de toename van de verkeersprestaties. Dit is het gevolg van de afname van de emissie per voertuig. Deze emissie-afname per voertuig is toe te schrijven aan technologische ontwikkelingen in de motortechniek.

In het deskundigenbericht is in dit kader onder meer opgemerkt dat in het luchtkwaliteitrapport de berekende totale emissie gebaseerd is op emissiefactoren die rekening houden met de actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van voertuigen op snelwegen. De emissiefactoren worden jaarlijks bepaald met het programma VERSIT dat periodiek wordt aangepast. Bij het vaststellen van de emissie van zwevende deeltjes PM10 vanwege de aanleg van de spitsstrook is uitgegaan van de op dat moment meest recente emissiefactoren.

[appellant sub 1] en anderen hebben, mede in aanmerking genomen dat is uitgegaan van de meest recente emissiefactoren, niet aannemelijk gemaakt dat de minister is uitgegaan van onjuiste waarde wat betreft de emissie van zwevende deeltjes PM10.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.15.6. In artikel 5.20, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, is bepaald dat bij ministeriële regeling voor de toepassing van titel 5.2 regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de effecten en kwaliteitsniveaus, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, worden berekend.

Ingevolge artikel 66, aanhef en onder a en b, van de Regeling, voor zover hier van belang, maakt de minister vóór 15 maart van ieder kalenderjaar bekend:

a. een overzicht van de grootschalige concentratiegegevens van zwevende deeltjes (PM10) van het voorafgaande kalenderjaar;

b. een overzicht van de prognoses van de grootschalige concentratiegegevens van zwevende deeltjes (PM10) van het tiende kalenderjaar, volgend op het voorafgaande kalenderjaar en van de jaren 2010 en 2020.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Regeling maken bestuursorganen bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 66. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen in afwijking van het eerste lid andere gegevens gebruiken dan de gegevens bedoeld in artikel 66, onder a of b, indien die andere gegevens zijn goedgekeurd door de minister.

In artikel 71 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: RBL 2007), voor zover hier van belang, is bepaald dat het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij wegen plaatsvindt overeenkomstig de in bijlage 2 opgenomen standaardrekenmethode 2.

In onderdeel 3e, van bijlage 2, behorende bij de RBL 2007 is een formule weergegeven waarmee aan de hand van de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide kan worden bepaald of sprake is van een overschrijding van de uurgemiddelde concentratie van deze stof.

2.15.7. Uit de in onderdeel 3e, van bijlage 2, behorende bij de RBL 2007 weergegeven formule volgt dat het aanvaardbaar is om de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide af te leiden uit de jaargemiddelde concentratie. Er is voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de uurgemiddelde concentratie, aan de hand van de jaargemiddelde concentratie, op onjuiste wijze is berekend.

De beroepgrond faalt in zoverre.

2.15.8. Uit het deskundigenbericht volgt dat bij het bepalen van deze achtergrondconcentraties gebruik is gemaakt van de grootschalige concentratiegegevens als bedoeld in artikel 66 van de Regeling. De bijdrage van DSM moet, nu het om een bestaande bron gaat, als zodanig worden geacht te zijn verdisconteerd in deze grootschalige concentratiegegevens.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet heeft mogen uitgaan van het luchtkwaliteitonderzoek ten aanzien waarvan - in het licht van artikel 67 van de Regeling - niet kan worden ingezien dat bij het bepalen van de achtergrondconcentratie van zwevende deeltjes DSM als afzonderlijke bron moest worden betrokken.

De beroepsgrond faalt.

[appellant sub 3]

2.16. [appellant sub 3] voert aan dat in het luchtkwaliteitonderzoek onvoldoende rekening is gehouden met de windrichting. Voorts is volgens hem onvoldoende rekening gehouden met in de omgeving van zijn woning gelegen bedrijven, zoals het Tango tankstation en toekomstige industrie, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit.

2.16.1. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat in standaardrekenmethode 2, waarmee de berekeningen ten behoeve van de luchtkwaliteit zijn uitgevoerd, wordt uitgegaan van een jaargemiddelde meteorologische situatie. Het Koninklijk Nederlands Meteorlogisch Instituut levert de gegevens aan. Voor de windrichting en windsnelheid wordt uitgegaan van ieder uur gemeten waarden op de luchthavens Schiphol en Eindhoven. Deze waarden worden voor alle locaties in Nederland per uur gemiddeld. Er wordt daarom niet alleen gerekend met de overheersende windrichting.

Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is opgemerkt is er geen aanleiding voor het oordeel dat niet op juiste wijze rekening is gehouden met de meteorologische omstandigheden.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.16.2. Blijkens het deskundigenbericht wordt bij het vaststellen van de heersende achtergrondconcentraties rekening gehouden met grote industrieën. De invloed van kleine lokale bedrijven, zoals het Tango tankstation, wordt niet meegenomen in de heersende achtergrondconcentratie. De bijdrage van dergelijke bronnen is volgens het deskundigenbericht ten opzichte van de Rijksweg A2 en lokale hoofdwegen zeer gering, zodat het niet zinvol is de bijdrage van dergelijke bronnen mee te nemen in de berekeningen.

Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is opgemerkt, is rekening gehouden met in de omgeving van de woning van [appellant sub 3] gelegen relevante bronnen voor de luchtkwaliteit doordat de berekeningen zijn gebaseerd op de heersende achtergrondconcentraties. Er is gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is opgemerkt voorts geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte geen rekening is gehouden met kleine lokale bedrijven.

De beroepsgrond faalt.

Landschapsplan en/of natuurcompensatieplan

2.17. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat bij het nemen van het Tracébesluit de landschaps- en natuurwaarden onvoldoende zijn meegewogen. Volgens hen had een landschapsplan en/of een natuurcompensatieplan opgesteld dienen te worden.

2.17.1. In de Nota van toelichting bij het Tracébesluit merkt de minister ten aanzien van de aspecten natuur en landschap op dat het aanbrengen van geluidschermen naar verwachting niet leidt tot een verslechtering van de visuele beleving van het landschap. Door de geringe uitbreiding worden de effecten voor natuur en landschap als neutraal beoordeeld. Omdat er geen natuurwaarden verloren gaan, is er geen aanleiding gevonden om een landschapsplan en/of een natuurcompensatieplan op te stellen. Ook is gebleken dat er geen sprake is van verstoring of vernietiging van beschermde plant- en diersoorten. Ten aanzien van de verstoring van broedvogels als gevolg van geluid is gebleken dat er geen vergroting ontstaat van het geluidbelaste oppervlak. Verder wordt er geen extra verlichting aangebracht zodat gesteld kan worden dat er geen extra verstoring als gevolg van geluid en licht optreedt.

2.17.2. Gelet op hetgeen in de Nota van toelichting door de minister ten aanzien van de aspecten natuur en landschap is opgemerkt bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat door de minister de landschaps- en natuurwaarden onvoldoende zijn meegewogen. Door [appellant sub 1] en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat de minister zich ten onrechte in de Nota van toelichting op het standpunt stelt dat de landschaps- en natuurwaarden ten gevolge van de aanleg van de spitsstrook niet verslechteren. Gelet hierop is er voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet op goede gronden heeft kunnen besluiten geen landschapsplan dan wel een natuurcompensatieplan op te stellen.

De beroepsgrond faalt.

Overige gronden

2.18. [appellant sub 2] stelt zich op het standpunt dat het geluidscherm ter hoogte van zijn woning verhoogd dient te worden, zodat zijn privacy is gewaarborgd.

2.18.1. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat door de aanleg van de spitsstrook de privacy van [appellant sub 2] onevenredig wordt aangetast. De minister heeft daarom in zoverre in redelijkheid kunnen besluiten geen hoger scherm te plaatsen.

De beroepsgrond faalt.

2.19. [appellant sub 3] voert aan dat wanneer in de toekomst weer sprake is van een uitbreiding van de weg of een snelheidsverhoging de gemeten waarden wat betreft de geluidbelasting van voor de uitbreiding van de weg gehanteerd dienen te worden.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het Tracébesluit en kan daarom niet slagen.

Schade

[appellant sub 2]

2.20. [appellant sub 2] voert aan dat de waarde van zijn woning zal verminderen ten gevolge van het Tracébesluit. In verband hiermee eist hij schadevergoeding van de minster.

2.20.1. De minister stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 20d van de Tracéwet en onderdeel 1.4 van het Tracébesluit een belanghebbende die schade zal leiden als gevolg van het Tracébesluit een verzoek kan indienen om de schade vergoed te krijgen. De Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 is van toepassing. Hiervoor staat een zelfstandige procedure open.

2.20.2. Niet is gebleken dat aan de belangen van [appellant sub 2] onvoldoende gewicht is toegekend en dat ten aanzien van de eventuele schade niet in redelijkheid volstaan kon worden met een verwijzing naar de in onderdeel 1.4 van het Tracébesluit genoemde Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.

De beroepsgrond faalt.

[appellant sub 3]

2.21. [appellant sub 3] voert aan dat ten gevolge van de geluidtoename en de toename van schadelijke stoffen zijn woongenot wordt aangetast en de waarde van zijn woning zal verminderen. In verband hiermee eist hij schadevergoeding van de minister. Tevens verzoekt hij om een vergoeding in verband met de vervuiling op zijn woning vanwege de spitsstrook.

2.21.1. Niet is gebleken dat aan de belangen van [appellant sub 3] onvoldoende gewicht is toegekend en dat ten aanzien van de eventuele schade niet in redelijkheid volstaan kon worden met een verwijzing naar de in onderdeel 1.4 van het Tracébesluit genoemde Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.22. Het beroep van [appellanten sub 4] is, voor zover dit betrekking heeft op het weergeven van een onjuiste adressering in het Tracébesluit, niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 3] is, voor zover dit betrekking heeft op het ten onrechte niet betrekken van de cumulatieve effecten ten gevolge van de geluidbelasting vanwege de Zuiderpoort bij het vaststellen van de hogere waarden voor de woning [locatie sub 3] te [plaats], gegrond. Het Tracébesluit en het wijzigingsbesluit van 7 januari 2010 komen voor vernietiging in aanmerking, voor zover hierbij hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld voor de woning [locatie sub 3] te [plaats]. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het Tracébesluit en het wijzigingsbesluit van 7 januari 2010, voor zover deze besluiten voor vernietiging in aanmerking komen, in stand blijven. De beroepen van [appellanten sub 4] en [appellant sub 3] zijn voor het overige ongegrond. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zijn geheel ongegrond.

Proceskosten

2.23. Van proceskosten gemaakt door [appellant sub 3] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Voor vergoeding van de proceskosten voor [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 4] niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op het weergeven van een onjuiste adressering in het Tracébesluit;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 3] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt de besluiten van 23 januari 2009 en 7 januari 2010 voor zover daarbij hogere waarden zijn vastgesteld voor de woning [locatie sub 3] te Echt;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de besluiten van 23 januari 2009 en 7 januari 2010 in stand blijven voor zover deze besluiten zijn vernietigd;

V. verklaart de beroepen van [appellanten sub 4] en van [appellant sub 3] voor het overige ongegrond;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en haar vennoten [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2] en [appellant sub 2] geheel ongegrond;

VII. gelast dat de minister van Verkeer en Waterstaat aan [appellant sub 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010

375-578.