Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
200808112/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2008, no. 1380810/1448654, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Best bij besluit van 21 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Best 2006" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808112/1/R1.

Datum uitspraak: 19 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2008, no. 1380810/1448654, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Best bij besluit van 21 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Best 2006" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2008, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 18 december 2008. [appellant sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 12 januari 2009. [appellant sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 8 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], het college en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De stichting "Stichting Scouting Oud Best" (hierna: de stichting) heeft stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2010, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. A. van der Leest, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, [appellant sub 3], bijgestaan door F.J.M. de Haas, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. M.W.J. Timmermans, werkzaam bij de gemeente, en C.M.G. Schoof en W.H. Horseling voor de stichting gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan omvat het grootste deel van het buitengebied van de gemeente Best en strekt mede tot herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2004 in zaak nr. 200205573/1.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1], die woont aan de [locatie 1] te [plaats], betoogt dat het plan met betrekking tot het naastgelegen perceel [locatie 2] ten onrechte voorziet in de recreatieve voorziening "groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" in plaats van de voorheen toegelaten scoutingvoorzieningen, omdat dat zal leiden tot toename van de recreatieve activiteiten ter plaatse en in het omliggende bosgebied en van de overlast die daarvan door haar in de avond- en nachtperiode wordt ondervonden. Zij stelt dat de voorziening "groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" in strijd met de rechtszekerheid in het plan niet nader is gedefinieerd, zodat onduidelijk is wat ter plaatse toelaatbaar is. Dit staat volgens haar haaks op de verklaring van de raad in de plantoelichting dat de huidige situatie ter plaatse gehandhaafd blijft, met op de functie en omgeving afgestemde ontwikkelingsmogelijkheden. [appellant sub 1] vreest door de verruiming van de bestemmingsregeling in ernstige mate in haar woon- en leefgenot te worden aangetast, aangezien het bevoegd gezag over onvoldoende instrumenten beschikt om die overlast te voorkomen of in voldoende mate te beperken. Zij wijst er in dit verband op dat de Afdeling in haar uitspraak van 7 januari 2004 goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "scoutingactiviteiten". Volgens [appellant sub 1] blijkt voorts niet uit het bestreden besluit dat het college bij zijn besluitvorming rekening heeft gehouden met de bescherming van de Groene Hoofdstructuur-natuur (hierna: GHS-natuur) en met de natuur- en landschapswaarden van het omliggende bosgebied en evenmin met de in acht te nemen compensatieplicht in verband met de wijziging van een deel van de bosbestemming in een recreatiebestemming.

Het beroep van [appellant sub 1] is tevens gericht tegen de wijziging van de bestemming van de gronden ten noordwesten van de Hogekampenweg van "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (Al)" in "Agrarisch gebied (A)", waardoor de bescherming van de houtsingels en oude eikenbomen ter plaatse is vervallen, evenals de bescherming van het leefmilieu van de aanwezige amfibieën, vogels en vleermuizen. Gelet op de aanduiding van die gronden in het vorige bestemmingsplan als "leefgebied van amfibieën en reptielen" kan niet worden ingezien waarom de bescherming daarvan is vervallen, aldus [appellant sub 1].

2.4. Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, liggen de percelen aan de [locatie 2 en 1] in een beboste uitloper van het natuurgebied "Nieuwe Heide". Dit natuurgebied heeft in het plan hoofdzakelijk de bestemming "Bosgebied (BO)" gekregen.

Op het perceel [locatie 2], dat al ruim 50 jaar in gebruik is bij de stichting en haar voorgangers en dat een oppervlakte heeft van ongeveer 6.500 m², bevindt zich de accommodatie "De Blokhut", met daarin groepslokalen, een staflokaal, een keuken en een wasruimte. Er zijn geen slaapruimten, overnachtingen vinden plaats op veld- of luchtbedden. Ten zuiden en ten oosten van het gebouw liggen speelvelden met daarop een kampvuurkuil.

De woning van [appellant sub 1] bevindt zich op enkele meters afstand van het scoutingterrein en op ongeveer 45 meter ten noordwesten van "De Blokhut". Vanuit haar woning zijn "De Blokhut", het speelveld en de kampvuurplaats niet zichtbaar.

De stichting heeft ongeveer 200 leden in de leeftijd van 4 tot en met 22 jaar en ongeveer 50 stafleden. De activiteiten vinden plaats op vrijdagavond en zaterdagmiddag, zowel binnen als buiten en soms in het omliggende bosgebied. Eens in de twee jaar wordt een gezamenlijk weekend georganiseerd en bij bijzondere gelegenheden zoals een lustrum een gezamenlijk kamp.

In de zomermaanden wordt "De Blokhut" verhuurd aan andere scoutinggroepen en aan onderwijsgroepen van Jong Nederland.

2.5. Ingevolge artikel 14.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" bestemd voor recreatieve voorzieningen zoals nader aangeduid in de bijlage 'Tabel recreatieve voorzieningen', waarbij niet meer dan één voorziening aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak. Voor het perceel [locatie 2] is in die tabel de functie "groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" opgenomen, waarbij een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 440 m² met een maximale goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 8 meter is toegestaan. In de planvoorschriften is het begrip "groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" niet nader omschreven. Detailhandel en horeca zijn niet toegestaan, evenmin als het oprichten van een bedrijfswoning.

2.6. In haar uitspraak van 7 januari 2004 heeft de Afdeling goedkeuring onthouden aan de op het terrein in kwestie betrekking hebbende aanduiding "scoutingactiviteiten" op de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002". Zij heeft daarbij overwogen dat uit het besluit van het college van 10 september 2002 niet kan worden opgemaakt dat het college het plan op dit onderdeel getoetst heeft aan het beleid in het streekplan waaruit kan worden afgeleid, dat uitbreidingen van dag- of verblijfsrecreatieve bedrijvigheid in de GHS-natuur in beginsel ongewenst zijn omdat deze ten koste kunnen gaan van beschermenswaardige natuur- en landschapswaarden. Dit klemde volgens de Afdeling te meer aangezien het plan niet vermeldde wat onder het begrip "scoutingactiviteiten" diende te worden verstaan. Aangezien de raad ter zitting had verklaard dat hij beoogde ter plaatse naast de scoutingactiviteiten ook de bestaande activiteiten van basisscholen en van scholen voor buitengewoon onderwijs toe te staan en om de gebruiksmogelijkheden van het perceel in vergelijking met het vorige bestemmingsplan te verruimen, was de Afdeling van oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt had kunnen stellen dat de aanduiding niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening en heeft zij aanleiding gezien om goedkeuring te onthouden aan de aanduiding "scoutingactiviteiten" op de plankaart.

2.7. [appellant sub 1] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij bevreesd is dat door de bij het plan toegestane verandering van het gebruik, de frequentie en de aard van de recreatieve activiteiten in en rond het scoutinggebouw zullen toenemen, aangezien de doelgroepen die van het perceel gebruik kunnen maken aanzienlijk zijn uitgebreid.

De Afdeling vat dit betoog aldus op, dat [appellant sub 1] geen bezwaar heeft tegen de reeds lang bestaande scoutingactiviteiten op de locatie waar die thans plaatsvinden, maar uitsluitend tegen toename van hinderveroorzakende activiteiten.

2.8. Ter zitting is gebleken dat het scoutingterrein en "De Blokhut" thans, behalve door scoutinggroepen, uitsluitend worden gebruikt op woensdagmiddagen door zogeheten zorggroepen voor speciaal onderwijs. Blijkens het verhandelde ter zitting beoogt de raad met het plan daarnaast tevens verhuur aan andere niet-scoutinggroepen mogelijk te maken, waaronder verhuur voor werkweken van middelbare scholen. Het plan voorziet daarmee in een uitbreiding van de activiteiten ten opzichte van het bestaande gebruik. De Afdeling merkt daarbij op dat niet juist is het uitgangspunt van het college dat van verruiming door het plan van de gebruiksmogelijkheden geen sprake is, omdat voor de desbetreffende gronden ook al ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" de aanduiding "groepsaccommodatie" gold. Aan deze aanduiding heeft de Afdeling in de uitspraak van 7 januari 2004 immers goedkeuring onthouden. Het college kan evenmin worden gevolgd in het betoog dat van een relevante uitbreiding geen sprake is, omdat op grond van het voorliggende plan ook een intensivering van de scoutingactiviteiten zou zijn toegestaan en niet vast staat dat recreatieve activiteiten van scoutinggroepen minder overlast veroorzaken dan dergelijke activiteiten van niet-scoutinggroepen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat scoutingactiviteiten uitsluitend buiten schooltijd plaatsvinden, terwijl dat voor niet-scoutingactiviteiten, waaronder het houden van werkweken, doorgaans niet het geval is.

2.9. Niet in geschil is dat het perceel op de kaart 'Ruimtelijke Hoofdstructuur' van de Interimstructuurvisie Noord-Brabant als nader uitgewerkt in paragraaf 4.3 van de Paraplunota ruimtelijke ordening en weergegeven op de bij die nota behorende kaart 'Zonering van het buitengebied', is aangeduid als GHS-natuur. Uit hoofdstuk 4.8.3 en 4.8.5 van de Paraplunota ruimtelijke ordening volgt dat voor bestaande dag- of verblijfsrecreatie slechts uitbreidingsmogelijkheden worden geboden als dat noodzakelijk is voor kwaliteitsverbetering en onder strikte voorwaarden. Het provinciale beleid staat verdere ontwikkeling van dergelijke bedrijven onder meer slechts toe als de uitbreiding en de uitstralingseffecten daarvan de draagkracht van het betrokken gebied niet overschrijden. Voorts dient de aantasting van natuur- en landschapswaarden tot het minimum te worden beperkt en te worden gecompenseerd volgens de eisen die zijn genoemd in paragraaf 4.5 van die nota.

Uit het bestreden besluit valt niet op te maken dat het college het plan op dit onderdeel aan dit beleid getoetst heeft. Dit klemt temeer nu, naar hiervoor is overwogen, met het plan een aanzienlijke uitbreiding van de recreatieve activiteiten is beoogd ten opzichte van hetgeen onder het voorheen geldende regime was toegestaan, waardoor de druk op het gebied in kwestie zal toenemen. De Afdeling acht daarbij bovendien van belang dat in het plan niet is vermeld wat onder het begrip "groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" moet worden verstaan, zodat aan de invulling van dat begrip nauwelijks een beperking is gesteld.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de daarbij behorende recreatieve voorziening "groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" met betrekking tot het in geding zijnde perceel.

2.11. Met betrekking tot de aan de gronden ten noordwesten van de Hogekampenweg toegekende bestemming "Agrarisch gebied (A)" overweegt de Afdeling het volgende.

In het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" was aan een deel van deze gronden de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarde" toegekend, met de aanduiding "visuele bufferzone". Op gronden met genoemde bestemming was met name de instandhouding van natuurlijke en landschappelijke waarden voorzien. De als "visuele bufferzone" aangemerkte gronden waren bedoeld als visuele bescherming van nabijgelegen bos- en natuurgebieden. Op de bij dit plan behorende waardenkaart 1 waren de gronden tevens aangeduid als "leefgebied van amfibieën/reptielen". Voor de gronden gold ingevolge artikel 25 voor verschillende werken en werkzaamheden een aanlegvergunningvereiste.

2.12. Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, bevinden zich langs de Hogekampenweg en de oostelijke zijde van de Boslaan Zuid ten noorden van de kruising met de Hogekampenweg en rondom het perceel Hogekampenweg 3 houtsingels.

In het voorliggende plan is aan de Hogekampenweg zelf, alsook aan een enkele meters brede strook grond aan weerszijden van de weg, de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (Al)" toegekend. Ingevolge artikel 8.1 zijn de gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden. Ingevolge artikel 8.3.1, aanhef en onder a, en artikel 8.3.3 is voor het verwijderen van ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezige landschapselementen een aanlegvergunning nodig, die slechts kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden.

Het gedeelte van de Boslaan Zuid ten noordwesten van de kruising met de Hogekampenweg heeft in het plan de bestemming "Groen (G)" gekregen. Ingevolge artikel 6.1 zijn de gronden met die bestemming aangewezen voor onder meer het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de groenvoorziening en/of het landschapselement. Ingevolge artikel 6.3.1, onder e, en artikel 6.3.3 is voor het verwijderen van ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezige houtopstanden en landschapselementen een aanlegvergunning nodig en kan die slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden.

2.13. Uit de hiervoor weergegeven planvoorschriften blijkt dat voor de houtsingels langs de Hogekampenweg en de Boslaan Zuid een bestemming is gekozen die verwijdering daarvan niet zonder meer mogelijk maakt vanwege hun landschappelijke waarden. Volgens het deskundigenbericht wordt hiermee ook een zekere bescherming geboden aan de instandhouding van de singels als leefgebied voor reptielen en, zij het in mindere mate, voor amfibieën.

2.14. Voor de houtsingel om de gebouwen op het perceel Hogekampenweg 3 en eventuele landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de agrarische gronden ten noordwesten van de Hogekampenweg is in het voorliggende plan geen bescherming opgenomen.

Vooropgesteld moet worden dat aan de raad bij het vaststellen van een plan een grote beleidsvrijheid toekomt. Blijkens de stukken heeft de raad de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (Al)" die aan die gronden in het ontwerpplan was toegekend, naar aanleiding van een zienswijze van de toenmalige eigenaar daarvan, gewijzigd in de bestemming "Agrarisch gebied (A)". De raad heeft daarbij vermeld dat uit nader onderzoek - dat door [appellant sub 1] niet is bestreden - is gebleken dat geen sprake is van natuur- en landschapswaarden die de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (Al)" rechtvaardigen. Dit kan volgens de raad eveneens worden geconcludeerd uit de aanduiding van dit gebied op de streekplankaart als Agrarische Hoofdstructuur-landbouw (hierna: AHS-landbouw). Ook voor de omvang van het leefgebied van amfibieën en reptielen heeft de raad aangesloten bij de provinciale begrenzing daarvan. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

2.15. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is op dit punt ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.16. Het beroep van [appellant sub 2], die een rundvee- en varkenshouderij exploiteert aan de [locatie 3] en op het ten zuiden daarvan gelegen ongenummerde perceel, richt zich tegen de onthouding van goedkeuring door het college aan een deel van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" op het noordelijke perceel, omdat het resterende bouwblok onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden biedt voor haar bedrijf. Indien de niet op de plankaart aangegeven bestaande varkensstal en twee sleufsilo's daarop worden ingetekend, resteert volgens haar geen enkele uitbreidingsmogelijkheid meer. Door de onthouding van goedkeuring zal niet kunnen worden ingespeeld op actuele ontwikkelingen op het gebied van dierenwelzijn en milieu en is een bedrijfstechnisch en bedrijfseconomisch voldoende omvang van het bedrijf niet zeker, aldus [appellant sub 2].

Zij betoogt dat het besluit niet is gemotiveerd en dat bij de besluitvorming niet is gekeken naar de individuele situatie. Zij stelt daartoe dat het door de raad toegekende bouwblok overeenstemt met provinciaal beleid, volgens hetwelk grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS mogen uitbreiden met 15% of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van het uitbreidingspercentage kleiner van omvang is. Volgens haar heeft het college er, in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2004, bovendien geen blijk van gegeven dat aan die beleidsuitgangspunten getoetst is.

2.17. In de uitspraak van 7 januari 2004, waarin eveneens een beroep van [appellant sub 2] tegen de onthouding van goedkeuring door het college aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -AB-" aan de orde was, heeft de Afdeling met betrekking tot het perceel in kwestie overwogen dat in het streekplan was opgenomen dat grondgebonden agrarische bedrijven in het AHS-landschap hun bouwblok mochten uitbreiden met 15% of tot een omvang van 1,5 hectare als het bouwblok na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner van omvang zou zijn. Vastgesteld werd dat de in het toenmalige plan toegekende bouwblokken een totale oppervlakte hadden van in totaal ongeveer 2,2 hectare en dat het college aan gedeelten met een omvang van ongeveer 0,4 hectare van het in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" toegekende bouwblok goedkeuring had onthouden. Het destijds bestreden besluit van het college, noch de overige stukken boden echter een aanknopingspunt of het college onderzocht had in hoeverre het bouwblok voldeed aan de uitbreidingsmogelijkheid van 15% die in het streekplan voor grondgebonden agrarische bedrijven in het AHS-landschap was geboden. De Afdeling achtte dan ook onvoldoende draagkrachtig onderbouwd dat de omvang van de bestemming in strijd was met een goede ruimtelijke ordening en heeft het besluit van het college van 10 september 2002 op dit onderdeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigd.

2.18. Uit de stukken waaronder het deskundigenbericht, volgt dat bij de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2004 wat betreft de bij het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" toegekende bouwblokken abusievelijk is uitgegaan van een gezamenlijke oppervlakte van 2,2 hectare. Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat het door hem in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" toegekende bouwblok een omvang had van in totaal ongeveer 13.350 m², dat de oppervlakte van het bouwblok na gedeeltelijke onthouding van goedkeuring door het college daaraan nog ongeveer 1 hectare bedroeg en dat met het voorliggende plan is beoogd om, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2004, een bouwblok toe te kennen van 1 hectare met daarbij 15% uitbreidingsruimte, derhalve tot een totale omvang van ongeveer 11.500 m².

2.19. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw goedkeuring onthouden aan een gedeelte van het toegekende bouwblok, een strook grond aan de zuidwestzijde van het noordelijke bouwblok, met een omvang van ongeveer 15 meter breed en 70 meter lang. Het college heeft daarbij overwogen dat het totale bouwblok in het plan weliswaar is verkleind overeenkomstig zijn besluit van 10 september 2002, maar dat desondanks te ruime uitbreidingsmogelijkheden zijn overgebleven, zodat van een 'bouwblok op maat' geen sprake is.

2.20. Niet in geding is dat het perceel van [appellant sub 2] zich volgens het provinciale beleid in het AHS-landschap bevindt. Blijkens de plankaart is aan de gronden in kwestie de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" toegekend met, op het zuidelijke perceel, de aanduiding "niet-grondgebonden, intensieve veehouderij (ngi)". In het bedrijf worden ongeveer 300 (opfok)zeugen, 300 biggen en 50 stuks melkrundvee gehouden. Op het noordelijke bouwblok bevindt zich een rundveestal met een oppervlakte van ongeveer 540 m² en een verhardingsoppervlakte van ongeveer 250 m². Op het zuidelijke bouwblok liggen een woonhuis met een aangebouwde varkensstal, een drietal andere varkensstallen, een open veldschuur met kalverenstal en een voeder- en afvalsilo, met - inclusief de sleufsilo's op het zuidoostelijk deel van dit bouwblok van ongeveer 850 m² - een totale bebouwde oppervlakte van ongeveer 2350 m² en een totaal verhardingsoppervlak van ongeveer 5000 m².

2.21. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is [appellant sub 2] voornemens om vanwege doelmatigheidsredenen de bedrijfsvoering ruimtelijk te scheiden door het rundvee op het noordelijk gelegen perceel te huisvesten en de varkens op het zuidwestelijk gelegen deel. Hiertoe is de bouw van een tweede rundveestal noodzakelijk. Gelet op de evidente bedrijfstechnische en bedrijfseconomische voordelen hiervan acht de Afdeling de voorgenomen ruimtelijke scheiding niet onredelijk. Blijkens de stukken en de verklaringen van de raad ter zitting ontbreekt door de onthouding van goedkeuring voor de verplaatsing van het rundvee naar het noordelijke perceel echter de benodigde ruimte, omdat in de aan het plan verbonden bouwvoorschriften in paragraaf 10.2 een verbod is opgenomen voor het oprichten van bebouwing binnen 15 meter van de as van de weg en binnen 2 meter vanaf de zijdelingse perceelsgrenzen, en in het geval van de realisering van een tweede stal ter plaatse bovendien niet meer om de stallen heen kan worden gereden. De mogelijkheden om de benodigde bebouwing te realiseren wordt in dit geval beperkt door de scheiding van de gronden van [appellant sub 2] in twee afzonderlijke percelen, aldus de raad. Het realiseren van een tweede rundveestal op het zuidelijke perceel ligt niet in de rede, aangezien dat perceel naar alle waarschijnlijkheid op middellange termijn nodig zal zijn om te kunnen voldoen aan de eisen wat betreft dierenwelzijn. Nu de raad bij de vaststelling van het plan op dit punt aldus heeft bezien of binnen het bouwblok nog wel voldoende benutbare uitbreidingsruimte aanwezig was en bij gebrek daaraan 15% uitbreidingsruimte heeft vergund tot een totale omvang van niet meer dan 11.500 m², ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad hiermee een onjuiste toepassing heeft gegeven aan haar uitspraak van 7 januari 2004. Voorts is van een relevante wijziging van feiten of omstandigheden die aanleiding had moeten zijn om daarvan af te wijken, niet gebleken.

2.22. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om deze reden goedkeuring in zoverre aan het plan te onthouden heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding om alsnog goedkeuring aan het desbetreffende plandeel te verlenen.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.23. [appellant sub 3], die woont aan de [locatie 4] in [plaats], kan zich niet verenigen met het feit dat in het voorliggende plan de percelen [locatie 4 en 5] in één bestemmingsvlak "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" zijn opgenomen, omdat het zowel kadastraal als ruimtelijk gezien om twee gescheiden percelen gaat. Door de samenvoeging wordt volgens haar de woning aan de [locatie 5], die door haar schoonvader wordt bewoond, ten onrechte beschouwd als bedrijfswoning bij het voormalige glastuinbouwbedrijf, aangezien haar schoonvader nooit in dat bedrijf werkzaam is geweest en ook voor het overige geen verband bestaat tussen het glastuinbouwbedrijf en de woning aan de [locatie 5]. Indien een reguliere woonbestemming aan die woning zou worden toegekend doet zich, anders dan het college heeft gesteld, derhalve geen splitsing van bedrijfswoning en bedrijf voor. De samenvoeging van de percelen staat er voorts aan in de weg om de voormalige woning aan de [locatie 4], die thans voor opslagdoeleinden wordt gebruikt, op een andere plek te herbouwen en deze te bewonen, aangezien op de gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" slechts één bedrijfswoning is toegestaan. Volgens [appellant sub 3] zal het herbouwen en bewonen van het cultuurhistorisch waardevolle pand [locatie 4] een bijdrage leveren aan de in het gemeentelijke landschapsontwikkelingsplan vermelde doelstelling van het behoud van historische bebouwing door herstel van de oorspronkelijke functie. Zij stelt dat, nu niet voorzienbaar is dat het pand in de planperiode zal verdwijnen, het pand positief dient te worden bestemd en niet opnieuw onder het overgangsrecht kan worden gebracht. [appellant sub 3] stelt ten slotte nog dat in het pand in het verleden twee gezinnen hebben gewoond, zodat het standpunt van het college en de raad dat bewoning van het pand niet reëel kan worden geacht, onbegrijpelijk is.

2.24. Het college heeft met de raad overwogen dat de percelen [locatie 4 en 5] in het bestemmingsplan Buitengebied van 1982 en in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" als één agrarisch bouwblok waren opgenomen en dat een privaatrechtelijke afsplitsing niet betekent dat automatisch een recht ontstaat op een burgerwoonbestemming. Het provinciale beleid is gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. Extra woningbouw is over het algemeen slechts mogelijk in het geval van bijzondere woningbouw zoals in het kader van het Ruimte-voor-Ruimte-beleid. De cultuurhistorische waarde van het pand aan de [locatie 4] rechtvaardigt op zichzelf geen nieuwe woonbestemming, aldus het college.

2.25. De gronden van [appellant sub 3] aan de [locatie 4 en 5] hebben in het plan de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" gekregen. Het bestemmingsvlak, dat een oppervlakte van ongeveer 2 hectare heeft, is voorts voorzien van de aanduidingen "Extensiveringsgebied (e)", "niet- grondgebonden, glastuinbouw (nggt)" en "Bebouwingsconcentratie 1a; Kerngebied nabij kern of doorgaande weg".

Ingevolge artikel 10.2.3 van de planvoorschriften is per agrarisch bedrijf niet meer dan één bedrijfswoning toegestaan, tenzij op de plankaart anders is aangegeven. Dat laatste doet zich hier niet voor. In artikel 10.4.6 is de bevoegdheid toegekend aan het college van burgemeester en wethouders om, onder bepaalde voorwaarden van bedrijfstechnische aard, vrijstelling te verlenen voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. Niet in geding is dat aan genoemde voorwaarden niet wordt voldaan.

In artikel 10.5.2 en 10.5.3 zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" in onderscheidenlijk een (mede)bestemming 'Woondoeleinden' en een (mede)bestemming 'Woondoeleinden' ten behoeve van de bouw van een extra woning.

2.26. In het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" was aan de gronden van [appellant sub 3] aan de [locatie 4 en 5] de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. De percelen waren als één vlak opgenomen met de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", met de aanduiding "glastuinbouw (gt)" en "1BW". Met laatstgenoemde aanduiding was beoogd aan te geven dat hier één bedrijfswoning was toegestaan. Dit plan bevatte in de artikelen 16, 19 en 20 van de planvoorschriften dezelfde regeling als het voorliggende plan omtrent de toelating van één bedrijfswoning en vrijstelling van die bepaling, alsook omtrent de wijzigingsbevoegdheid voor het omzetten van de toegekende bestemming in een woonbestemming, al dan niet ten behoeve van de realisering van een extra burgerwoning.

Ook in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 1982" waren de percelen in één bestemmingsvlak "Agrarisch bouwblok A (met woning)" opgenomen. In artikel 11, lid A, onder 1a, was bepaald dat binnen ieder op de plankaart als zodanig aangegeven bouwblok slechts één bedrijfswoning mocht worden gebouwd. Het college van burgemeester en wethouders kon van die bepaling vrijstelling verlenen voor de bouw van een tweede bedrijfswoning.

2.27. Uit het deskundigenbericht volgt dat op de percelen in kwestie twee woonruimten aanwezig zijn, te weten de woning aan de [locatie 5], waar de schoonvader van [appellant sub 3] woont, en de woning van [appellant sub 3] en haar gezin in het bedrijfsgebouw van het voormalige glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 4], dit laatste overeenkomstig een in 1989 verleende tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO.

2.28. De Afdeling is, mede gelet op de omstandigheid dat voor de woning op nr. 13 in 1968 een bouwvergunning is verleend en de bewoning van de bedrijfsruimte op nr. 11 eerst aan het eind van de jaren '80 is aangevangen, van oordeel dat voldoende vast staat dat de woning op nr. 13 in het bestemmingsplan uit 1982 als bedrijfswoning van het toenmalige agrarische bedrijf op nr. 13 is aangemerkt. Hieruit moet tevens worden afgeleid dat de woning op nr. 13 in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" is beschouwd als de bedrijfswoning van het inmiddels voor glastuinbouw gebruikte bedrijf, welk bedrijf, zo volgt uit het deskundigenbericht, vanaf het midden van de jaren '90 kennelijk niet langer op het perceel [locatie 5], maar op [locatie 4] was gevestigd.

Geconcludeerd moet dan ook worden de percelen [locatie 4 en 5] als één ruimtelijke eenheid moeten worden beschouwd met de woning [locatie 5] als enige toegestane bedrijfswoning bij het (voormalige) glastuinbouwbedrijf. Het feit dat deze woning door de omliggende heg niet op het bedrijfsterrein van het (voormalige) glastuinbouwbedrijf lijkt te liggen en dat de woning niet bewoond wordt door een exploitant dan wel een werknemer van het bedrijf, doet daaraan niet af.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het tot burgerwoning bestemmen van de voormalige bedrijfswoning op nr. 13 zich in beginsel niet verdraagt met het provinciale beleid ter zake, omdat dat zou leiden tot verdere ongewenste toename van burgerbewoning in het buitengebied. Hetzelfde geldt volgens het college voor het toekennen van een burgerwoonbestemming aan de voormalige boerderij aan de Sonseweg nr. 11. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

Ter zitting hebben het college en de raad verklaard dat, nu het perceel van [appellant sub 3] zich in een bebouwingsconcentratie bevindt, niet is uitgesloten dat voor de daarop gelegen bebouwing, al dan niet in ruil voor sloop van een deel daarvan, verruimde hergebruiksmogelijkheden kunnen worden geboden in het kader van de gemeentelijke "Beleidsnotitie Bebouwingsconcentraties in het Buitengebied van Best" en dat in dit kader thans tussen partijen overleg plaatsvindt om tot een bevredigende oplossing te komen.

2.29. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening behoefde te worden geacht dan wel anderszins in strijd is met het recht. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.30. Het beroep van [appellant sub 4], die op twee percelen aan de [locatie 6], sectie [...], no. [...], in Best een boomkwekerij exploiteert, richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden (Aln)" met de aanduidingen "struweelvogels (s)" en "landschapsontwikkelingszone", ten gevolge waarvan de realisering van een bedrijfsloods ten behoeve van de kwekerij is uitgesloten. Hij betoogt dat in het plan ten onrechte geen agrarisch bouwblok is opgenomen, omdat in 1983 voor het perceel sectie [...], no. [...], een onherroepelijke bouwvergunning voor de bouw van twee varkensstallen is verleend. Hij voert daartoe aan dat bij het toekennen van bouwblokken zowel rekening dient te worden gehouden met bestaande legale bebouwing als met vergunde, nog niet gerealiseerde bebouwing.

Volgens [appellant sub 4] is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat de verleende bouwvergunning in 2004 rechtsgeldig en definitief is ingetrokken. Zijn betoog dat de intrekking van de bouwvergunning onrechtmatig was, is door de raad noch door het college gemotiveerd weerlegd, aldus [appellant sub 4].

Het college is er volgens hem met de raad voorts ten onrechte van uitgegaan dat, omdat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" geen bouwblok was opgenomen, de toekenning in het plan van een bouwblok nieuwvestiging zou betekenen, waartegen het provinciale beleid zich verzet. Hij stelt daartoe dat, anders dan de raad en het college stellen, op enig moment een agrarisch bouwblok aanwezig moet zijn geweest, waarop de in 1983 verleende bouwvergunning was gebaseerd. Omdat de bouwvergunning ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" nog niet was ingetrokken, had ook in dat plan een bouwblok opgenomen moeten worden. [appellant sub 4] heeft er ten slotte nog op gewezen dat de exploitatie van een kwekerij met loods met het oog op de bescherming van het leefgebied van struweelvogels en van de overige aanwezige natuurwaarden ter plaatse gunstiger is dan de exploitatie van een veehouderij.

2.31. De raad heeft overwogen dat de bouwvergunning waarop [appellant sub 4] zich beroept op 28 januari 2004 is ingetrokken en dat voor diens perceel ook in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" geen bouwblok was opgenomen. Mitsdien is bij de besluitvorming geen rekening gehouden met een vergunde situatie, aldus de raad.

2.32. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat hij geen aanleiding ziet om een ander standpunt in te nemen dan de raad, dat de percelen in kwestie onbebouwd zijn, dat de in 1983 verleende bouwvergunning rechtsgeldig en definitief is ingetrokken, en dat toekenning van een nieuw agrarisch bouwblok zich in principe niet verdraagt met het provinciale beleid.

2.33. In het plan is aan de gronden van [appellant sub 4] de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden (Aln)" toegekend, met de aanduiding "struweelvogels (s)" en "landschapsontwikkelingszone".

Ingevolge artikel 7.1, onder a, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden (Aln)" onder meer bestemd voor agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Op deze gronden mogen ingevolge artikel 7.2, onder a, alleen kleinschalige bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 10 m² en een hoogte van ten hoogste 3 meter worden opgericht, alsmede afrasteringen voor het agrarisch beheer en eenvoudige voorzieningen (niet zijnde gebouwen) voor recreatief medegebruik. In artikel 7.4 is de bevoegdheid opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 7.2 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Op de gronden in kwestie mag zonder aanlegvergunning houtgewas worden geplant.

2.34. Niet in geschil is dat ingevolge de aan het voorliggende plan verbonden voorschriften het huidige gebruik van de percelen van [appellant sub 4] ten behoeve van boomteelt is toegestaan. Ingevolge het hierboven genoemde artikel 7.2, onder a, is de bouw van een loods ten behoeve van de boomteelt ter plaatse niet mogelijk.

2.35. In het bestemmingsplan "Buitengebied Best 1982" was aan de gronden in kwestie een agrarische bestemming toegekend. Daarin was een agrarisch bouwblok opgenomen, waarin de varkensstallen waarvoor in 1982 bouwvergunning was verleend, waren geprojecteerd. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" rustte op de gronden in kwestie de bestemming "Agrarisch gebied". In dat plan was geen bouwblok toegekend. Het college heeft bij zijn besluit van 10 september 2002 onder meer aan een deel van het plan voor die percelen goedkeuring onthouden. In het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002, 1e herziening Molenheide", zijnde de correctieve herziening van het plan "Buitengebied Best 2002" voor het gebied rond de Oude Baan dat door de onthouding van goedkeuring van het college was getroffen, waren de gronden van [appellant sub 4] niet betrokken.

2.36. De Afdeling stelt voorop dat de vraag of de bouwvergunning voor de bouw van twee varkensstallen destijds al dan niet rechtsgeldig is ingetrokken thans niet meer aan de orde kan komen. Er hebben immers voor [appellant sub 4] destijds rechtsmiddelen opengestaan tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen intrekking van die vergunning, waarvan door hem geen gebruik is gemaakt.

Op grond van het voorgaande moet echter wel worden geconcludeerd dat, nu ten gevolge van de onthouding van goedkeuring aan de in het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" toegekende nieuwe bestemming van de percelen, zijnde "Agrarisch gebied" zonder een bouwblok, ten tijde van het vaststellen van het voorliggende plan ter zake nog steeds het bestemmingsplan "Buitengebied Best 1982" van kracht was, zodat een agrarisch bouwvlak op de percelen van [appellant sub 4] rustte. Het college heeft zich daarvan bij zijn besluitvorming, in navolging van de raad, geen rekenschap gegeven.

Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat ten tijde van het bestreden besluit ter plaatse geen bedrijfsbebouwing aanwezig was en dat niet bekend was dat [appellant sub 4] ter plaatse een loods wilde realiseren ten behoeve van boomteelt. Uit de stukken blijkt evenwel dat [appellant sub 4], nadat hij in 2002 eigenaar is geworden van het perceel, vanaf 2004 in gesprekken met ambtenaren van de gemeente en schriftelijk meermalen kenbaar heeft gemaakt dat hij in plaats van de twee varkensstallen een loods ten behoeve van de kwekerij wenste te bouwen.

2.37. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden (Aln)", met de aanduidingen "struweelvogels" en "landschapsontwikkelingszone" betreffende het perceel [locatie 6], sectie [...], no. [...].

Proceskosten

2.38. Het college dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4]. Geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 3].

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk en de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 23 september 2008, no. 1380810/1448654, voor zover het betreft de verlening van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de daarbij ingevolge de Tabel Recreatieve voorzieningen behorende recreatieve voorziening "Groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" ter plaatse van het perceel [locatie 2]; voor zover het betreft de verlening van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden (Aln)", met de aanduidingen "struweelvogels" en "landschapsontwikkelingszone" ter plaatse van het perceel [locatie 6], sectie [...], no. [...], en voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het met blauwe lijnen op de plankaart aangegeven gedeelte van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" ter plaatse van het perceel [locatie 3];

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de daarbij ingevolge de Tabel Recreatieve voorzieningen behorende recreatieve voorziening "Groepsaccommodatie en jeugd- en jongerenwerk" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 2];

IV. verleent alsnog goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" ter plaatse van het perceel [locatie 3];

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en het beroep van [appellant sub 3] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten aanzien van [appellant sub 1] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ten aanzien van [appellant sub 2] tot een bedrag van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en ten aanzien van [appellant sub 4] tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro), aan [appellant sub 2] ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) en aan [appellant sub 4] ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010

240.