Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
200906894/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2009 heeft het college een verzoek van [appellanten sub 1] van 23 december 2008 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de paardenhouderij van [appellanten sub 2] , gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1a
Besluit landbouw milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 39K
Milieurecht Totaal 2010/3909
JM 2010/116 met annotatie van Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906894/1/M2.

Datum uitspraak: 19 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Venray,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Venray,

en

het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum,

thans: Venray,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2009 heeft het college een verzoek van [appellanten sub 1] van 23 december 2008 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de paardenhouderij van [appellanten sub 2] , gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college de door [appellanten sub 2] en [appellanten sub 1] hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2009, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 5 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2010, waar [appellanten sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. P.A.M. van Hoef, advocaat te Venray, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door M. Verheijen, werkzaam bij de gemeente, en ing. L.J.M. Peeters, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het besluit van 22 april 2009 heeft het college het verzoek van [appellanten sub 1] van 23 december 2008 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen jegens [appellanten sub 2] wegens overtreding van voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit landbouw) afgewezen. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het voorschrift niet is overtreden, zodat er geen grond was om handhavend op te treden. Bij het besluit van 28 juli 2009 heeft het college het besluit van 22 april 2009 ongewijzigd in stand gelaten.

2.2. [appellanten sub 2] stellen dat zij zich kunnen verenigen met het standpunt van het college dat zij geen overtreding hebben begaan en met het besluit van 22 april 2009 om jegens hen niet handhavend op treden, alsmede met het besluit 28 juli 2009 om voormeld besluit in stand te laten.

Het beroep van [appellanten sub 2] richt zich uitsluitend tegen de overwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit van 28 juli 2009. Die overwegingen dienen ter motivering van het besluit, maar roepen op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven. Deze overwegingen zijn als zodanig niet voor beroep vatbaar. De conclusie is dat [appellanten sub 2] geen belang hebben bij het beroep tegen het besluit van 28 juli 2009. Hun beroep is daarom niet-ontvankelijk.

2.3. [appellanten sub 1] stellen dat [appellanten sub 2] de in voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw opgenomen zorgplicht hebben geschonden door in strijd met daarover gemaakte afspraken de mest uit de stal in hun paardenhouderij niet eens per drie dagen af te voeren, maar langer in de stal te laten liggen. Volgens hen had het college ter zake handhavend moeten optreden. Voorts voeren [appellanten sub 1] aan dat het college onvoldoende en op onjuiste wijze controles uitvoert.

2.3.1. Het gaat in dit geding om de beweerdelijke overtreding van voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw. Het gaat in dit geding niet om de vraag of in de inrichting opslag van vaste mest plaatsvindt en dus ook niet om mogelijke overtreding van voorschrift 2.3.1 van de bijlage bij het Besluit landbouw. Dit voorschrift was onderwerp van geschil in de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2008 in zaak nr. 200801490/1 naar aanleiding van een eerder beroep van [appellanten sub 1] tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaar tegen de afwijzing van hun verzoek om handhaving van 21 februari 2007. Het geval van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht doet zich gelet op het vorenstaande - anders dan [appellanten sub 2] naar voren hebben gebracht - niet voor.

2.3.2. Ingevolge voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw worden, voor zover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, die gevolgen zoveel mogelijk voorkomen of, voor zover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

2.3.3. Het Besluit landbouw op zichzelf verplicht [appellanten sub 2]- er niet toe om de mest eens per drie dagen uit de stal te verwijderen en af te voeren. Het college heeft hierover ook geen nadere eis, thans: maatwerkvoorschrift, gesteld. Uit de stukken, waaronder het verweerschrift, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellanten sub 2] met het college hebben afgesproken dat zij de mest eens per drie dagen uit de stal zullen verwijderen en afvoeren teneinde te voorkomen dat percolaat van de mest wegstroomt in het riool. Dat [appellanten sub 2] zich niet zouden houden aan deze afspraak betekent echter nog niet dat zij daarmee voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw hebben overtreden.

2.3.4. Voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw vormt, blijkens de toelichting daarop in paragraaf 3.3 van de Nota van Toelichting bij het Besluit landbouw, een aanvullende norm voor de zorg voor het milieu die degene die de inrichting drijft behoort te betrachten. De Afdeling is van oordeel dat overeenkomstig de in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer vervatte zorgplicht overtreding van de in voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw vervatte zorgplicht zich slechts kan voordoen in gevallen waarin ernstige nadelige gevolgen voor het milieu optreden of acuut dreigen op te treden, terwijl de Wet milieubeheer en het Besluit landbouw er niet op andere wijze in voorzien om die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 8 december 2004 in zaak nr. 200401808/1.

2.3.5. Uit de stukken, waaronder het door het college overgelegde overzicht van controles, en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college in ruime mate en zonder vooraankondiging de inrichting heeft bezocht en controles heeft uitgevoerd. Niet gebleken is dat deze controles op onjuiste wijze zijn uitgevoerd. Niet aannemelijk is gemaakt of geworden dat het college in haar controlerende taken is tekortgeschoten.

Voorts is niet gebleken dat de mest zodanig lang in de stallen bleef liggen dat als gevolg daarvan zodanig nadelige gevolgen voor het milieu zijn opgetreden dat voorschrift 1.9 van de bijlage bij het Besluit landbouw is overtreden. Het college heeft daarom terecht afgezien van handhavend optreden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep van [appellanten sub 2] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010

431-628.