Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
200907649/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Hasselt om de Weede, fase 1a" vastgesteld (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/4297
TBR 2010/148 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907649/1/R3.

Datum uitspraak: 19 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zwartewaterland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Hasselt om de Weede, fase 1a" vastgesteld (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2010, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in persoon alsmede de raad, vertegenwoordigd door G. Stam, werkzaam bij de gemeente, en G. Folmer, werkzaam bij juridisch adviesbureau Folmer, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GOM Zwartewaterland B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de eerste fase van het woningbouwproject "Hasselt om de Weede". Het plan maakt de bouw van woningen en twee appartementengebouwen ten noordoosten van de kern van Hasselt mogelijk.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat zal worden aangetast door de komst van een appartementengebouw achter zijn woning. In verband hiermee wenst hij dat de sloot tussen zijn woning en het gebouw wordt verbreed en dat de vijver op de hoek van de wegen Ruif en Gareel wordt vergroot. Verder voert [appellant sub 1] aan dat het voet- en fietspad dat achter zijn woning zal worden gerealiseerd veel overlast zal veroorzaken.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefgenot van [appellant sub 1]. Verder stelt de raad dat het voet- en fietspad op ruime afstand van de woning van [appellant sub 1] wordt gerealiseerd en maar een beperkte ontsluitingsfunctie voor de nieuwe woonwijk zal hebben.

2.2.2. Het plan voorziet onder meer in een appartementengebouw in het noordelijke deel van het plangebied. Aan het plandeel dat voorziet in het appartementengebouw dat het dichtst bij de woning van [appellant sub 1] ligt, is de bestemming "Gemengd 1" toegekend. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder b, c, h, i en j, van de planregels zijn de voor "Gemengd 1" aangewezen gronden bestemd voor wonen met daarbij behorende gebouwen, wegen en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. De maximaal toegestane bouwhoogtes ter plaatse bedragen ingevolge artikel 3.2.1, onder b, van de planregels, in samenhang bezien met de verbeelding, 7 en 10 meter en een klein deel van de bebouwing mag maximaal 18 meter hoog worden. De woning van [appellant sub 1] ligt ten noorden van dit appartementengebouw op een afstand van ten minste 35 meter. De woning wordt van het appartementengebouw gescheiden door een strook met de bestemming "Groen". Ingevolge artikel 5.1 van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen, paden en water.

2.2.3. Gelet op de maximale bouwhoogtes van het appartementengebouw en de afstand tot de woning van [appellant sub 1] heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van de komst van het appartementengebouw niet zo ernstig is dat hieraan een doorslaggevende betekenis had moeten worden toegekend. Daarbij heeft de raad kunnen betrekken dat de bestemmingen "Groen" en "Gemengd 1" voor de gronden aan de achterzijde van de woningen voldoende mogelijkheden bieden om de gebouwen van de woning af te schermen. De bestemming "Groen" voorziet gelet op artikel 5.1 van de planregels ook in water. Gelet op de afstand en de maximale bouwhoogtes ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad redelijkerwijze verdergaande voorzieningen had moeten vastleggen. Ter zitting is overigens gebleken dat na overleg met enkele bewoners van de Ruif schriftelijk aan onder meer [appellant sub 1] is toegezegd dat de sloot tussen zijn woning en het appartementengebouw zal worden verbreed en dat de vijver zal worden vergroot.

2.2.4. Wat betreft de mogelijkheid om een voet- en fietspad aan te leggen achter de woning van [appellant sub 1], overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een binnen de bestemmingen "Groen" en "Gemengd 1" passend pad zodanige overlast voor hem met zich zal brengen dat de raad deze mogelijkheid niet in redelijkheid in het plan heeft kunnen opnemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestaande sloot achter de woning van [appellant sub 1] een voet- en fietspad van de woningen zal afscheiden en dat de raad voornemens is meerdere ontsluitingen rondom de appartementengebouwen te realiseren. Ter zitting is overigens gebleken dat het pad op verzoek van omwonenden verder van de woningen aan de Ruif zal worden gesitueerd dan aanvankelijk beoogd.

2.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 1] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.4. [appellanten sub 2] stellen dat uit de publicaties van het ontwerp niet duidelijk blijkt welk ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, aangezien de namen "Hasselt om de Weede" en "Om de Weede fase 1A" door elkaar zijn gebruikt.

2.4.1. Ingevolge 3.8, eerste lid, van de Wro, voor zover thans van belang, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, geeft het bestuursorgaan, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp, in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp en kan daarbij worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud.

2.4.2. De titel van de publicatie luidt ontwerpbestemmingsplan "Hasselt om de Weede", maar in de tekst van de publicatie staat duidelijk vermeld dat het ontwerpbestemmingsplan beperkt is tot de eerste fase van het gelijknamige woningbouwproject. In de tekst is voorts een omschrijving opgenomen van het gebied waarop het ontwerpplan betrekking heeft. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.8, eerste lid, van de Wro, in samenhang bezien met artikel 3:12 van de Awb.

2.5. [appellanten sub 2] betogen verder dat ten onrechte geen verplicht vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) heeft plaatsgevonden. Er is voorts geen besluit bekend waarin het college van gedeputeerde staten van Overijssel of de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister van VROM) hebben bepaald dat geen vooroverleg is vereist, aldus [appellanten sub 2].

2.5.1. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro, voor zover thans van belang, pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen het college van gedeputeerde staten onderscheidenlijk de minister van VROM bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist met de diensten van provincie onderscheidenlijk Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.

2.5.2. Blijkens de plantoelichting heeft vooroverleg plaatsgevonden met de betrokken diensten van het Rijk en de provincie in het kader van het voorontwerp van het bestemmingsplan "Hasselt om de Weede", dat niet meer in procedure zal worden gebracht. Het onderhavige plan komt overeen met een deel van het in het voorontwerp van het bestemmingsplan "Hasselt om de Weede" betrokken gebied. Gelet op deze omstandigheden, zo heeft de raad uiteengezet, hebben het college van gedeputeerde staten van Overijssel en de inspecteur van VROM namens de minister van VROM mondeling te kennen te geven af te zien van vooroverleg in de zin van artikel 3.1.1 van het Bro in het kader van het voorliggende bestemmingsplan. Artikel 3.1.1, tweede lid van het Bro vereist, anders dan [appellanten sub 2] stellen, niet dat deze beslissing in een besluit wordt vastgelegd. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van het Bro.

2.6. [appellanten sub 2] betogen dat ten onrechte geen gelegenheid tot inspraak is geboden, nu uit de gemeentelijke inspraakverordening volgt dat inspraak moet worden geboden met betrekking tot een voorontwerp van een bestemmingsplan. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

2.7. [appellanten sub 2] kunnen zich niet verenigen met de in het plan voorziene bouw van woningen in het zuidelijke deel van het plangebied. In dit verband voeren zij aan dat in Hasselt geen behoefte bestaat aan nieuwe woningen en zeker niet aan nieuwe huurwoningen. Nieuwe woningen zouden volgens hen bovendien niet aan de rand, maar in de kern van Hasselt moeten worden gerealiseerd. Verder betogen [appellanten sub 2] dat hun woon- en leefklimaat vanwege de komst van nieuwe woningen en een fietspad en parkeervoorzieningen nabij hun woning zal worden aangetast. Het plan is volgens hen voorts in strijd met het provinciale beleid inzake woningbouw.

2.7.1. De raad brengt naar voren dat uit een in het kader van de voorbereiding van het plan verricht onderzoek blijkt dat in Hasselt voldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Het aantal inbreidingslocaties is volgens de raad ontoereikend om dit aantal woningen te realiseren. De raad betwist voorts dat het plan in strijd is met het provinciale beleid inzake woningbouw. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de woningbouw, het voet- en fietspad en de parkeervoorzieningen geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en de privacy van [appellanten sub 2] met zich zullen brengen.

2.7.2. In dit geding staan slechts de in het plan voorziene woningen ter beoordeling. Wat betreft het betoog dat geen behoefte aan deze woningen bestaat, overweegt de Afdeling als volgt. In het "Woonplan 2008 Gemeente Zwartewaterland" van mei 2008, zijn de uitkomsten van een onderzoek naar de woningbehoefte in onder meer Hasselt weergegeven. Gelet op de inhoud van dit Woonplan heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de woningen die in het plan zijn voorzien. Het plan bepaalt voorts niet hoeveel woningen voor de verhuur zijn bestemd, zodat de vraag of als gevolg van het plan een overschot aan huurwoningen zal ontstaan in deze procedure niet aan de orde is. [appellanten sub 2] hebben voorts op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat afdoende in de woningbehoefte kan worden voorzien door uitsluitend in te breiden in de kern van Hasselt.

2.7.3. Met betrekking tot het betoog dat de in het plan voorziene woningbouw in strijd is met het provinciale beleid overweegt de Afdeling als volgt. Het provinciale beleid inzake woningbouw is verwoord in het Streekplan Overijssel 2000+, waaraan de raad zich heeft geconformeerd. In het Streekplan staat dat in Hasselt na afronding van de ten noordoosten van de kern gelegen wijk Ter Wee's hoek de ontwikkeling van de woningbouw in (zuid)oostelijke richting wordt beoogd. Ter zitting is onweersproken door de raad gesteld dat het plan voorziet in de wijk Ter Wee's hoek. Het plangebied ligt voorts binnen de op de Streekplankaart aangegeven rode contour om de kern van Hasselt die aangeeft vanaf waar de uitbreiding van het stads- en dorpsgebied wordt belemmerd. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich met juistheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid. Voor zover [appellanten sub 2] hebben gewezen op de tussen gemeente en de provincie gemaakt prestatieafspraken inzake woningbouw, overweegt de Afdeling dat deze afspraken dateren van na het vaststellingsbesluit, zodat zij bij de toetsing daarvan niet kunnen worden betrokken.

2.7.4. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogtes voor de woningen op de voor "Wonen" bestemde percelen die het dichtst bij het perceel van [appellanten sub 2] liggen, bedragen ingevolge artikel 11.2.1, aanhef en onder h, van de planregels, in samenhang bezien met de verbeelding, 8 onderscheidenlijk 11 meter. De woning van [appellanten sub 2] ligt ten westen van de mogelijk gemaakte nieuwbouwwoningen op een afstand van ten minste 35 meter. De woning van [appellanten sub 2] wordt van de nieuwbouwwoningen gescheiden door een strook met de bestemming "Groen".

2.7.5. Anders dan [appellanten sub 2] stellen, kunnen gelet op de maximaal toegestane goot- en bouwhoogtes op de voor "Wonen" bestemde percelen die het dichtst bij hun perceel liggen woningen met twee bouwlagen en een kap worden gebouwd. Gelet hierop en op de afstand van de nieuwbouwwoningen tot de woning van [appellanten sub 2] heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van hun woon- en leefklimaat en de privacy als gevolg van de komst van de nieuwbouwwijk niet onevenredig wordt aangetast. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestemming "Groen" voor de gronden ten oosten van de woning voldoende mogelijkheden biedt om de nieuwbouwwijk van de woning af te schermen.

2.7.6. Wat betreft de mogelijkheden om ter plaatse van de strook met de bestemming "Groen" tussen de woning van [appellanten sub 2] en de nieuwbouwwoningen een voet- en fietspad en parkeervoorzieningen aan te leggen, overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze voorzieningen zodanige overlast met zich zullen brengen dat de raad deze mogelijkheden niet in redelijkheid in het plan heeft kunnen opnemen. Daarbij neemt de Afdeling met betrekking tot het pad in aanmerking dat wordt beoogd het voet- en fietspad op 15 meter afstand van de woning aan te leggen. In dit verband is voorts van belang dat de raad ter zitting aan de hand van een kaart heeft uiteengezet dat meerdere ontsluitingen voor het gebied zullen worden gerealiseerd, zodat aannemelijk is dat van het pad beperkt gebruik zal worden gemaakt.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010

45-589.