Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4959

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
200909333/1/R3 en 200909333/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Wierden, herziening [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909333/1/R3 en 200909333/2/R3.

Datum uitspraak: 12 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

de raad van de gemeente Wierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Wierden, herziening [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 31 december 2009.

Bij eerstgenoemde brief hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [belanghebbende], hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 april 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. S. Oord, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door A. Gijsendorffer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door W. Bekke, werkzaam bij BJZ.nu B.V., gehoord.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De aanleiding voor het plan is gelegen in een bouwvergunningaanvraag van [belanghebbende] die betrekking heeft op de bouw van een woning op het perceel [locatie sub 1] ter vervanging van de bestaande woning op dat perceel.

2.3. [appellanten] voeren aan dat ten opzichte van de bestaande woning op het perceel [locatie sub 1] het plan voorziet in ruimere bouwmogelijkheden. De evenwichtige stedenbouwkundige opzet van de wijk wordt met de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden volgens [appellanten] aangetast, mede gezien de afstand van de voorziene bebouwing tot hun perceel [locatie sub 2]. [appellanten] wijzen er op dat de voorziene bebouwing op hun perceel leidt tot afname van het uitzicht en tot vermindering van zonlichttoetreding. [appellanten] betogen dat de raad ten onrechte geen bezonningsonderzoek heeft uitgevoerd.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan opgenomen maximaal toegestane oppervlakte voor een hoofdgebouw van 156 m² en de maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen van 75 m² met een mogelijkheid tot ontheffing voor 150 m², mede gezien de totale oppervlakte van het perceel [locatie sub 1] van ongeveer 1.020 m², zodanig is dat qua situering, bouwvolume en bezonning gesproken kan worden van een acceptabele stedenbouwkundige invulling. Het woon- en leefklimaat wordt volgens de raad dan ook niet op ontoelaatbare wijze aangetast.

De raad wijst er voorts op dat het bouwvlak voor het hoofdgebouw in het geldende bestemmingsplan veel groter is dan in het voorliggende plan. Volgens de raad blijft mede door de aanwezige gemeentelijke leidingstrook nog een behoorlijke bebouwingsvrije ruimte over tussen de percelen [locatie sub 1] en [locatie sub 2].

2.5. De ingevolge het plan toegestane oppervlakte van een hoofdgebouw op het perceel [locatie sub 1] bedraagt 156 m², terwijl het geldende bestemmingsplan daaraan volgens gemeentelijke berekeningen een maximum stelt van ongeveer 460 m².

Voorts voorziet het voorliggende plan volgens gemeentelijke berekeningen in een toegestane nokhoogte van het hoofdgebouw van ongeveer 14 meter, die voortvloeit uit de maximale goothoogte van 4 meter en de maximaal toegestane dakhelling van 60˚. In het geldende bestemmingsplan was die nokhoogte op ongeveer 13,5 meter bepaald.

Het hoofdgebouw op het perceel [locatie sub 1] mag ingevolge het plan niet dichter dan tot 11 meter van het perceel [locatie sub 2] worden gebouwd.

2.5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat gezien de oppervlakte van het perceel [locatie sub 1] het voorliggende plan de bouw van een gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen van 150 m² op dit perceel mogelijk maakt nadat de daarvoor volgens het plan vereiste ontheffing is verleend.

De maximaal toegestane goothoogte van een aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw bedraagt ingevolge artikel 3.2.2., aanhef en onder d, van de planregels 3 meter, met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw. Gezien de maximaal toegestane dakhelling van 60˚ bedraagt de maximale nokhoogte van een aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw volgens gemeentelijke berekeningen ongeveer 12 meter.

Ingevolge artikel 3.2.2., aanhef en onder b, van de planregels mag de afstand van aanbouwen, uitbouwen of bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 1 meter bedragen. Gezien deze bepaling en gezien de aanwezigheid van een 2 meter brede leidingstrook tussen de percelen [locatie sub 1] en [locatie sub 2] mogen aanbouwen, uitbouwen of bijgebouwen op het perceel [locatie sub 1] niet dichterbij dan tot op een afstand van 3 meter van het perceel [locatie sub 2] worden gerealiseerd.

2.5.2. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de van gemeentelijke zijde berekende maximale nokhoogtes onjuist zijn. Mede gelet op de aanwezigheid van een 2 meter brede leidingstrook tussen de percelen [locatie sub 1] en [locatie sub 2] geeft het aangevoerde geen aanleiding van het oordeel dat het plan zodanig ruime bouwmogelijkheden op het perceel [locatie sub 1] mogelijk maakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel van [appellanten].

Mede gelet op de omstandigheid dat de oppervlakte van het perceel [locatie sub 1] ongeveer 1.020 m² bedraagt, geeft het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de in het plan voorziene bouwmogelijkheden een acceptabele stedenbouwkundige invulling is gegeven aan het perceel [locatie sub 1].

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010

528.