Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM4956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
201003313/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2010 heeft het college aan [verzoeker] twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtredingen van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003313/1/M2.

Datum uitspraak: 12 mei 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te [woonplaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Duiven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2010 heeft het college aan [verzoeker] twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtredingen van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 mei 2010,

waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door M. Dickmann en mr. M.J.E. Heutink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 2 september 1997 heeft het college voor de varkenshouderij van [verzoeker] aan de [locatie] te [plaats] een veranderingsvergunning verleend, als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Bij het bestreden besluit heeft het college aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder milieuvergunning houden van 1.768 vleesvarkens in stal 4. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de vergunning uit 1997 op grond van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer van rechtswege is vervallen voor zover het stal 4 betreft omdat deze stal niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht. Daarnaast heeft het college bij het bestreden besluit een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met de vergunning uit 1997 zonder centraal afzuigsysteem in gebruik hebben van de stallen 1, 2 en 3. De lasten strekken ertoe de vleesvarkens uit stal 4 te verwijderen en verwijderd te houden onderscheidenlijk het centraal afzuigsysteem in de stallen 1, 2 en 3 alsnog aan te brengen. Daartoe is [verzoeker] een termijn gegund tot 1 juli 2010.

2.2. [verzoeker] stelt dat zich wat het houden van varkens in stal 4 betreft geen overtreding voordoet. Hij voert aan dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de vergunning van 1997 van rechtswege is vervallen voor zover het stal 4 betreft. Volgens [verzoeker] is stal 4 tijdig voltooid en in werking gebracht. Hij heeft onder meer taxatieverslagen overgelegd waarin melding is gemaakt van de stal met bouwjaar 2002.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de bij het besluit van 2 september 1997 verleende vergunning op 2 augustus 1999 onherroepelijk is geworden. De termijn van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer voor het voltooien en in werking brengen van stal 4 is derhalve geëindigd op 2 augustus 2002. Verder is tussen partijen niet in geschil dat uit luchtfoto's van 27 maart 2002 blijkt dat stal 4 op die datum niet aanwezig was en dat evenmin bouwwerkzaamheden ter realisering van deze stal waren begonnen. Het geschil spitst zich daarom in zoverre toe op de vraag of stal 4 in de periode tussen 27 maart 2002 en 2 augustus 2002 is voltooid en in werking gebracht.

2.2.3. De onderhavige procedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of stal 4 op 2 augustus 2002 metterdaad was gebouwd. Het is de voorzitter evenwel niet duidelijk geworden of het voor [verzoeker] al dan niet feitelijk mogelijk is geweest om stal 4 in de periode tot 2 augustus 2002 al dan niet gedeeltelijk te voltooien en in werking brengen door daarin varkens te houden. Het standpunt van het college dat de vergunning uit 1997 van rechtswege is vervallen voor zover het stal 4 en het daarin houden van varkens betreft, behoeft naar het oordeel van de voorzitter reeds met het oog op die onduidelijkheid nadere motivering, welke het college zo mogelijk kan geven in de beslissing op het door [verzoeker] tegen het besluit van 17 maart 2010 gemaakte bezwaar.

De voorzitter ziet, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding om wat de bij het bestreden besluit met betrekking tot stal 4 opgelegde last de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3. [verzoeker] heeft niet betwist dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer door de stallen 1, 2 en 3 in gebruik te hebben zonder dat deze stallen zijn voorzien van een centraal luchtafzuigsysteem zoals dat ingevolge de vergunning uit 1997 moet worden aangelegd. Het college kon in zoverre handhavend optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [verzoeker] heeft op 8 december 2009 een aanvraag voor een nieuwe milieuvergunning voor de inrichting bij het college ingediend waarin geen centraal luchtafzuigsysteem is opgenomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze aanvraag op het moment van het nemen van het bestreden besluit onvolledig was en onvoldoende informatie bevatte voor een beoordeling van de gevolgen voor het milieu aangezien onder meer informatie ter zake van emissies naar de lucht, van bijproducten en van de dimensionering van de luchtwassers ontbreekt. Hetgeen [verzoeker] aanvoert, biedt naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende grond dit standpunt en het handhaven van het vereiste van een luchtafzuigsysteem onaanvaardbaar te achten. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestond. Er doet zich in dit geval geen bijzondere omstandigheid voor die zou nopen tot het afzien van handhavend optreden met betrekking tot het zonder centraal luchtafzuigsysteem in gebruik hebben van de stallen 1, 2 en 3.

2.5. [verzoeker] voert voorts aan dat de begunstigingstermijn voor de aanleg van het centraal afzuigsysteem voor de stallen 1, 2 en 3 te kort is.

2.5.1. Ingevolge de bij het bestreden besluit opgelegde last dient [verzoeker] in de stallen 1, 2 en 3 alsnog een centraal afzuigsysteem aan te brengen. Het is de voorzitter genoegzaam gebleken dat de hiertoe in het bestreden besluit gegunde termijn - tot 1 juli 2010 - te kort is om op een redelijke wijze aan deze last te kunnen voldoen. Op grond van het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat het mogelijk is om het luchtafzuigsysteem in de desbetreffende stallen voor 1 september 2010 aan te brengen. Gelet hierop ziet de voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding tot het treffen van een hierna te melden voorlopige voorziening.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Duiven van 17 maart 2010, kenmerk 10.2610, voor zover het de daarbij opgelegde last onder dwangsom tot het verwijderen van de varkens uit stal 4 betreft, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op het gemaakte bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn die bij het onder I. genoemde besluit van 17 maart 2010 is verbonden aan de daarbij opgelegde last onder dwangsom tot het alsnog aanbrengen van een centraal luchtafzuigsysteem in de stallen 1, 2 en 3 loopt tot 1 september 2010;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Duiven tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 911,55 (zegge: negenhonderdelf euro en vijfenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Duiven aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010

431.